ECLI:NL:RBOVE:2026:1245

ECLI:NL:RBOVE:2026:1245

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 03-03-2026
Datum publicatie 09-03-2026
Zaaknummer 11347739 \ CV EXPL 24-3701
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Partijen hebben een samenwerkingsovereenkomst gesloten voor het beheer van een vakantiepark op Bonaire . Het recht van Bonaire is op de overeenkomst van toepassing. De kantonrechter kwalificeert deze samenwerkingsovereenkomst als een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van het salaris van de maand maart 2024 toe, omdat de werkgeefster dit salaris ten onrechte heeft ingehouden. De vordering tot betaling van overuren wordt afgewezen. De vorderingen in reconventie van werkgeefster wijst de kantonrechter af, omdat niet is komen vast te staan dat de werknemers contante gelden hebben weggenomen uit de kas van werkgeefster.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 11347739 \ CV EXPL 24-3701

Vonnis van 3 maart 2026

in de zaak van

1. [partij A1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,hierna te noemen: [partij A1] ,2. [partij A2],

wonende te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen: [partij A2] ,

eisende partijen in conventie, verwerende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: [partij A] ,

gemachtigde: mr. A.A.J. Immink,

tegen

1. [partij B1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: [partij B1] ,2. [partij B2],

wonende te [woonplaats 3] ,

hierna te noemen: [partij B2]3. [partij B3],

wonende te [woonplaats 4] ,

hierna te noemen: [partij B3] ,

gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: [partij B] ,

procederend in persoon.

Gedaagde sub 2 en 3 worden hierna gezamenlijk [partij B2 en B3] genoemd.

1. De zaak in het kort

Partijen hebben een samenwerkingsovereenkomst gesloten voor het beheer van een vakantiepark op Bonaire . Het recht van Bonaire is op de overeenkomst van toepassing. De kantonrechter kwalificeert deze samenwerkingsovereenkomst als een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van het salaris van de maand maart 2024 toe, omdat de werkgeefster dit salaris ten onrechte heeft ingehouden. De vordering tot betaling van overuren wordt afgewezen. De vorderingen in reconventie van werkgeefster wijst de kantonrechter af, omdat niet is komen vast te staan dat de werknemers contante gelden hebben weggenomen uit de kas van werkgeefster.

2. De procedure

Op 22 juli 2025 heeft de kantonrechter een tussenvonnis gewezen. Daarna hebben [partij A] op 16 september 2025 een akte genomen. Op 4 november 2025 heeft [partij B1] een antwoordakte ingediend met producties 1 tot en met 5. [partij A] zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om op de ingebrachte producties van [partij B1] te reageren. Dat hebben zij gedaan bij akte van 4 december 2025. Voor zover [partij A] zijn ingegaan op meer geschilpunten dan alleen de producties van [partij B1] , laat de kantonrechter deze stellingen gelet op het beginsel van hoor- en wederhoor buiten beschouwing.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De verdere beoordeling

De rechtbank verwijst naar en handhaaft hetgeen bij tussenvonnis van 22 juli 2025 in conventie is overwogen. Bij dat tussenvonnis zijn partijen in de gelegenheid gesteld om zich (kort gezegd) uit te laten over de vraag of er sprake is van een arbeidsrelatie tussen [partij B1] en [partij A] , meer in het specifiek over het looncomponent en het gezagselement, alsmede over de vraag of [partij A] gelet op het minimumloon bevrijdend zijn betaald, en zo niet, welke beloning zij in dat geval nog behoren te krijgen van [partij B1] .

[partij B1] heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat de kantonrechter moet terugkomen op haar bindende eindbeslissingen in het tussenvonnis van 22 juli 2025 ten aanzien van de vordering in reconventie, omdat er volgens haar is uitgegaan van onjuiste feiten, althans de bewijslastverdeling onjuist is toegepast en daardoor tot een onjuist oordeel is gekomen. [partij B1] verzoekt de kantonrechter de beslissingen te heroverwegen en herstellen. De kantonrechter zal eerst ingaan op dat verzoek. Daarna zal de kantonrechter een oordeel geven over de kwalificatie van de overeenkomst en over de vraag of er (al dan niet) bevrijdend is betaald door [partij B1] .

