ECLI:NL:RBOVE:2026:1242

ECLI:NL:RBOVE:2026:1242

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 03-03-2026
Datum publicatie 09-03-2026
Zaaknummer 11680963 \ CV EXPL 25-1420
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Partij A heeft bouwwerkzaamheden verricht aan de woning en een bijgebouw van partij B In deze zaak gaat het onder meer om de vraag of partij B de factuur van partij A voor die werkzaamheden moeten betalen. Verder gaat deze zaak om de vraag of partij A zijn werkzaamheden goed heeft uitgevoerd. Partij B vinden namelijk van niet, en hebben daarom een tegenvordering (een eis in reconventie) ingesteld. De kantonrechter wijst de vordering van partij A af en de tegenvordering van partij B gedeeltelijk toe.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 11680963 \ CV EXPL 25-1420

Vonnis van 3 maart 2026

in de zaak van

[partij A] h.o.d.n. [eenmanszaak],

wonende te [woonplaats 1] ,

eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [partij A] ,

gemachtigde: M.N.J. ter Horst

tegen

1. [partij B1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,2. [partij B2],

wonende te [woonplaats 3] ,

gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: [partij B] ,

gemachtigde: mr. W.P.C. Ros.

1. De zaak in het kort

[partij A] heeft bouwwerkzaamheden verricht aan de woning en een bijgebouw van [partij B] In deze zaak gaat het onder meer om de vraag of [partij B] de factuur van [partij A] voor die werkzaamheden moeten betalen. Verder gaat deze zaak om de vraag of [partij A] zijn werkzaamheden goed heeft uitgevoerd. [partij B] vinden namelijk van niet, en hebben daarom een tegenvordering (een eis in reconventie) ingesteld. De kantonrechter wijst de vordering van [partij A] af en de tegenvordering van [partij B] gedeeltelijk toe.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord, met daarin een tegenvordering,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,

- de akte overleggen producties en wijziging van eis van [partij B] ,

- de conclusie van antwoord in reconventie,

- de mondelinge behandeling van 11 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,

- de akte van [partij B] , met een aanvullende productie,

- de akte van [partij A] .

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

[partij A] heeft een eenmanszaak. Met die eenmanszaak werkt [partij A] als (elektrotechnisch) installateur. [partij B] zijn particulier.

[partij B] hebben in 2023 een appartement (hierna: het bijgebouw) naast hun boerderij laten bouwen. De aannemer die met de bouw is begonnen, is in december 2023 failliet gegaan, nog voordat alle werkzaamheden aan het bijgebouw waren afgerond.

In januari 2024 zijn partijen met elkaar in contact gekomen en in gesprek gegaan over het afronden van de werkzaamheden aan het bijgebouw. [partij A] heeft een factuur opgesteld met een bedrag van € 6.288,83 inclusief btw en deze op 4 februari 2024 naar [partij B] gestuurd. [partij B] hebben deze factuur voorafgaand aan de werkzaamheden van [partij A] op 11 februari 2024 voldaan.

[partij A] heeft op 18 maart 2024 een factuur naar [partij B] gestuurd met een bedrag van € 16.973,60 inclusief btw. [partij B] hebben deze factuur niet betaald.

Partijen hebben tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden door [partij A] veelvuldig contact gehad via WhatsApp. Daarbij is het onder meer gegaan over de voortgang van de werkzaamheden van [partij A] , over de kwaliteit daarvan en over het moment van afronden van de werkzaamheden.

[partij B] hebben door TOP Expertise uit Rotterdam een onderzoek naar de omvang en de kwaliteit van de werkzaamheden van [partij A] laten uitvoeren. Dit onderzoek heeft op 16 juli 2025 plaatsgevonden. TOP Expertise heeft op 17 september 2025 een rapport uitgebracht van haar onderzoek.

Op 7 augustus 2025 heeft installatiebedrijf Enspectie een ‘scope 8 onderzoek’ uitgevoerd naar de elektrische installatie van woning van [partij B] en het bijgebouw. Van dit onderzoek heeft Enspectie een rapport opgesteld.

[partij B] hebben [bedrijf 1] gevraagd om een offerte op te stellen voor (herstel)werkzaamheden aan het bijgebouw. Deze offerte heeft een bedrag van € 35.559,84 inclusief btw.

4. Het geschil

In conventie

[partij A] vordert veroordeling van [partij B] tot betaling van een bedrag van € 14.027,77, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente en met veroordeling van

[partij B] in de proceskosten.

[partij B] voeren verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

In reconventie

[partij B] vorderen – samengevat en na wijziging van eis – vernietiging van de tussen partijen gesloten overeenkomst, en verder primair veroordeling van [partij A] tot betaling van een vervangende schadevergoeding van € 31.359,84, te vermeerderen met de wettelijke rente,

en subsidiair volledige en correcte nakoming van de aannemingsovereenkomst, dan wel een machtiging om dit te laten doen, beide op straffe van een dwangsom. Verder vorderen [partij B] vergoeding van verschillende door hen gemaakte herstel- dan wel expertisekosten, als ook een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten, en met veroordeling van [partij A] in de proceskosten.

[partij A] voert verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

In conventie

Partijen zijn het erover eens dat zij een overeenkomst van aanneming van werk zoals bedoeld in artikel 7:750 van het Burgerlijk Wetboek (BW) hebben gesloten. De eerste vraag die partijen verdeeld houdt, is hoe deze overeenkomst verder gekwalificeerd moet worden: als een aannemingsovereenkomst met een vaste aanneemsom (standpunt [partij B] ), of een aannemingsovereenkomst die wordt uitgevoerd in regie (standpunt [partij A] ).

