RECHTBANK OVERIJSSEL
Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
parketnummer: 08-232138-22
raadkamernummers: 25-026871 en 25-026872
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1958 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker,
bijgestaan door mr. K. Tunç, advocaat in Hengelo (O).
1. Het verloop van de procedure
Het verzoekschrift, gedateerd 21 oktober 2025, is dezelfde dag op de griffie van de rechtbank ontvangen. Het is ondertekend en ingediend door verzoeker, bijgestaan door mr. K. Tunç.
Het verzoek strekt ertoe aan verzoeker op grond van artikel 533 Sv een vergoeding ten laste van de Staat toe te kennen tot een bedrag van € 650,00, voor de schade die hij ten gevolge van ondergane hechtenis heeft geleden. Daarnaast strekt het verzoek tot het op grond van artikel 530 Sv toekennen van een vergoeding van € 57.245,10, voor gemaakte kosten voor rechtsbijstand, te vermeerderen met een bedrag van € 680,00 voor de kosten van het opstellen, indienen en bijwonen van de behandeling ter zitting van het verzoekschrift.
Het verzoekschrift is behandeld op de openbare zitting van de raadkamer van
18 februari 2026. Bij de behandeling zijn de officier van justitie en de raadsman gehoord.
Verzoeker is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet in de raadkamer verschenen.
De raadkamer heeft kennisgenomen van de door de officier van justitie overgelegde relevante stukken uit het dossier van de strafzaak tegen verzoeker en de schriftelijke conclusie van het Openbaar Ministerie van 30 oktober 2025.
2. De standpunten van de raadsman en de officier van justitie
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft ter zitting, in aanvulling op het verzoekschrift, het volgende aangevoerd. In de strafzaak genaamd ‘Agaran21’ was sprake van een zeer omvangrijk strafdossier, waarin verzoeker herhaaldelijk voorkwam als de hulp dan wel klusjesman van zijn zoon [naam] , een van de hoofdverdachten in dit onderzoek. Dit maakt dat niet alleen het persoonsdossier van verzoeker van belang was, maar met name ook de omvangrijke dossiers betreffende de betrokkenheid van [naam] . Er is getracht een beeld van verzoeker te schetsen waaruit zou blijken dat hij op de hoogte was van alle activiteiten rondom de hennepplantages. Dat tegen hem slechts een relatief geringe verdenking bestond, doet niets af aan de aanzienlijke voorbereidingstijd die hiermee gemoeid was, te meer nu het Openbaar Ministerie kennelijk bewust heeft gekozen de zaak tegen verzoeker niet los te koppelen van het uitgebreide strafonderzoek ‘Agaran21’.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter zitting bij het schriftelijke standpunt van het Openbaar Ministerie gepersisteerd en verzocht het verzoek van de verdediging tot toekenning van de gevraagde vergoedingen toe te wijzen.
3. De ontvankelijkheid
Het verzoekschrift is tijdig ingediend. De raadkamer stelt vast dat het verzoekschrift ook overigens ontvankelijk is.
4. De beoordeling
Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer het volgende vast.
De strafzaak tegen verzoeker is geëindigd door het onherroepelijk worden van het vonnis van de meervoudige kamer in deze rechtbank van 11 juli 2025, waarbij verzoeker integraal is vrijgesproken.
- Het verzoek op grond van artikel 533 Sv
Indien de zaak tegen een verdachte eindigt zonder oplegging van straf of maatregel kan de rechtbank op grond van artikel 533 Sv op verzoek van de gewezen verdachte, hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering of voorlopige hechtenis heeft geleden. Een vergoeding wordt toegekend indien daartoe, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn (artikel 534 Sv).
De raadkamer acht deze gronden aanwezig en zal aan verzoeker een schadevergoeding toekennen. De hoogte van die vergoeding wordt als volgt berekend. Verzoeker heeft in totaal vijf dagen in een politiecel doorgebracht. Per dag komt aan verzoeker een vergoeding van
€ 160,00 toe, hetgeen een totaal van € 800,00 (5 dagen x € 160,00) maakt.
De raadkamer kent de vergoeding toe naar de normbedragen zoals die zijn vastgesteld door het LOVS. Die bedragen vormen een vergoeding voor zowel de materiële als de immateriële schade ten gevolge van de detentie.
