RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11886180 \ CV EXPL 25-2766
Vonnis van 3 maart 2026
in de zaak van
1. [eiser 1] ,
uit [woonplaats 1] ,2. [eiser 2],
uit [woonplaats 2] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: mr. H. Stroeve,
tegen
[gedaagde] ,
uit [woonplaats 3] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De kern van de zaak
[eisers] hebben een schip van [gedaagde] gekocht. De discussie tussen partijen draait in de kern om de vraag welke zaken bij de overdacht op het schip hadden moeten achterblijven. De kantonrechter legt de afspraken tussen partijen uit en komt tot de conclusie dat [gedaagde] niet gehouden is de door [eisers] gevorderde onderdelen na te leveren. Zij wijst de vorderingen van [eisers] af en legt hierna uit waarom.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van 8 september 2025;
- de conclusie van antwoord met producties;
- de mondelinge behandeling van 26 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt die in het dossier worden bewaard;
- de op de mondelinge behandeling overgelegde en voorgedragen spreekaantekeningen van mr. Stroeve en van [gedaagde] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De feiten
[gedaagde] was eigenaar van de [schip] kajuitzeiljacht van het merk J/Boats (hierna: het schip).
Op 22 september 2024 hebben [eisers] het schip bezichtigd in het kader van een mogelijke koop.
Partijen hebben verschillende keren per e-mail met elkaar gecorrespondeerd over de koop.
Op 26 maart 2025 hebben partijen een koopovereenkomst gesloten op grond waarvan [eisers] het schip van [gedaagde] hebben gekocht.
In artikel 2.1. van de koopovereenkomst staat:
“Het Schip wordt compleet met bescheiden en toebehoren (onder meer omschreven in de als bijlage 1 bij deze overeenkomst gehechte inventarislijst) en vaarklaar aan Kopers geleverd.”
In artikel 4 van de koopovereenkomst staat:
“4.1. Kopers hebben het Schip bezocht op 22 september 2024. Het Schip verkeerde in uitstekende en onbeschadigde staat. Mocht daar gelegenheid toe zijn, dan zullen Kopers het Schip nogmaals inspecteren als het op de kant staat.
Verkoper garandeert aan Kopers dat het schip geen gebreken heeft, die aan een normaal gebruik daarvan in de weg staan.
Levering geschiedt en Kopers aanvaarden het Schip in de toestand waarin het zich ten tijde van de bezichtiging(en) uit het eerste lid bevond. Eventuele beschadigingen ten gevolge van het voortgezet gebruik door Verkoper tot het moment van levering zijn voor risico van Verkoper en zullen in het voorkomende geval aanleiding geven voor nader overleg tussen Partijen.
Tot het moment van Levering zal verkoper normaal en gebruikelijk
onderhoud aan het Schip (laten) plegen en het Schip behandelen als een goed huisvader.”
In bijlage 1 bij de koopovereenkomst (hierna: bijlage 1) staat:
“Grootzeilen:
Grootzeil 2019, 1 x rif
Grootzeil medium/heavy, zwart, em2 laminates, 2022, 2 x rif
Voorzeilen:
Fok light 2019
Fok medium 2021
Fok medium/heavy 2024
Gennakers:
A5 - 2019 Blauw
A1 - 2019 Wit
A2 – 2023 Oranje
Dak / romp / mast:
Hempel race antifouling 2024
Bokken (4x) etc voor gennaker zeilen
Buiskap 2022
Kuiptafel (teak)
4 lierhandles
1 anker met loodlijn en ketting
Elektrische en handmatige lenspomp
Hoezen (fok, grootzeil, stuurwiel en stuurstand) 2022
Maststoel
2 x lifeline gangboord
Ankerlicht en 3-kleuren toplicht
Carbon mast (wit gespoten)