De kantonrechter moet dus beoordelen wat partijen met elkaar hebben afgesproken over de prijs. Om dat te bepalen, kijkt de kantonrechter naar wat partijen over en weer hebben verklaard over de prijs en wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden (de zogenoemde ‘Haviltex-maatstaf’, naar het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:

AG4158). Bij de uitleg van wat partijen hebben afgesproken kunnen ook gedragingen en verklaringen van partijen na het sluiten van de overeenkomst van belang zijn (zie o.a. Hoge Raad 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2012:BX5572). Die latere gedragingen en verklaringen kunnen namelijk een aanwijzing zijn van de door partijen bedoelde inhoud van de gemaakte afspraken.

De kantonrechter is van oordeel dat partijen een vaste aanneemsom hebben afgesproken. Voor dit oordeel is het volgende van belang. Het staat vast dat partijen voorafgaand aan de werkzaamheden samen door het bijgebouw zijn gelopen, en dat [partij B] bouwtekeningen aan [partij A] hebben gegeven, afkomstig van de vorige aannemer. Vervolgens heeft [partij A] naar eigen zeggen een inschatting gemaakt van de kosten van de werkzaamheden die nog uitgevoerd moesten worden en heeft [partij A] daarvoor een factuur opgesteld en aan [partij B] verzonden, met het verzoek deze meteen te betalen. [partij A] heeft niet gesteld, en dat is de kantonrechter verder ook niet gebleken, dat die factuur alleen een voorschot was. Op de zitting heeft [partij A] nog verklaard dat partijen een uurtarief van € 60,00 inclusief btw hebben afgesproken, maar die enkele stelling is niet genoeg om te oordelen dat sprake is van een afspraak op basis van regie. Die regieafspraak is door [partij B] namelijk betwist en is nergens uit af te leiden. Dat [partij A] dat uurtarief kennelijk heeft gebruikt om de prijsafspraak van € 6.288,83 te maken, is ook niet genoeg om te oordelen dat sprake is geweest van een overeenkomst op regiebasis. Gelet op de voorgaande omstandigheden waarbij [partij B] ook vooraf moesten betalen, mochten [partij B] er gerechtvaardigd op vertrouwen dat [partij A] het werk tegen de gegeven (vaste) prijs zou uitvoeren. [partij A] heeft tegen deze achtergrond ook onvoldoende gesteld om aan te nemen dat dit slechts een richtprijs was, nu hij geen voorbehoud heeft gemaakt bij de door hem verstrekte aanneemsom. Verder is van belang dat bij een overeenkomst op basis van regie de aannemer (in dit geval [partij A] ) de opdrachtgever (in dit geval [partij B] ) gaandeweg het werk op de hoogte houdt van de kosten van de uitgevoerde werkzaamheden tot op dat moment, en dat de aannemer dit goed bijhoudt. Op die manier kan de opdrachtgever gaandeweg de werkzaamheden zien of hij moet bijsturen. Dat [partij A] gaandeweg de werkzaamheden een duidelijke administratie heeft bijgehouden, is ook niet gesteld of gebleken. Dat het werk uiteindelijk achteraf gezien omvangrijker was zoals [partij A] heeft gesteld (wat [partij B] overigens hebben weersproken), is niet genoeg om te oordelen dat bij aanvang geen vaste prijs is afgesproken. Dat gestelde extra werk moet op een andere grondslag worden beoordeeld.

Omdat [partij B] als consumenten de overeenkomst met [partij A] als professionele partij zijn aangegaan, moet de kantonrechter ook aan het dwingende consumentenrecht toetsen, waaronder de informatieplichten die de aannemer heeft (als bedoeld in afdeling 6.5.2B BW). [partij B] hebben daar een beroep op gedaan en de kantonrechter moet dit ook uit zichzelf (ambtshalve) toetsen. Daarom zal de kantonrechter eerst moeten vaststellen wat voor soort consumentenovereenkomst de tussen partijen gesloten overeenkomst is. Uit de stellingen van partijen volgt dat [partij A] bij [partij B] is geweest om de werkzaamheden te bekijken. Vervolgens heeft hij op 4 februari 2024 per e-mail een prijsopgave gestuurd. [partij A] heeft in de begeleidende e-mail geschreven dat hij ‘de factuur heeft ingevoegd’. De kantonrechter begrijpt de prijsopgave gelet op het voorgaande als de vaste prijsopgave. Vervolgens hebben [partij B] een vraag gesteld over de post ‘materiaal’, waarna [partij A] ook weer per e-mail een nadere toelichting heeft gegeven. Daarna hebben partijen volgens [partij B] nog nader mondeling overleg gevoerd, waarna [partij B] uiteindelijk toch vooraf de vaste prijsopgave heeft betaald op 11 februari 2024. De kantonrechter leidt hieruit af dat sprake is van een overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte (artikel 6:230l BW). Van een overeenkomst als bedoeld in artikel 6:230l BW is namelijk ook sprake als een handelaar bij een consument thuis komt uitsluitend om op te meten of een kostenraming te geven zonder enige verplichting voor de consument, en de overeenkomst pas op een later tijdstip op basis van de kostenraming van de handelaar wordt gesloten in de verkoopruimte van de handelaar of met een middel voor communicatie op afstand. De consument heeft dan tijd gehad om over de kostenraming van de handelaar na te denken voordat de overeenkomst wordt gesloten. Deze laatste situatie doet zich hier voor zodat de overeenkomst valt onder artikel 6:230l BW. Gelet daarop had [partij A] de verplichting om vooraf een prijsopgave aan [partij B] te verstrekken. Gelet op de voorgaande overwegingen ten aanzien van de vaste prijs, komt de kantonrechter tot het oordeel dat geen sprake is van een schending van deze precontractuele essentiële informatieplicht. Vanwege de totstandkoming van de afspraak over de vaste maximumprijs kan worden aangenomen dat hierover voor de totstandkoming van de mondelinge overeenkomst informatie is uitgewisseld. Vaststaat dat [partij A] voor de start van de werkzaamheden een prijsopgave heeft gedaan van € 6.288,83, waar partijen ook overeenstemming over hebben bereikt. Bij de start van de werkzaamheden hebben [partij B] dus een gemotiveerde afweging kunnen maken om het werk al dan niet uit te laten voeren. De kantonrechter ziet geen grond dit eerste deel van de overeenkomst te vernietigen.