- Het verzoek op grond van artikel 530 Sv
Op grond van artikel 530 lid 2 Sv kan aan de gewezen verdachte, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel, een vergoeding worden toegekend voor de kosten van rechtsbijstand. Een vergoeding wordt toegekend indien daartoe, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn (artikel 534 Sv). Dit betekent enerzijds dat in geval van gemaakte kosten vergoeding als uitgangspunt heeft te gelden, maar anderzijds dat het de rechter vrij staat op gronden van billijkheid vergoeding achterwege te laten of slechts gedeeltelijk toe te kennen.
Verzoeker heeft zich in (de aanloop naar) de onderhavige strafzaak laten bijstaan door een advocaat, namelijk mr. K. Tunç, die een uurtarief van € 285,00 exclusief 21% BTW hanteert. De door verzoeker verzochte vergoeding voor rechtsbijstand is door de raadsman onderbouwd met specificaties die inzicht geven in de verrichte werkzaamheden en de daaraan bestede tijd.
De raadkamer acht gronden van billijkheid aanwezig tot toekenning van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand. Het is vaste rechtspraak dat voor het vaststellen van de hoogte van het te vergoeden bedrag in beginsel aansluiting wordt gezocht bij de declaraties en de daarbij behorende specificaties van de advocaat, tenzij sprake is van een in meer of mindere mate in het oog springende bovenmatigheid.
De rechter heeft de ruimte daarvan af te wijken indien en voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn (vgl. Gerechtshof Arnhem22 januari 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BE8953 en Gerechtshof Arnhem 8 oktober 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BY0240). Die gronden van billijkheid kunnen bijvoorbeeld zijn gelegen in de mate waarin de verzoeker aan zichzelf te wijten heeft dat hij de desbetreffende kosten heeft gemaakt, maar ook kunnen zij zijn gelegen in de bovenmatigheid van de declaratie. Het moet in dat laatste geval wel gaan om bovenmatigheid die in meer of mindere mate in het oog springt (vgl. Gerechtshof Amsterdam 28 mei 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2466). Is daarvan geen sprake, dan dient de rechter de omvang van de in rekening gebrachte kosten marginaal te toetsen (vgl. Gerechtshof Leeuwarden 3 februari 2010, ECLI:NL:GHLEE:2010:BL8539).
Bij de beoordeling van het verzoek tot vergoeding van de kosten van de raadsman in de zin van artikel 530 Sv stelt de raadkamer voorop dat de declaratie van de raadslieden niet meer is dan een uitgangspunt, dat door de raadkamer wordt betrokken in haar oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de kosten van raadslieden en zo ja, tot welk bedrag. Deze maatstaf voor het beoordelen van het verzoek brengt - zoals hiervoor is opgemerkt - met zich mee dat de raadkamer geenszins gebonden is aan de door de raadslieden gedeclareerde tijd of het door hen gehanteerde uurtarief. Het is geheel en al aan een rechtzoekende een raadsman te kiezen aan wie hij de verdediging van zijn belangen toevertrouwt. In dat verband kan van een rechtzoekende niet worden verlangd zijn advocaat te selecteren op een door de rechter of het openbaar ministerie toegekend maximaal in rekening te brengen uurtarief in verband met de aard, omvang en complexiteit van de strafzaak.
Overigens merkt de raadkamer op dat de consequentie van de keuze van verzoeker om zich voor eigen rekening te laten bijstaan door een raadsman, in voorkomende gevallen kan zijn dat het voor zijn eigen rekening en risico komt wanneer een door verzoeker op basis van art. 530 Sv ingediend verzoekschrift tot vergoeding van de kosten van de raadsman door de raadkamer op gronden van billijkheid al dan niet geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen.
Met inachtneming van dit uitgangspunt is de raadkamer van oordeel dat na kennisneming en bestudering van het strafdossier inzake verzoeker wel heel veel tijd genomen is voor bijvoorbeeld de bestudering van het dossier, namelijk ruim 62 uur aan dossierstudie. Ook bij andere posten zoals bijvoorbeeld studie van het vonnis, jurisprudentiestudie, collegiaal overleg, bespreking met cliënt, voorbereiding getuigenverhoor is naar het oordeel van de raadkamer zeer veel tijd genomen. Dat is naar het oordeel van de raadkamer bijvoorbeeld het geval bij de gedeclareerde tijdsbesteding van maar liefst 42 minuten voor de bestudering van het overeenkomstig de eis van de officier van justitie tot vrijspraak gewezen vonnis van 11 juli 2025 terwijl dit vonnis minder dan drie pagina’s omvat. Hetzelfde geldt voor de opgevoerde tijd voor jurisprudentiestudie en het opstellen van een pleitnota, waarvoor respectievelijk 3 uren en 30 minuten en 8 uren in rekening is gebracht.