4 x kussen voor in de kuip
1 x Campinggaz fles
Schoten en vallen :
Vallen: Genua, grootzeil en gennaker (2x) 2023 (racing dyneema)
2 x schoot fok (2025)
2 x schoot gennaker
1 x tackline
4 x landvasten
4 x fender + 1 x bal
1 x walstroomkabel (20 meter)
Motor:
Volvo Penta D2-40, 670 motoruren
Instrumenten:
B&G 12” plotter
B&G VHF + handheld
JVC Audio (binnen zichtbare luidsprekers, buiten onzichtbaar)
B&G stuurautomaat NAC3
B&G Wind vaan
Airmar transducer (diepte, temperatuur, log)
B&G display triton op garage + beugel op mast
B&G display triton bij nav station
B&G 9” zeus Z3 plotter buiten
B&G stuurautomaat toetsenbord (2x)
Camino AIS (MMSI moet worden gewijzigd door de nieuwe eigenaar)
Binnenzijde:
Boiler 19L 2024
Webasto kachel (4 uitgangen)
3 x AGM 150A victron 2021 (10 uur capaciteit in 2024= > goede vorm)
Diodebrug Victron 2024 (2 groepen / 120A)
Elektrisch toilet
traagschuim/memory foam matrasses incl waterafstotende hoezen
Elektrische gasafsluiter (knop in de keuken)
LED-verlichting (rood in de keuken)
230V in keuken en toilet
Koelkast 2023 (koelmachine en verdamper)
Algeheel:
Blauw geschilderd in Kappeln in 2011
Uitstekende staat!!
BTW BETAALD
Alle papieren (BTW-papieren, CE-document, gebruikershandleiding enz.) inbegrepen
Alle handleidingen inbegrepen.”
Per e-mail van 11 juni 2025 heeft [gedaagde] aan [eisers] bericht:
“Heren,
lk laat extra achter (bij uw akkoord) dan op de lijst staat:
- Ankerbol
- Kegel (varen op zeil en motor)
- Verf van de romp (voor bijtippen plekjes)
- Zonnetent voor over de giek
- Extra huik
- 6 fenders+bal
- 5 lierhendels (2 x snelklik)
- Extra lijnen tbv buitenschoot genua en downfuckers genaker
- Zak in voorluik voor gennakerdrop (voor een droog bed)
- Ankerrol op hekwerk achter
- Houder voor buitenboordmotor
- Reparatiedoek (oranje) gennaker
- Reparatiedoek (plak) zwarte zeilen
- Vlag en vlaggestok
Groet,
Gerwin.”
Op 4 juli 2025 zijn [eisers] en [gedaagde] gezamenlijk met het schip gevaren en na afloop daarvan is het schip aan [eisers] overgedragen.
Op 14 juli 2025 hebben [eisers] een e-mail aan [gedaagde] gestuurd waarin zij aangeven een aantal onderdelen van het schip te missen.
4. Het geschil
[eisers] vorderen – samengevat en onder uitvoerbaarheid bij voorraad verklaring – dat de kantonrechter:
I. [gedaagde] veroordeelt om openheid van zaken te geven over de door hem na 22 september 2024 van het schip verwijderde zaken;
II. [gedaagde] veroordeelt tot (na)levering van de zaken als genoemd in punt 26 van de dagvaarding, althans de daadwerkelijk verwijderde zaken, binnen twee weken na betekening van het vonnis;
III. indien [gedaagde] weigert of niet (meer) in staat is om geheel of ten dele aan de veroordeling onder sub II te voldoen, [gedaagde] veroordeelt de waarde van de niet geretourneerde zaken te vergoeden overeenkomstig de vervangingswaarden van punt 26 van de dagvaarding ter hoogte van maximaal € 5.383,55;
IV. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
Aan de vorderingen leggen zij ten grondslag dat [gedaagde] gehouden is zijn afspraken uit de koopovereenkomst na te komen.
[gedaagde] betwist dat hij tekortgeschoten is en hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] Verder vordert [gedaagde] veroordeling van [eisers] in de proceskosten.
Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover dat nodig is voor de beslissing van de kantonrechter, nader ingegaan.