De kantonrechter komt nu toe aan beoordeling van de vordering van [partij A] waarin hij betaling vordert van aanvullende werkzaamheden. Omdat de kantonrechter heeft geoordeeld dat partijen een vaste aanneemsom hebben afgesproken, vallen de werkzaamheden waarvan [partij A] in deze procedure betaling vordert daar niet onder. Die vordering moet worden beoordeeld in het kader van kostenverhogende omstandigheden (artikel 7:753 BW) of meerwerk (artikel 7:755 BW).

Kostenverhogende omstandigheden?

De kantonrechter stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 7:753 lid 1 BW kan een aannemer aanspraak maken op een aanpassing van de overeengekomen prijs, wanneer er na het sluiten van de overeenkomst sprake is van kostenverhogende omstandigheden. Lid 3 van dit artikel bepaalt dat de aannemer alleen aanspraak kan maken op een prijsverhoging wanneer hij de opdrachtgever zo snel mogelijk van de noodzaak van die prijsverhoging heeft gewaarschuwd.

De kantonrechter is van oordeel dat [partij A] voldoende heeft gesteld om aan te nemen dat er (gedeeltelijk) sprake is geweest van kostenverhogende omstandigheden. [partij A] kan die kostenverhogende omstandigheden echter niet bij [partij B] in rekening brengen omdat [partij A] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij [partij B] op tijd en voldoende duidelijk heeft gewaarschuwd voor de noodzaak van een prijsverhoging. Voor dit oordeel is het volgende van belang. [partij A] heeft aangevoerd dat bepaalde leidingen niet in het bijgebouw aanwezig waren, en dat waterleidingen te dicht op elkaar lagen. Ook heeft [partij A] aangevoerd dat leidingen voor internetkabels aanbracht waren waar geen internetkabels doorheen konden. Verder heeft [partij A] aangevoerd dat er op de tekening die [partij B] aan hem gegeven hebben een schakelaar stond getekend, maar dat hij voor het plaatsen van die schakelaar eerst hout moest wegbreken. Deze door [partij A] aangevoerde omstandigheden kunnen niet aan hem worden toegerekend en maken dat [partij A] in beginsel aanspraak kan maken op een (gedeeltelijke) prijsverhoging. Maar zoals hiervoor is overwogen, bepaalt de wet dat de aannemer ( [partij A] ) dan wel zo spoedig mogelijk voor de noodzaak van die prijsverhoging moet waarschuwen. Op die manier wordt de opdrachtgever, [partij B] , in staat gesteld om mee te denken over de kostenverhogende werkzaamheden, en de mogelijkheid gegeven de kosten daarvan te beperken. [partij A] heeft naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd dat hij gewaarschuwd heeft voor de kostenverhogende omstandigheden. [partij A] heeft alleen aangevoerd dat [partij B] moesten begrijpen dat de werkzaamheden duurder zouden worden, maar dat is door [partij B] weersproken en dit is niet komen vast te staan. Bovendien heeft [partij A] zelf op de zitting ook gezegd dat hij achteraf misschien beter had moeten informeren. [partij A] heeft nog gesteld dat hij voor bepaalde werkzaamheden heeft gewaarschuwd voor een prijsverhoging, maar [partij A] heeft niet gesteld op welk moment. Die enkele stelling is niet genoeg om te oordelen dat [partij A] [partij B] op tijd en voldoende duidelijk heeft gewaarschuwd voor de door hem gestelde kostenverhogende omstandigheden. Dit maakt dat [partij A] geen prijsverhoging vanwege kostenverhogende omstandigheden bij [partij B] in rekening kan brengen. Ook als [partij A] wel had gewaarschuwd, is het overigens nog maar de vraag of de hele vordering van € 14.027,77 zou kunnen worden toegewezen. Onduidelijk is namelijk of de onderliggende factuur helemaal betrekking heeft op kostenverhogende omstandigheden en zo niet, wat de omvang is van de mogelijke prijsverhoging. Met de aanvullende factuur heeft [partij A] net als bij de eerste factuur slechts een totaalbedrag voor arbeid en materiaal in rekening gebracht zonder specificatie. Op basis daarvan kan niet worden vastgesteld welk deel van de factuur betrekking heeft op de kostenverhogende omstandigheden. [partij A] heeft dit ook in de procedure niet concreet gesteld of nader toegelicht. Bovendien hebben [partij B] gemotiveerd betwist dat de factuur (alleen) betrekking heeft op kostenverhogende omstandigheden, door toe te lichten dat [partij A] met deze factuur eigen herstelwerkzaamheden in rekening heeft gebracht. In zoverre heeft [partij A] zijn vordering ook onvoldoende onderbouwd. Aan een verdere beoordeling van de omvang van de kostenverhogende omstandigheden komt de kantonrechter niet toe, nu deze grondslag niet slaagt gelet op het voorgaande.