Verzoek terugkomen op bindende eindbeslissing in reconventie

De beslissing over de vordering in reconventie waarvan [partij B1] herstel verzoekt, is een bindende eindbeslissing. Dat is een inhoudelijke beslissing waarvoor een herstelbeslissing ex artikel 31 rv zich niet leent. Voor zover [partij B1] met haar stelling dat de kantonrechter het tussenvonnis dient te herstellen bedoelt dat de kantonrechter moet terugkomen op een bindende eindbeslissing, geldt het volgende. Op grond van vaste jurisprudentie kan een rechter terugkomen op een bindende eindbeslissing als deze beslissing berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. [partij B1] heeft daartoe gesteld dat er sprake is van een onjuiste feitelijke grondslag omdat de kantonrechter zou hebben geoordeeld dat [partij B1] in het Google drive bestand de zinssnede “voorschot opgenomen” zou hebben genoteerd, terwijl dit in werkelijkheid [partij A] waren. Uit het tussenvonnis blijkt echter dat de kantonrechter heeft vastgesteld dat niet [partij B1] , maar [partij A] de die tekst in het Google drive bestand hebben genoteerd, zo blijkt uit rechtsoverweging 2.6 en rechtsoverweging 5.2. Dat het vonnis van de kantonrechter berust op een onjuiste feitelijke grondslag, is daarom onjuist.

Verder stelt [partij B1] dat het vonnis van de kantonrechter berust op een onjuiste juridische grondslag, omdat de kantonrechter een onjuiste bewijslastverdeling heeft gehanteerd. Ook daarin volgt de kantonrechter [partij B1] niet. De stelplicht en de bewijslast voor de stelling dat [partij A] geld hebben gestolen uit de kas, rust op [partij B1] . Met inachtneming van die stelplicht heeft de kantonrechter in het tussenvonnis geoordeeld dat gelet op de gemotiveerde betwisting door [partij A] , in deze civiele procedure op basis van de stellingen van partijen niet kan worden vastgesteld dat [partij A] het contante geld daadwerkelijk hebben weggenomen. Ook kan niet worden aangenomen dat er sprake is van de vereiste opzet of bewuste roekeloosheid door [partij A] in de zin van artikel 7A:1615da lid 1 BW BES. Ook nu heeft [partij B1] geen feiten aangevoerd die tot een ander oordeel moeten leiden. Er is bijvoorbeeld ook geen verklaring van Menno overgelegd of een concrete toelichting gegeven op waar het geld normaal gesproken wordt bewaard. Van een onjuiste juridische grondslag is daarom ook geen sprake. De kantonrechter zal daarom niet terugkomen op de bindende eindbeslissing zoals opgenomen in het tussenvonnis van 22 juli 2025.

Verdere beoordeling in conventie

Partijen hebben een samenwerkingsovereenkomst gesloten waarbij [partij A] het beheer zouden voeren over de bed and breakfast van [partij B1] . De kantonrechter heeft partijen de gelegenheid gegeven zich uit te laten over de kwalificatie van de verhouding tussen partijen op basis van deze samenwerkingsovereenkomst en de inhoud van de afspraken ten aanzien van het loon en de arbeidsomvang en beloning.

Kwalificatie van de overeenkomst

De eerste vraag waarover partijen zich mochten uitlaten, is of de samenwerking tussen partijen dient te worden gekwalificeerd als een arbeidsrelatie. Beide partijen gaan uit van de elementen van een arbeidsrelatie. De kantonrechter volgt partijen in hun stellingen dat sprake is van arbeid, loon (gedeeltelijk in natura) en een gezagsverhouding gedurende zekere tijd. Dit betekent dat de samenwerking tussen partijen zoals neergelegd in de samenwerkingsovereenkomst feitelijk kwalificeert als een arbeidsovereenkomst, met [partij B1] als werkgeefster en [partij A] als werknemers. Dat [partij B1] in de samenwerkingsovereenkomst heeft opgenomen dat alleen een arbeidsovereenkomst met [partij A2] zou worden aangegaan, is niet genoeg om te oordelen dat alleen met [partij A2] een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. De samenwerkingsovereenkomst met [partij A1] en [partij A2] kwalificeert als een arbeidsovereenkomst met beide partijen. Op voorhand stond voor partijen immers al vast dat [partij A1] en [partij A2] de werkzaamheden beiden zouden uitvoeren.

Omvang van het dienstverband

De volgende vraag die de kantonrechter dient te beantwoorden, is - kort gezegd - wat de rechtsgevolgen zijn van de kwalificatie zoals genoemd in rechtsoverweging 3.6. Daarvoor is allereerst van belang om te bepalen wat de omvang van het dienstverband van [partij A] is.