5. De beoordeling
De vordering tot nalevering van diverse onderdelen van het schip
Partijen twisten over de vraag welke onderdelen van het schip op grond van de tussen partijen gemaakte afspraken bij de overdacht op het schip hadden moeten (achter)blijven. [eisers] stellen zich op het standpunt dat partijen zijn overeengekomen dat het schip in de toestand van 22 september 2024 zou worden verkocht, en dus met de onderdelen die op dat moment aanwezig waren, met uitzondering van persoonlijke eigendommen (zoals de eigen reddingsmiddelen), het gereedschap en de kombuisinventaris. De zaken genoemd in randnummer 26 van de dagvaarding hadden dus meegeleverd moeten worden, aldus [eisers] [gedaagde] voert daarentegen aan dat het schip vaarklaar zou worden overgedragen met de in bijlage 1 vermelde onderdelen en de later, bij e-mail van 11 juni 2025, genoemde onderdelen. Partijen leggen de tussen hun gemaakte afspraken dus verschillend uit. Dat betekent dat deze moeten worden uitgelegd.
Het beoordelingskader
De uitleg van een schriftelijke overeenkomst vindt plaats aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Deze maatstaf komt er – kort gezegd – op neer dat bij de uitleg niet alleen de tekst van belang is, maar het ook aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bewoordingen van de overeenkomst mochten toekennen en wat zij daarover redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle feiten en omstandigheden van het geval van belang, zoals de verklaringen en gedragingen van partijen over en weer en wat zij daaruit redelijkerwijs mochten afleiden.
Daarnaast speelt bij de uitleg ook een rol hoe partijen na het sluiten van de overeenkomst feitelijk hebben gehandeld.
De uitleg van de overeenkomst
Uit artikel 4.1 van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst volgt dat [eisers] op 22 september 2024 het schip hebben bezocht en uit artikel 4.3 dat de levering geschiedt – en dat [eisers] het schip aanvaarden – in de toestand waarin het zich ten tijde van de bezichtiging uit het eerste lid bevond. Uit artikel 2 van de koopovereenkomst volgt dat het schip compleet met toebehoren (onder meer omschreven in de als bijlage 1 bij deze overeenkomst gehechte inventarislijst) en vaarklaar aan [eisers] wordt geleverd. Met een beroep op deze artikelen voeren [eisers] aan dat het schip in de toestand waarin het zich op 22 september 2024 bevond – met uitzondering van persoonlijke eigendommen (zoals de eigen reddingsmiddelen), het gereedschap en de kombuisinventaris – zou moeten worden geleverd en dat meer dan alleen de onderdelen genoemd in bijlage 1 op het schip zouden moeten achterblijven.
De kantonrechter overweegt als volgt. Weliswaar staat in artikel 4 dat het schip moet worden geleverd in de toestand waarin het zich ten tijde van de bezichtiging van 22 september 2024 bevond, maar het begrip ‘toestand’ moet worden gelezen in het licht van het gehele artikel 4. Uit de overige artikelleden volgt dat ‘toestand’ doelt op de constructieve staat van het schip en mogelijke beschadigingen en gebreken. Er zijn ook verder geen aanknopingspunten aangevoerd, waaruit volgt dat het begrip ‘toestand’ in artikel 4 ziet op de onderdelen die wel of niet zouden worden geleverd.
Dat is mogelijk anders voor artikel 2. De woorden ‘onder meer’ zouden erop kunnen duiden dat partijen zijn overeengekomen dat meer dan alleen de onderdelen genoemd in bijlage 1 op het schip zouden achterblijven. Maar zoals uit de Haviltex-maatstaf volgt, is bij de uitleg van een overeenkomst niet alleen de tekst beslissend, maar is ook de context van belang. In dat kader acht de kantonrechter allereerst de e-mailwisseling tussen partijen voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst relevant. Per e-mail van 4 maart 2025 hebben [eisers] een concept koopovereenkomst aan [gedaagde] gestuurd met twee bijlagen. [eisers] schrijven:
‘Bijlage 2 betreft de zaken die jij als persoonlijke uitrusting beschouwt en van plan bent mee te nemen naar je volgende schip.’