Meerwerk?

Ten aanzien van de mogelijke vordering op grond van meerwerk heeft [partij A] ook onvoldoende gesteld. [partij A] kan kosten voor meerwerk in beginsel bij [partij B] in rekening brengen, maar daarvoor moet hij wel stellen en, bij gemotiveerde betwisting door [partij B] bewijzen, dat sprake is van meerwerk, dat [partij B] opdracht hebben gegeven voor dit meerwerk en dat [partij A] [partij B] tijdig heeft gewaarschuwd voor de noodzaak van de uit het meerwerk voortvloeiende prijsverhoging. Dit volgt uit artikel 7:755 BW.

Ten eerste heeft [partij A] onvoldoende onderbouwd dat er door [partij B] opdracht is gegeven voor het verrichten van meerwerk. Niet gesteld is wanneer [partij B] die opdracht zouden hebben verstrekt en ten aanzien van welke werkzaamheden. [partij B] hebben bovendien betwist dat zij een opdracht voor meerwerk hebben verstrekt, door aan te voeren dat de werkzaamheden die [partij A] heeft verricht binnen de opdracht vielen. Nu [partij A] onvoldoende feiten heeft gesteld om aan te kunnen nemen dat [partij B] de opdracht hebben verstrekt voor meerwerk, bestaat ook geen grond voor bewijslevering op dit punt. Ook als de kantonrechter bewijslevering zou toelaten van de stelling dat sprake is van opgedragen meerwerk en [partij A] zou kunnen aantonen dat daarvan sprake is, dan kan de hoofdvordering niet op grond van artikel 7:755 BW worden toegewezen. Ook voor meerwerk geldt namelijk een waarschuwingsplicht voor de aannemer. Gelet op het voorgaande heeft [partij A] daar niet aan voldaan.

Consumentenrecht

In het voorgaande heeft de kantonrechter geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat [partij B] opdracht hebben gegeven voor meerwerk. Ten aanzien van meerwerk voor consumenten geldt echter niet alleen de waarschuwingsplicht uit artikel 7:755 BW, maar ook de bepalingen met betrekking tot het consumentenrecht zoals toegelicht in r.o. 5.4. Dat betekent dat [partij A] niet alleen vooraf had moeten wijzen op de noodzaak van een prijsverhoging voor het meerwerk, maar ook voldoende duidelijkheid had moeten geven over de prijs van het meerwerk. Indien veronderstellenderwijs zou moeten worden aangenomen dat extra werkzaamheden (meerwerk) tussen partijen is overeengekomen, dan geldt dat [partij A] [partij B] ook beter had moeten informeren over de prijs of over de manier waarop de prijs zou worden berekend. [partij A] heeft dat gelet op het voorgaande niet vooraf gedaan, zodat [partij B] niet de gelegenheid heeft gehad op goed geïnformeerde wijze te beslissen over de extra werkzaamheden. Hiermee heeft [partij A] ook artikel 6:230m lid 1 e BW geschonden. Voor zover al sprake zou zijn van door [partij B] opgedragen meerwerk, moet dat deel van de overeenkomst worden vernietigd nu [partij B] vooraf geen inzage heeft gehad in de verwachte kosten. Dat leidt ook tot de conclusie dat [partij B] de factuur voor de extra werkzaamheden niet hoeft te betalen.

Conclusie

Gelet op het voorgaande wordt de vordering van [partij A] in conventie afgewezen.

De proceskosten

Omdat [partij A] ongelijk krijgt, moet hij de proceskosten van [partij B] in conventie betalen. Die kosten begroot de kantonrechter op een bedrag van € 864,00 aan kosten voor de gemachtigde van [partij B] (2 punten x tarief van € 432,00), en een bedrag van € 144,00 aan nakosten, in totaal een bedrag van € 1.008,00. De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

In reconventie

Vernietiging op grond van consumentenbescherming

[partij B] hebben de kantonrechter in reconventie gevraagd het deel van de overeenkomst te vernietigen op grond waarvan [partij A] in deze procedure in conventie betaling van zijn factuur vordert. De kantonrechter heeft hierover al ambtshalve in conventie beslist zodat dit niet op basis van de vordering in reconventie nog een keer hoeft te worden beslist. De kantonrechter verwijst naar hetgeen in r.o. 5.10 heeft overwogen.

Algemeen

Het deel van de oorspronkelijke overeenkomst waarvoor [partij B] € 6.288,83 hebben betaald, is niet vernietigd. Tussen partijen staat vast dat [partij A] het werk nog niet heeft opgeleverd, zodat niet kan worden aangenomen dat [partij B] het werk hebben aanvaard (artikel 7:758 BW). Volgens [partij B] heeft [partij A] dat deel van zijn werk niet goed uitgevoerd. Daarom willen zij schadevergoeding of herstel.