[partij A] hebben gesteld dat in de samenwerkingsovereenkomst weliswaar een arbeidsomvang van 32 uur in totaal (16 uur per persoon) is opgenomen, maar dat zowel [partij A1] als [partij A2] in de praktijk 32 uur per week arbeid hebben verricht, waardoor zij recht hebben op betaling van deze gewerkte uren.

[partij B1] betwist dat [partij A] in totaal 64 uur (32 uur per week per persoon) arbeid per week hebben verricht. Zij voert aan dat voor het verrichten van de werkzaamheden 32 uur per week overeengekomen is. [partij B2] en [partij B3] hebben in het verleden zelf ook als beheerders opgetreden en hadden destijds ook 32 uur per week in totaal nodig voor het verrichten van de werkzaamheden. Daarnaast verrichtte de opvolgster van [partij A] de werkzaamheden ook in 32 uur per week aldus [partij B1] . Om de administratie te vereenvoudigen en omdat niet duidelijk was wie welke werkzaamheden zou gaan uitvoeren, is voor deze arbeidsomvang alleen [partij A1] op de loonlijst van [partij B1] opgenomen.

De kantonrechter overweegt als volgt. Bij het aangaan van de samenwerkingsovereenkomst (die nu is gekwalificeerd als arbeidsovereenkomst) zijn partijen een arbeidsomvang van 32 uur per week overeengekomen. Gelet op de kwalificatie als arbeidsovereenkomst, komt dat neer op 16 uur per persoon per week. Hoewel in de samenwerkingsovereenkomst een overzicht staat van te verrichten werkzaamheden van in totaal 36 uur, blijkt uit de uitvoering van de overeenkomst, de processtukken en de verklaringen van partijen dat zij bij aanvang de bedoeling hebben gehad om een arbeidsomvang van 32 uur per week overeen te komen. In aanvulling daarop werd voor het ontbijt en diner een aparte vergoeding betaald aan [partij A] waarvoor ook uren zijn opgenomen in de samenwerkingsovereenkomst. De kantonrechter gaat gelet op de stellingen van partijen uit van een arbeidsomvang van 16 uur per persoon per week (32 uur gezamenlijk in de samenwerkingsovereenkomst) bij aanvang van de samenwerking.

Beoordeling loonvordering

De vraag die de kantonrechter vervolgens dient te beantwoorden, is of [partij B1] voldoende loon heeft betaald en, zo niet, welke beloning [partij A] in dat geval nog behoren te krijgen uitgaande van de 16 uur per persoon (32 uur voor [partij A] samen in de samenwerkingsovereenkomst) per week zoals in het bovenstaande is overwogen. Partijen mochten zich uitlaten over het betaalde loon en het geldende minimumloon.

Tussen partijen staat vast dat het minimumsalaris in 2023 bij een volledig dienstverband $ 1.236,00 bedroeg. Voor een arbeidsomvang van in totaal 32 uur per week komt dat neer op $ 988,80 bruto per maand zoals ook tussen partijen vaststaat. [partij B1] heeft aan [partij A2] een salaris overgemaakt van $ 750,00 per maand exclusief emolumenten. Daarnaast hebben [partij A] loon in natura ontvangen in de vorm van kosteloze bewoning van de gemeubileerde woning van [partij B1] , kosteloze gebruikmaking van gas, water, elektra, internet, tv en gebruiksmiddelen en gebruik van de auto en telefoon van [partij B1] . Volgens de samenwerkingsovereenkomst vertegenwoordigt alleen de kosteloze bewoning inclusief gas/water/licht en de gebruiksmiddelen een waarde van minimaal $ 1.200,00. In hun aktes na het tussenvonnis gaan partijen voor de hoogte van dit loon in natura uit van de fiscale waardering van dit bedrag van $ 450,00. Nu de waarde van dit loon in natura tussen partijen vaststaat, neemt de kantonrechter dit bedrag ook als uitgangspunt. Dat betekent dat [partij A] een bruto maandloon hebben ontvangen van minimaal $ 1.200,00 per maand