Op 5 maart 2025 antwoordt [gedaagde] :
‘Een lijst met wat ik meeneem naar de volgende boot is niet zo handig. Dat is een hele lange lijst omdat er altijd meer aan boord zit dan je verwacht. Mijn voorstel is om de lijst zoals in bijlage 2 staat te hanteren als over te dragen zaken naast de boot zelf.’
Op 6 maart 2025 reageren [eisers] daarop met: ‘akkoord’.
Vervolgens stuurt [gedaagde] op 17 maart 2025 een e-mail met als bijlage ‘de complete lijst met alles wat er aan boord achterblijft (bij de verkoop hoort) op het moment van de overdracht.’ Hij vervolgt: ‘Een puts, een dekwasborstel of een zaklamp zijn persoonlijke items en gaan mee. Een lifeline, kussens etc. horen bij de boot en blijven achter. In onze optiek is de lijst nu compleet en goed af te vinken bij de overdracht.’ [gedaagde] eindigt de e-mail met de vraag: ‘Willen jullie laten weten of dit zo past bij jullie beeld van een inventarislijst?’. [eisers] hebben hier niet meer op gereageerd. Wel is de bijlage die [gedaagde] op 17 maart per e-mail had toegestuurd uiteindelijk opgenomen in de koopovereenkomst. Door op 6 maart 2025 akkoord te gaan met het voorstel van [gedaagde] voor het hanteren van een lijst met wat er aan boord van het schip zou achterblijven en vervolgens niet meer te reageren op de e-mail en meegezonden inventarislijst van 17 maart 2025, hebben [eisers] bij [gedaagde] de verwachting gewekt dat alleen wat in die lijst genoemd stond op het schip zou achterblijven.
Ook aan de gedragingen van [eisers] na het sluiten van de koopovereenkomst mocht [gedaagde] redelijkerwijs afleiden dat alleen de zaken die expliciet benoemd waren in de lijst op het schip zouden achterblijven. Zo schrijft [gedaagde] in een e-mail van 12 mei 2025 aan [eisers] : ‘We kunnen de vrijdagavond 4 juli varen en dan is dat ook het moment van overdracht? Dan zorg ik dat ze leeg (conform inventarislijst) en schoon is.’ Een antwoord van [eisers] blijft uit. Op de e-mail van [gedaagde] van 11 juni 2025, waarin hij meldt nog een aantal zaken extra dan op de lijst staan achter te laten, volgt ook geen antwoord van [eisers] . Volgens [eisers] gaf dit bericht geen aanleiding om vragen te stellen, juist omdat zij in de veronderstelling verkeerde een compleet schip te hebben gekocht. Maar dit standpunt strookt niet met de stelling dat zij tijdens het verkoopproces [gedaagde] herhaaldelijk om een lijst hadden gevraagd over de zaken die [gedaagde] zou meenemen. Het bericht van 11 juni 2025 had daar door de bewoordingen “extra” “naast die op de lijst” had daar nogmaals aanleiding toe moeten geven. Ten slotte staat vast dat [gedaagde] tijdens het proefvaren op 4 juli 2025 op de opmerking van [eisers] dat het infucker-systeem van boord is gehaald, reageert met de mededeling dat deze weliswaar niet op de lijst stond, maar dat hij belooft deze na te zullen sturen. [gedaagde] blijft zich dus ook na de koopovereenkomst structureel tegenover [eisers] op de lijst beroepen, zonder dat [eisers] daar bij [gedaagde] expliciet bezwaar tegen maken. Pas in 14 juli 2024 hebben [eisers] bij [gedaagde] aangegeven dat er meer had moeten achterblijven op het schip. [eisers] hebben [gedaagde] daarmee ook na het sluiten van de koopovereenkomst in de veronderstelling laten verkeren dat de lijst van bijlage 1, aangevuld met de e-mail van 11 juni 2025, bepalend was voor wat er op het schip zou achterblijven.