Vervangende schadevergoeding

[partij B] hebben als eerste (primair) gevorderd dat [partij A] wordt veroordeeld tot betaling van een vervangende schadevergoeding. Volgens [partij B] is [partij A] tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten aanneemovereenkomst. Ter onderbouwing hiervan hebben [partij B] verwezen naar de rapporten van TOP Expertise en van Enspectie.

[partij A] heeft betwist dat hij is tekortgeschoten in de nakoming van de aanneemovereenkomst. Volgens [partij A] zijn verschillende problemen of gebreken het gevolg van gebrekkige werkzaamheden van de vorige aannemer. Die gebreken zijn volgens [partij A] dan ook niet aan hem toe te rekenen.

De kantonrechter overweegt als volgt. Het is in dit kader aan [partij B] feiten te stellen en te onderbouwen waaruit blijkt dat [partij A] is tekortgeschoten bij de uitvoering van zijn werkzaamheden. [partij B] hebben deze feiten gesteld in hun tegenvordering (de eis in reconventie). Zij hebben daarin een opsomming gegeven van de werkzaamheden die [partij A] volgens hen niet, of niet goed, heeft uitgevoerd. [partij A] heeft deze gestelde gebreken niet concreet weersproken in zijn reactie op de tegenvordering (de conclusie van antwoord in reconventie). [partij A] heeft alleen in algemene zin toegelicht dat de fouten door de vorige aannemer zijn veroorzaakt. [partij B] hebben vervolgens voorafgaand aan de mondelinge behandeling bij akte deskundigenrapporten overgelegd van Top Expertise en Enspectie. [partij B] hebben deze akte per e-mail gelijktijdig aan de rechtbank en aan het deurwaarderskantoor van de gemachtigde van [partij A] gestuurd. Toch bleek tijdens de mondelinge behandeling dat [partij A] en zijn gemachtigde deze akte met producties – hoewel deze naar het algemene e-mailadres van de gemachtigde is gestuurd – niet hebben gezien voor de mondelinge behandeling. Om partijen de gelegenheid te geven het partijdebat over de gebreken en de oorzaak daarvan zorgvuldig te kunnen voeren, is een nadere akteronde toegestaan.

Na de mondelinge behandeling zijn [partij B] in de gelegenheid gesteld om te onderbouwen dat de gebreken zoals die in de rapporten van TOP Expertise en Enspectie staan, het gevolg zijn van het ondeugdelijk uitvoeren van de werkzaamheden door [partij A] . Met andere woorden, of die gebreken aan [partij A] zijn toe te rekenen. [partij B] hebben in hun akte na de mondelinge behandeling de gebreken van een verdere toelichting voorzien, waarin zij hebben uitgelegd welke gebreken zijn vastgesteld door de deskundigen en waarom die gebreken aan [partij A] moeten worden toegerekend. [partij A] heeft de mogelijkheid gekregen om bij akte op deze verdere onderbouwing en de overgelegde deskundigenrapporten te reageren. [partij A] heeft ook een akte ingediend, maar daarin is [partij A] niet ingegaan op het rapport van Top Expertise en ook niet op de nadere toelichting van [partij B] bij de verschillende gebreken uit dat rapport. Gezien de nadere toelichting van [partij B] lag het op de weg van [partij A] om zijn stelling, dat de gebreken niet aan hem maar aan de vorige aannemer moeten worden toegerekend, (nader) te onderbouwen. Zo had [partij A] bijvoorbeeld moeten aangeven welke specifieke gebreken het gevolg zijn van de werkzaamheden van de vorige aannemer, en welke gebreken om die reden niet aan hem kunnen worden toegerekend. Nu [partij A] dit niet heeft gedaan, heeft hij onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat de gebreken niet aan hem, maar aan de vorige aannemer zijn toe te rekenen. Gelet hierop heeft [partij A] zijn verweer onvoldoende onderbouwd. Aan bewijslevering komt de kantonrechter niet toe, omdat [partij A] de door [partij B] gedetailleerd gestelde gebreken niet concreet heeft weersproken en niet voldoende feiten heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn verweer dat de gestelde gebreken aan de vorige aannemer zijn toe te rekenen. Dat betekent dat de gebreken zoals die door TOP Expertise zijn geconstateerd in deze procedure als niet voldoende weersproken vaststaan, en ook dat die gebreken aan [partij A] zijn toe te rekenen.

Over het onderzoek van Enspectie overweegt de kantonrechter als volgt. [partij A] heeft aangevoerd dat de resultaten van dit onderzoek niet representatief zijn, omdat er een installatie is onderzocht die nog niet is afgerond. Volgens [partij A] wordt een dergelijk onderzoek pas uitgevoerd wanneer de werkzaamheden zijn afgerond en de situatie stabiel is. De kantonrechter volgt [partij A] hierin niet. [partij A] heeft namelijk niet uitgelegd waarop hij dat uitgangspunt heeft gebaseerd, en ook niet waarom de werkzaamheden die al wel zijn uitgevoerd, maar wellicht nog niet volledig afgerond, niet op deugdelijkheid gecontroleerd zouden kunnen worden. Verder heeft [partij A] aangevoerd dat het merendeel van de gebreken zien op de (bestaande) meterkast in de hoofdwoning, en dat zich daar al een gebrekkige situatie voordeed. [partij A] heeft naar eigen zeggen veel herstelwerkzaamheden verricht met betrekking tot ondeugdelijk uitgevoerde werkzaamheden van de vorige aannemer. Ook dit is onvoldoende onderbouwd. Het lag op de weg van [partij A] om specifiek te stellen en te onderbouwen wat de situatie was voordat hij met zijn werkzaamheden begon, en op welke punten de vorige aannemer volgens [partij A] ondeugdelijk werk heeft geleverd. Daarbij had [partij A] op de verschillende gebreken zoals genoemd in het rapport van Enspectie in moeten gaan. Nu [partij A] dit niet gedaan heeft, en alleen een algemeen verweer gevoerd heeft, kan de kantonrechter niet beoordelen in hoeverre de gebreken niet aan [partij A] maar aan de vorige aannemer zijn toe te rekenen. Gelet hierop heeft [partij A] zijn verweer onvoldoende onderbouwd. Dat betekent dat ook de gebreken zoals die door Enspectie zijn geconstateerd in deze procedure vaststaan, en ook dat die gebreken aan [partij A] zijn toe te rekenen.