($ 750,00 aan salaris + $ 450,00). Per persoon komt dat neer op $ 600,00 voor 16 uur. Uitgaande van 16 respectievelijk 32 werkuren is dit meer dan het minimumloon. Niet gesteld of gebleken is dat [partij A] ten opzichte van het wettelijk minimumloon voor de gewerkte uren te weinig betaald hebben gekregen. Daarnaast hebben [partij A] een geldelijke beloning ontvangen van $ 13,00 per maaltijd (ontbijt en diner) en een bonus van $ 10,00 voor elke review met een beoordeling van 9 of hoger en mochten zij kosteloos gebruik maken van de voertuigen van [partij B1] . De bonussen per verkochte maaltijd en positieve reviews zijn variabel en komen bovenop het afgesproken salaris. Deze bedragen worden daarom niet meegenomen bij de beoordeling van de omvang van het salaris.

Vergoeding overuren?

[partij A] vorderen in deze procedure betaling van meer uren dan de overeengekomen 16 uur per persoon (32 uur in de samenwerkingsovereenkomst). De stelplicht en bewijslast ten aanzien van die stelling rusten ingevolge artikel 150 Rv op [partij A] , nu zij stellen dat zij meer uren hebben gewerkt dan contractueel overeengekomen en betaling vorderen van loon over die extra uren. De kantonrechter is van oordeel dat [partij A] in het licht van de gemotiveerde betwisting van [partij B1] onvoldoende hebben gesteld om aan te nemen dat zij feitelijk 30 of 32 uur per persoon per week hebben gewerkt en dat er sprake is geweest van 14 of 16 overuren per persoon ten opzichte van de afgesproken 16 uur per persoon. Op [partij B1] als werkgeefster rust weliswaar een verplichting om een deugdelijke urenadministratie bij te houden, maar het is in deze procedure in eerste instantie aan [partij A] om ter onderbouwing van hun vordering concreet te stellen in welke periode zij structureel meer hebben gewerkt, hoeveel uur dat precies was, waaruit dat blijkt (bijvoorbeeld door roosters, e-mails, Whatsappgesprekken en/of verklaringen) en dat [partij B1] als werkgeefster heeft geaccepteerd dat [partij A] structureel meer uren werkten dan overeengekomen, bijvoorbeeld omdat [partij A] dat meerdere keren hebben gemeld en [partij B1] daar niks mee heeft gedaan Dat hebben [partij A] niet gedaan. Toen [partij A] in oktober 2023 mailden dat zij naar hun idee meer uren werkten dan de afgesproken 32 uur, heeft [partij B1] dat in een e-mail weersproken en toegelicht dat het werk in de overeengekomen 32 uur kon worden verricht. [partij A] hebben vervolgens gemaild dat zij tot aan het einde van de overeenkomst in maart 2024 hun werk op dezelfde voet zouden voortzetten. De enkele stelling in deze procedure dat zij gedurende hun hele werkzame periode wekelijks “circa 30 uur per persoon” hebben gewerkt, is zonder nadere concretisering en onderbouwing, onvoldoende om vast te stellen dat [partij A] meer hebben gewerkt dan de overeengekomen 32 uur (16 uur per persoon). De vordering tot betaling van overuren zal daarom worden afgewezen.

Bevrijdende betaling aan [partij A1]

Gelet op het voorgaande hadden [partij A] ieder recht op een salaris van $ 600,00 ($ 375 aan loon en $ 225,00 aan loon in natura) voor 16 uur. Dit is het gevolg van de kwalificatie van de samenwerkingsovereenkomst als arbeidsovereenkomst. Het loon in natura is ten goede gekomen aan zowel [partij A1] als [partij A2] . Door de eerder gemaakte afspraken tussen partijen, heeft [partij B1] echter het salaris van $ 750,00 geheel aan [partij A2] overgemaakt. Dat betekent dat tussen [partij A1] en [partij A2] een onderlinge vordering tot verdeling is ontstaan. Dit roept de vraag op of [partij B1] bevrijdend aan [partij A] heeft betaald voor de gewerkte uren of dat in deze procedure nog een nadere verrekening moet plaatsvinden.