Tegen deze achtergrond kunnen de woorden ‘onder meer’ in artikel 2.1 van de overeenkomst naar het oordeel van de kantonrechter niet zodanig worden uitgelegd dat partijen zijn overeengekomen dat er naast de zaken die in bijlage 1 stonden, nog andere zaken zouden worden overgedragen aan [eisers] Daarvoor is de enkele toevoeging van de woorden ‘onder meer’ in de koopovereenkomst onvoldoende. Gelet op de stelling van [eisers] dat zij steeds de verwachting hadden en erop vertrouwden het schip te kopen zoals gezien op 22 september 2024, had het op hun weg gelegen om deze verwachtingen gedurende het verkoopproces duidelijker aan [gedaagde] kenbaar te maken. Door berichten niet te beantwoorden en gelet op de inhoud van de berichten waarmee zij wel de op de e-mails van [gedaagde] reageerden, mocht [gedaagde] er redelijkerwijs op vertrouwen dat alleen de zaken die in bijlage 1 en later in de e-mail van 11 juni 2025 stonden, zouden worden overgedragen en dat hij, door deze zaken ook daadwerkelijk te leveren, aan zijn verplichtingen had voldaan.
Tenslotte voeren [eisers] nog aan dat uit het woord ‘vaarklaar’ in artikel 2.1 volgt dat het schip geleverd moest worden met inbegrip van de onderdelen die op 22 september 2024 aanwezig waren. De onderdelen die op dat moment aanwezig waren, zijn volgens [eisers] immers nodig om solo te varen en het maximale uit het schip te halen. Volgens [gedaagde] verwijst ‘vaarklaar’ niet naar de toestand van het schip in september 2024, maar betekent het dat men de motor moet kunnen starten en met het schip moet kunnen varen.
De kantonrechter stelt voorop dat het woord ‘vaarklaar’ letterlijk betekent dat met het schip gevaren moet kunnen worden. [gedaagde] heeft tijdens het verkooptraject weliswaar aan [eisers] verteld dat hij solo met het schip kon varen, maar [eisers] hebben ter terechtzitting ook erkend dat partijen niet uitdrukkelijk hebben gesproken over de manier waarop [eisers] het schip zouden willen gebruiken, waaronder de mogelijkheid om solo te kunnen varen en het maximale uit het schip te halen. [eisers] konden daar dus redelijkerwijs geen verwachtingen aan ontlenen. In het licht van deze feiten en omstandigheden, komt de kantonrechter tot het oordeel dat ‘vaarklaar’ betekent dat het schip geleverd moest worden in een toestand waarmee met het schip gevaren kon worden.
De tussenconclusie
Gelet op de beoordeling hiervoor, brengt de uitleg van de koopovereenkomst met zich dat partijen zijn overeengekomen dat het schip wordt overgedragen met alle onderdelen die nodig zijn om het schip te varen (‘vaarklaar’), met de zaken zoals deze in bijlage 1 van de koopovereenkomst staan vermeld en met de extra zaken opgesomd in de e-mail van 11 juni 2025. De vordering tot het (na)leveren van de stootwillen, blokken, een joon, een wit hoefijzer reddingsboei, een radarreflector, het kliksysteem op maat voor de matrassen en delen van de navigatieapparatuur (twee klokken, een interface en de afstandsbediening van de stuurautomaat) zal dan ook worden beoordeeld aan de hand van deze uitleg.
De stootwillen
Tussen partijen staat niet ter discussie dat oorspronkelijk op grond van bijlage 1 van de koopovereenkomst vier stootwillen (ook wel fenders genoemd) op het schip zouden achterblijven en dat er uiteindelijk, na aanleiding van de e-mail van 11 juni 2025, zes stootwillen zijn geleverd. [eisers] hebben gesteld dat de geleverde stootwillen niet voldoen omdat zij goedkoper en van een mindere kwaliteit zijn dan de stootwillen die aanwezig waren op 22 september 2024 . Nog daargelaten de betwisting van [gedaagde] op dit punt – dat de zes geleverde stootwillen ook aan boord waren op 22 september 2024 – geldt dat hiervoor is geoordeeld dat de toestand op 22 september 2024 niet bepalend is voor wat er op grond van de koopovereenkomst overgedragen zou worden. Weliswaar is in bijlage 1 en later ook in de e-mail van 11 juni 2025 bepaald dat er zes stootwillen zouden achterblijven, maar er zijn geen afspraken gemaakt over welke stootwillen precies door [gedaagde] op het schip zouden worden achtergelaten. Dat betekent dat [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter aan zijn leveringsverplichting heeft voldaan en de vordering tot (na)levering van de stootwillen zal worden afgewezen.