Verzuim?

Nu vaststaat dat [partij A] is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten aanneemovereenkomst, moet worden beoordeeld of [partij A] in verzuim is. Voor de door [partij B] gevorderde schadevergoeding is namelijk vereist dat [partij A] in verzuim is.

Verzuim kan op verschillende manieren intreden. Op grond van artikel 6:82 lid 1 BW treedt het verzuim in wanneer de schuldenaar (hier: [partij A] ) bij schriftelijke aanmaning een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld en nakoming binnen die termijn uitblijft. Verzuim kan ook zonder ingebrekestelling intreden (zie artikel 6:83 BW). Zo treedt het verzuim bijvoorbeeld in wanneer een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen, tenzij blijkt dat de termijn een andere strekking heeft. Het verzuim kan ook zonder ingebrekestelling intreden wanneer de schuldeiser (hier: [partij B] ) uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten.

Volgens [partij B] is [partij A] in verzuim omdat zij hem hebben gevraagd om tot herstel over te gaan, maar dat [partij A] eerst betaling van zijn factuur verlangde. [partij A] is hiermee volgens [partij B] op grond van artikel 6:83 sub c BW in verzuim geraakt, namelijk vanwege een mededeling van [partij A] waaruit [partij B] mochten afleiden dat hij niet zal nakomen. [partij A] heeft dit gemotiveerd betwist, door aan te voeren dat hij heeft aangeboden om met [partij B] in gesprek te gaan, en om tot herstel over te gaan, maar dat [partij B] daar niet op hebben gereageerd dan wel dat niet hebben toegestaan.

De kantonrechter is van oordeel dat [partij A] niet in verzuim is geraakt. Dat oordeel wordt als volgt toegelicht. Volgens [partij B] heeft [partij A] aangegeven dat hij alleen (herstel)werkzaamheden wilde uitvoeren nadat zijn factuur betaald was, en is [partij A] om die reden in verzuim geraakt. De kantonrechter volgt [partij B] hierin niet. Uit de correspondentie tussen partijen blijkt dat (betaling van) de factuur inderdaad ter sprake is gekomen, maar een dusdanig weigerachtige opstelling zoals [partij B] suggereren leest de kantonrechter daarin niet terug. [partij A] heeft aangegeven tot herstel van gebreken over te willen gaan, en heeft [partij B] gevraagd wanneer hij dat zou kunnen doen. Ook heeft [partij A] voorgesteld om in gesprek te gaan. [partij A] heeft daarnaast onweersproken gesteld dat [partij B] op enig moment niet meer op zijn bericht hebben gereageerd en dat hij niet werd toegelaten om werkzaamheden te verrichten. Gelet hierop is [partij A] naar het oordeel van de kantonrechter niet in verzuim geraakt door een mededeling van hem waaruit [partij B] mochten afleiden dat [partij A] niet zou nakomen. Dat [partij A] op een andere manier in verzuim is geraakt (zie hiervoor genoemd onder punt 5.20.), is niet gesteld of gebleken.

Nu verzuim niet kan worden vastgesteld, hebben [partij B] ook geen recht op schadevergoeding. [partij A] moet eerst de gelegenheid krijgen de gebreken te herstellen. Gelet hierop wordt de primaire vordering van [partij B] afgewezen.

De vordering tot volledige en correcte nakoming van een aanneemovereenkomst

Nu de eerste (primaire) vordering van [partij B] wordt afgewezen, moet de kantonrechter de tweede (subsidiaire) vordering van [partij B] beoordelen. [partij B] hebben ten tweede gevorderd dat [partij A] wordt bevolen om de aanneemovereenkomst tussen partijen volledig en correct na te komen, zoals omschreven in de conclusie van antwoord, binnen veertien dagen na aanvang en op straffe van een dwangsom.

De kantonrechter overweegt als volgt. Zoals hiervoor is geoordeeld staan de door [partij B] gestelde gebreken vast, en staat ook als onvoldoende weersproken vast dat die gebreken aan [partij A] zijn toe te rekenen. Verder is tussen partijen niet in discussie dat [partij A] nog niet alle werkzaamheden aan het bijgebouw heeft afgerond, en heeft [partij A] in zijn conclusie van antwoord in reconventie aangegeven dat hij bereid is die werkzaamheden af te maken (weliswaar na betaling door [partij B] van zijn factuur). Dat betekent dat [partij B] van [partij A] in beginsel kunnen verlangen dat hij de gebreken herstelt en de werkzaamheden van de tussen partijen gesloten aanneemovereenkomst afmaakt.