[partij A] stellen dat [partij B1] nog salaris moet betalen aan [partij A1] , omdat het loon alleen aan [partij A2] is betaald. Zij gaan er daarbij van uit dat [partij A1] en [partij A2] allebei 32 uur hebben gewerkt, maar dat is in deze procedure niet komen vast te staan. De kantonrechter begrijpt de vordering van [partij A] zo dat zij alleen aanvullende betaling vorderen en dat zij geen verrekening willen van de eerder betaalde bedragen. De kantonrechter leidt hieruit af dat tussen partijen vaststaat dat [partij B1] voor de vastgestelde 32 gewerkte uren (16 uur per persoon) op basis van de eerder gemaakte afspraken bevrijdend heeft betaald en dat tussen [partij A1] en [partij A2] een onderlinge vordering tot verdeling is ontstaan waarover in deze procedure niet hoeft te worden beslist. [partij A] hebben namelijk niet de wens geuit dat de kantonrechter een beslissing tot verrekening neemt ten aanzien van de betaalde salarissen voor de gewerkte 32 uren (16 uur per persoon).

Het achterstallige salaris

[partij A] stellen tot slot dat [partij B1] het salaris van de maand maart 2024 niet heeft betaald. [partij B1] erkent dit, maar heeft daartoe aangevoerd dat zij dit salaris niet heeft betaald omdat [partij A] bij hun vertrek op 22 maart 2024 contante gelden uit de kas hebben weggenomen. De kantonrechter overweegt daarover als volgt.

Uit randnummer 5.2 tot en met 5.4 van het tussenvonnis volgt dat niet is komen vast te staan dat werknemers contante gelden uit de kas hebben ontnomen. Of en onder welke omstandigheden [partij B1] als werkgeefster bevoegd was de salarisbetaling op te schorten dan wel te verrekenen, kan daarom in het midden blijven. In de gegeven omstandigheden ontbrak in ieder geval een toereikende grondslag voor inhouding van het salaris. [partij B1] zal daarom het resterende salaris over maart 2024 van $ 750,00 bruto alsnog aan [partij A] moeten voldoen. De vordering van [partij A] tot betaling van dit bedrag zal daarom worden toegewezen. Omdat [partij B1] te laat is met de betaling van het salaris van [partij A] , dient zij op grond van artikel 7A:1614q BW BES ook de maximale wettelijke verhoging van $ 375,00 (50% van het verschuldigde loon) te betalen. Daarom zal de kantonrechter [partij B1] veroordelen tot betaling van een bedrag van in totaal $ 1.125,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de verschuldigdheid van het loon. De gevorderde rente over de wettelijke verhoging wordt toegewezen met ingang van de datum van de dagvaarding. Nu is komen vast te staan dat [partij B1] feitelijk met [partij A1] en [partij A2] een arbeidsrelatie had, moet [partij B1] aan [partij A1] en [partij A2] ieder de helft van dit bedrag betalen. Dat betekent dat [partij B1] voor de maand maart een bedrag van $ 375,00 aan [partij A1] en een bedrag van $ 375,00 aan [partij A2] moet betalen. Ook moet [partij B1] aan zowel [partij A1] als [partij A2] een bedrag van $ 187,50 aan wettelijke verhoging betalen.

Proceskosten in conventie

[partij B1] is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

138,79

- griffierecht

732,00

- salaris gemachtigde

360,00

(2,5 punten × € 144,00)

- nakosten

72,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.302,79

in reconventie

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 22 juli 2025 geoordeeld dat [partij B1] , gelet op de wisselende verklaringen en de gemotiveerde betwisting door [partij A] , onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat [partij A] contante gelden uit de kas hebben weggenomen. De kantonrechter zal de vorderingen in reconventie van [partij B1] daarom afwijzen.

Proceskosten in reconventie

[partij B1] is in reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in reconventie betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op € 253,00 (2 punten × factor 0,5 × € 253,00).

4. De beslissing

De kantonrechter

in conventie

verklaart [partij A] niet-ontvankelijk in hun vordering ten opzichte van [partij B2] en [partij B3] ,

veroordeelt [partij B1] om aan [partij A1] en [partij A2] ieder $ 375,00 bruto wegens achterstallig salaris van de maand maart 2024 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2024 en vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging van $ 187,50 per persoon, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de datum van de dagvaarding tot en met de dag van algehele voldoening,

veroordeelt [partij B1] in de proceskosten van € 1.302,79, te betalen aan [partij A] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

verklaart [partij B2] en [partij B3] niet ontvankelijk in hun vordering,

wijst de vorderingen van [partij B1] af,

veroordeelt [partij B1] in de proceskosten van € 253,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in conventie en in reconventie

veroordeelt [partij B1] tot betaling van de kosten van betekening als [partij B1] niet tijdig aan de proceskostenveroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.

EA

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?