De blokken
Bijlage 1 vermeldt vier blokken. Volgens [eisers] heeft [gedaagde] echter vier blokken verwijderd en op een later moment twee, goedkopere, teruggestuurd. [gedaagde] heeft dit weersproken. Volgens [gedaagde] zijn er vier blokken aan boord gebleven en daarmee aan [eisers] geleverd. In dat kader heeft [gedaagde] toegelicht dat op 4 juli 2025 gezamenlijk onder genakker is gevaren en dat dit alleen mogelijk is met vier blokken. Vervolgens zijn er, op verzoek van [eisers] en ondanks dat dit niet op de lijst stond, twee extra blokken aan hen toegestuurd, aldus [gedaagde] . In het licht van deze gemotiveerde betwisting, hebben [eisers] hun stelling – dat zij in weerwil van de afspraken slechts twee goedkopere blokken hebben ontvangen – naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd. Dat betekent dat de kantonrechter ervan moet uitgaan dat het relaas van [gedaagde] klopt en vier blokken, conform bijlage 1, aan [eisers] zijn geleverd. De vordering tot (na)levering van de blokken zal dan ook worden afgewezen.
De joon
[eisers] vorderen nalevering van de joon. Aan de stelling van [eisers] dat de joon op 22 september 2024 op het schip aanwezig was en daarom moet worden (na)geleverd, gaat de kantonrechter voorbij. Hiervoor is immers geoordeeld dat partijen in de koopovereenkomst niet zijn overeengekomen dat de zaken die op die datum op het schip aanwezig waren, geleverd moesten worden. [eisers] nemen nog het standpunt in dat de joon een reddingsmiddel is dat bij het schip hoort. De kantonrechter heeft echter geoordeeld dat een redelijke uitleg van de koopovereenkomst meebrengt dat alleen die onderdelen die nodig zijn om het schip te varen, dan wel vermeld staan in bijlage 1 en de e-mail van 11 juni 2025, meegeleverd moesten worden. Vast staat dat de joon niet in een van de lijsten genoemd staat. Evenmin is gesteld dat de joon nodig is om het schip te kunnen varen. Daarom zal de vordering tot (na)levering van de joon worden afgewezen.
Het witte hoefijzer
[eisers] maken aanspraak op nalevering van een wit hoefijzer reddingsboei. Ook hiervoor geldt dat deze niet genoemd staat in bijlage 1 of de e-mail van 11 juni 2025. Dat deze reddingsboei nodig is om het schip te varen is niet gesteld. [gedaagde] was daarom niet verplicht deze achter te laten op het schip. De vordering van [eisers] op dit punt zal worden afgewezen.
De radarreflector
Vast staat dat er bij de overdacht van het schip geen radarreflector aanwezig was. Volgens [eisers] behoort de radarreflector tot de standaarduitrusting van het schip en had deze wel meegeleverd moeten worden. Zoals hiervoor is overwogen, was [gedaagde] alleen gehouden die onderdelen te leveren die nodig zijn om het schip te varen, dan wel die in bijlage 1 en de e-mail van 11 juni 2025 genoemd staan. De radarreflector staat niet genoemd in bijlage 1 of de e-mail van 11 juni 2025. Gesteld, noch gebleken is dat de radarreflector nodig is om het schip te varen. [gedaagde] was dus niet verplicht de radarreflector te leveren, zodat de vordering van [eisers] op dit punt moet worden afgewezen.