De kantonrechter zal deze vordering toewijzen, met inachtneming van het volgende. De kantonrechter begrijpt dat het bij de werkzaamheden genoemd in punt 68 onder F en in punt 69 onder i, het herstellen van een raam en een kozijn, om hetzelfde raam en kozijn gaat. Dat geldt ook voor het ‘gat in de buitenmuur’, genoemd in punt 68 onder e en in punt 69 onder h.

Wat betreft punt 69 onder j overweegt de kantonrechter als volgt. [partij B] vorderen dat [partij A] de elektra in de hoofdwoning door een derde partij laat keuren. Niet gesteld of gebleken is wat de juridische grondslag van deze vordering is. Dit deel van de vordering is daarom niet toewijsbaar.

De termijn

[partij B] hebben gevorderd dat [partij A] de (herstel)werkzaamheden volledig en correct moet hebben uitgevoerd binnen veertien dagen na aanvang. De kantonrechter komt die termijn onredelijk kort voor, gezien de omvang van de toegewezen (herstel)werkzaamheden. Daarom zal de kantonrechter deze termijn stellen op drie weken na aanvang van de werkzaamheden.

Geen dwangsom

De door [partij B] gevorderde dwangsom wijst de kantonrechter af. Hiervoor is van belang dat [partij A] zich bereid heeft verklaard werkzaamheden te verrichten, zoals de kantonrechter hiervoor al heeft genoemd, en dat [partij B] niet hebben toegelicht waarom een dergelijke prikkel tot nakoming ondanks die toezegging van [partij A] nodig is.

Vervangende machtiging

[partij B] vorderen naast herstel een vervangende machtiging ex artikel 3:299 BW om de werkzaamheden onder punten 68 en 69 van haar eis in reconventie door een derde te laten uitvoeren tegen een bedrag van € 45.000,00. De kantonrechter zal dit deel van de vordering afwijzen. Allereerst omdat [partij B] niet hebben toegelicht waarom en op grond waarvan zij deze vordering hebben ingesteld. Verder is deze vordering te onbepaald, omdat op dit moment nog niet kan worden vastgesteld of en in hoeverre [partij A] zal tekortschieten in de herstelverplichting en de machtiging voor de volledige herstelwerkzaamheden van € 45.000,00 niet op voorhand kan worden verleend. Ook is deze vordering te onbepaald in die zin dat niet duidelijk is wie beoordeelt of [partij A] zijn herstelverplichting deugdelijk nakomt, en op basis waarvan dat beoordeeld wordt.

Tussenconclusie

[partij A] zal worden veroordeeld tot het uitvoeren van herstelwerkzaamheden en het deugdelijk nakomen van de afgesproken werkzaamheden zoals in de beslissing vermeld staat.

Diverse schadeposten

Expertisekosten

[partij B] vorderen betaling van een bedrag van € 2.420,00 aan expertisekosten. Ter onderbouwing hiervan hebben [partij B] de factuur van TOP Expertise overgelegd.

De kantonrechter overweegt als volgt. Onderzoekskosten zoals deze komen voor vergoeding in aanmerking als aan de zogeheten dubbele redelijkheidstoets is voldaan: de kosten moeten in redelijkheid zijn gemaakt, en moeten qua omvang redelijk zijn. De kantonrechter is van oordeel dat [partij B] deze kosten in redelijkheid hebben gemaakt. Zo was er sprake van kortsluiting in de meterkast en hadden [partij B] reden om aan te nemen dat bepaalde werkzaamheden van [partij A] gebrekkig waren uitgevoerd, zodat [partij B] in redelijkheid een onderzoek naar de oorzaak dan wel de omvang daarvan konden laten uitvoeren. Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat de kosten onredelijk (hoog) zijn. Dat betekent dat deze vordering zal worden toegewezen.

Vergoeding onderzoek elektrische installatie na herstel

[partij B] vorderen betaling van een bedrag van € 1.500,00 voor onderzoekskosten naar de elektrische installatie nadat er herstelwerkzaamheden zijn verricht. Deze vordering wijst de kantonrechter af, omdat [partij B] deze kosten nog niet hebben gemaakt, zodat deze vordering nog niet opeisbaar is.

Herstel riolering

[partij B] vorderen betaling van een bedrag van € 919,60 voor herstelkosten met betrekking tot de riolering. Volgens [partij B] heeft [partij A] een rioolbuis aangelegd, maar deze niet op afschot (aflopend) geplaatst. Dit is door [bedrijf 2] uit [vestigingsplaats 1] hersteld.

De kantonrechter overweegt als volgt. [partij A] heeft niet betwist dat de aanleg van de rioolbuis niet deugdelijk namens hem is verricht, en heeft geen specifiek verweer gevoerd tegen deze herstelkosten die volgens [partij B] met spoed moesten worden verricht. Partijen hebben daarover in die periode ook contact gehad en [partij A] was van plan zijn eigen loodgieter hiervoor aansprakelijk te stellen. [partij B] mochten er gelet op hun stellingen van uit gaan dat [partij A] instemde met (de kosten van) deze herstelwerkzaamheden. [partij A] heeft dit niet weersproken. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat [partij A] dit herstelwerk zelf had kunnen of willen doen. Dat betekent dat deze vordering zal worden toegewezen.

Herstel kortsluiting meterkast

[partij B] vorderen betaling van een bedrag € 1.144,53 voor herstelkosten aan de meterkast. Volgens [partij B] heeft [partij A] de aansluiting van het bijgebouw op de meterkast van de hoofdwoning niet deugdelijk uitgevoerd, waarna kortsluiting in de meterkast is ontstaan. [bedrijf 3] uit [vestigingsplaats 2] heeft op verzoek van [partij B] herstelwerkzaamheden uitgevoerd.

De kantonrechter is van oordeel dat [partij A] onvoldoende heeft weersproken dat hij de problemen met de meterkast van [partij B] heeft veroorzaakt. [partij B] hebben namelijk aangevoerd dat [bedrijf 3] de meterkast van het bijgebouw correct op de meterkast van de hoofdwoning heeft aangesloten, door het correct aanbrengen van de bedrading die door [partij A] was aangebracht. [partij A] heeft alleen maar aangevoerd dat de kortsluiting niet goed te herleiden is, en dat de problemen ook door de oude meterkast veroorzaakt kunnen zijn. Dat is gezien de onderbouwing van [partij B] een onvoldoende betwisting. Deze post kan al worden toegewezen, nu [partij B] hebben gesteld dat [partij A] heeft ingestemd met het inschakelen van [bedrijf 3] en dat [partij A] de kosten zou betalen. [partij A] heeft onvoldoende weersproken dat hij heeft ingestemd met het inschakelen van [bedrijf 3] en het vergoeden van de gemaakte kosten. Gelet daarop is dit deel van de vordering toewijsbaar.

Vergoeding kosten eten

[partij B] vorderen een bedrag van € 630,00 aan etenskosten. Hiertoe hebben [partij B] aangevoerd dat zij vanwege de kortsluiting in de meterkast geen warm water en geen elektriciteit hebben gehad. Daardoor waren zij genoodzaakt een week lang voor het gehele gezin, bestaande uit zes personen, eten af te halen of te laten bezorgen.

De kantonrechter wijst deze vordering af. [partij B] hebben deze vordering namelijk niet onderbouwd, bijvoorbeeld met bestellingen of rekeningafschriften. Daardoor is niet te controleren op basis waarvan [partij B] tot een bedrag van € 630,00 is gekomen.

Vervangen van sloten

[partij B] vorderen een bedrag van € 547,40 voor het vervangen van sloten. Ter onderbouwing hebben [partij B] de factuur overgelegd. Volgens [partij B] is [partij A] (twee keer) de sleutels kwijtgeraakt, waardoor de sloten vervangen moesten worden. Deze kosten komen volgens [partij B] voor rekening van [partij A] .

Deze vordering wijst de kantonrechter toe. [partij A] heeft niet weersproken dat hij de sleutels is kwijtgeraakt als gevolg waarvan [partij B] de sloten moesten vervangen. Ook heeft [partij A] de omvang van deze kosten niet weersproken, zodat [partij A] gehouden is deze kosten te voldoen.

Onderzoek naar lekkage

[partij B] vorderen betaling van een bedrag van € 860,31 aan onderzoekskosten voor het achterhalen van de oorzaak van een lekkage in de badkamer van het bijgebouw. Ter onderbouwing hebben [partij B] de factuur van Lekdetectiecentrale uit Den Bosch overgelegd.

De kantonrechter overweegt als volgt. Ook voor deze onderzoekskosten geldt de dubbele redelijkheidstoets. De kantonrechter is van oordeel dat [partij B] deze kosten in redelijkheid hebben gemaakt, er was immers sprake van een lekkage waarvan de oorzaak onbekend was. Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat de kosten onredelijk (hoog) zijn. Dat betekent dat deze vordering zal worden toegewezen.

Conclusie schadeposten

Gelet op het voorgaande zal [partij A] worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 5.891,84.

Buitengerechtelijke incassokosten

[partij B] maken aanspraak op betaling van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat de eisende partij voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Gezien de gedeeltelijke afwijzing van de vordering van [partij B] is het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal een bedrag van € 669,58 toewijzen, overeenkomstig het toegewezen bedrag van de vordering van [partij B] Omdat niet gesteld of gebleken is dat [partij B] deze kosten al hebben gemaakt, zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de datum van dit vonnis.

De proceskosten

Omdat [partij A] ongelijk krijgt, moet hij de proceskosten van [partij B] betalen. Die kosten begroot de kantonrechter op een bedrag van € 450,00 aan kosten voor de gemachtigde van [partij B] (2,5 punt x tarief € 360,00, maal 0,5). De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6. De beslissing

De kantonrechter

In conventie

wijst de vorderingen van [partij A] af,

veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 1.008,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [partij A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

In reconventie

veroordeelt [partij A] tot betaling aan [partij B] van een bedrag van € 5.891,84,

veroordeelt [partij A] tot volledige en correcte nakoming van de aanneemovereenkomst en beveelt [partij A] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot uitvoering van de (herstel)werkzaamheden genoemd onder de punten 68 en 69 van de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie en deze (herstel)werkzaamheden af te ronden binnen 3 weken daarna, met inachtneming van rechtsoverwegingen 5.27. en 5.28. van dit vonnis,

veroordeelt [partij A] tot betaling aan [partij B] van een bedrag van € 669,58 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis,

veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 450,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

veroordeelt [partij A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

wijst het meer of anders gevorderde af,

In conventie en in reconventie

verklaart dit vonnis – met uitzondering van hetgeen is beslist onder 6.1. en 6.9. – uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026. (wv)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?