Het kliksysteem systeem op maat voor de matrassen
Noch in bijlage 1, noch in de e-mail van 11 juni 2025 staat een kliksysteem op maat voor de matrassen vermeld. [eisers] stellen dat dit systeem in de zomer van 2024 op het schip aanwezig was. Daargelaten dat, zoals hiervoor is geoordeeld, de status van het schip in 2024 niet bepalend was voor wat er overgedragen moest worden, heeft [gedaagde] aan de hand van verklaringen van verschillende bemanningsleden ook gemotiveerd betwist dat er ooit een dergelijke systeem op het schip aanwezig was. De kantonrechter wijst de vordering tot (na)levering van het kliksysteem dan ook af.
De delen van de navigatieapparatuur
[eisers] stellen dat [gedaagde] delen van de navigatieapparatuur heeft verwijderd, waaronder twee klokken, een interface en een afstandsbediening van de stuurautomaat. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij niet verplicht was deze onderdelen te leveren, omdat deze niet in bijlage 1 of de e-mail van 11 juni 2025 vermeld staan en ook niet nodig zijn om het schip te varen. Hiervoor is de kantonrechter tot het oordeel gekomen dat onder ‘vaarklaar’ moet worden begrepen alles wat nodig is om het schip te kunnen varen. Dat zonder de twee klokken, een interface en de afstandsbediening van de stuurautomaat niet kan worden gevaren, hebben [eisers] niet gesteld. Integendeel, zij hebben ter zitting verklaard dat dit mogelijk is, maar dat de onderdelen vooral bijdragen aan de efficiëntie, het gemak en de veiligheid van het zeilen. Dat betekent dat er geen grond is op basis waarvan [gedaagde] verplicht is de gevorderde delen van de navigatieapparatuur te leveren. De vordering daartoe zal de kantonrechter afwijzen.
Conclusie
De vordering van [eisers] tot het (na)leveren van de hierboven genoemde zaken zal worden afgewezen. Dat betekent dat de kantonrechter ook niet toekomt aan de beoordeling van de vordering tot vergoeding van de vervangingswaarde van de zaken. Er is immers geen sprake van een veroordeling en daarmee ook niet van een situatie dat [gedaagde] weigert of niet meer in staat is aan de veroordeling sub II te voldoen. Aan de voorwaarde, zoals genoemd in de vordering sub III is dus niet voldaan.
De vordering tot het geven van openheid
[eisers] vorderen ten slotte nog dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt om openheid van zaken te geven over de door hem na 22 september 2024 van het schip verwijderde zaken. Op grond van artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: ‘Rv’) kan de kantonrechter een van de partijen bevelen op de zaak betrekking hebbende gegevens over te leggen. Hiervoor is echter beslist dat de toestand van het schip op 22 september 2024 niet bepalend is voor de vraag welke onderdelen op het schip hadden behoren achter te blijven. De kantonrechter zal daarom geen gebruik maken van haar bevoegdheid op dit punt en deze vordering van [eisers] afwijzen.
De proceskosten
[eisers] krijgen in deze procedure ongelijk. Daarom moeten zij de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] betalen. Het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (hierna: ‘LOVCK’) heeft aanbevolen dat in een geval zoals dit, waarin een gedaagde zonder gemachtigde procedeert en op een zitting verschijnt, ambtshalve een forfaitair bedrag van € 50,00 aan reis-, verblijf- en verletkosten in de zin van artikel 238 Rv kan worden toegekend.
[gedaagde] heeft weliswaar aangevoerd dat hij vanwege deze procedure inkomsten heeft verloren, maar heeft dit verder niet onderbouwd. De kantonrechter volgt dan ook de aanbeveling van het LOVCK en wijst € 50,00 toe en wijst verder een bedrag van € 144,00 aan nakosten toe, in totaal dus € 194,00. Als [eisers] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de proceskostenveroordeling in dit vonnis voldoen en het vonnis daarna is betekend, zullen zij ook de kosten van de betekening aan [gedaagde] moeten betalen.
6. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eisers] af;
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 194,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en vermeerderd met de kosten van betekening van dit vonnis als [eisers] niet binnen deze termijn aan de proceskostenveroordeling voldoen en het vonnis daarna is betekend;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
Dit vonnis is gewezen door mr. M.O. Frentrop en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.