De raadkamer heeft verder in aanmerking genomen de omvang van het dossier in relatie tot de aan verzoeker tenlastegelegde feiten en de complexiteit daarvan. Het betreft weliswaar een omvangrijk dossier met meerdere verdachten, maar verzoeker werd slechts verdacht van het medeplegen van het aanleggen en in stand houden van één hennepkwekerij en diefstal van stroom ten behoeve van die hennepkwekerij. Anders dan medeverdachten heeft verzoeker niet in voorlopige hechtenis gezeten maar is hij in totaal vijf dagen in verzekering gesteld geweest.
De raadkamer hecht er – wellicht ten overvloede – nog aan op te merken dat de raadkamer er zonder meer vanuit gaat dat de raadsman zijn cliënt niet meer uren in rekening heeft gebracht dan hij daadwerkelijk aan de zaak heeft besteed.
De vraag is evenwel of deze kosten ook noodzakelijk zijn gemaakt in het belang van de verdediging van verzoeker in aanmerking genomen de aan verzoeker tenlastegelegde feiten. En zeker ook de vraag of en in hoeverre er gronden van billijkheid zijn om de aan verzoeker in rekening gebrachte uren in de onderhavige zaak voor rekening van de Staat te laten komen.
Gelet op het voorgaande ziet de raadkamer aanleiding de door verzoeker gevraagde vergoeding voor rechtsbijstand aanzienlijk te matigen, op de navolgende wijze.
- Studie van het dossier
De raadkamer zal het door de raadsman opgegeven aantal uren besteed aan dossierstudie (te weten: 62 uur en 12 minuten) matigen met een percentage tot ongeveer een kwart van het aantal opgegeven uren, zodat het aantal uren voor dossierstudie thans wordt vastgesteld op 15 uren.
- Studie van het vonnis, jurisprudentie en het opmaken van een pleitnota
De raadkamer zal de door de raadsman opgegeven uren (te weten in totaal: 12 uur en 12 minuten) verminderen en vaststellen op 4,7 uren.
- o.a. Collegiaal overleg, bespreking met cliënt, studie aanvullende stukken, voorbereiding getuigenverhoor
De raadkamer zal de door de raadsman opgegeven uren (te weten in totaal: 44 uur en 36 minuten) matigen en vaststellen op, naar boven afgerond, 20 uren.
Na deze matiging bedraagt de vergoeding als volgt:
- Dossierstudie: € 5.172,75
(15 uren x € 285,00 = € 4.275,75 + 21% btw);
- Studie van het vonnis, jurisprudentie en het opmaken van een pleitnota: € 1.620,50
(4,7 uren x € 285,00 = € 1.339,50 + 21% btw);
- O.a. Collegiaal overleg, bespreking met cliënt: € 6.897,00
(20 uren x € 285,00 = € 5.700,00 + 21% btw).
Hetgeen een totaal maakt van: € 13.690,25 in plaats van € 41.174,00 zoals is verzocht.
Van het totaal verzochte schadebedrag van € 57.245,10 zal om die reden een bedrag van
€ 27.483,85 ( € 41.174,00 - € 13.690,25) in mindering wordt gebracht, zodat een bedrag van € 29.761,25 resteert.
De raadkamer kent daarnaast een vergoeding toe voor de kosten voor het opmaken en indienen van het verzoekschrift en het bijwonen van de behandeling ter zitting van het verzoekschrift, volgens de normbedragen zoals die voor dit soort verzoeken door het LOVS zijn vastgesteld, zijnde een bedrag van € 825,00. Dit bedrag wordt eenmalig toegekend als vergoeding voor beide verzoekschriften van verzoeker op grond van art. 530 en 533 Sv.
Voormeld bedrag (€ 29.761,25) aan kosten voor rechtsbijstand, te vermeerderen met de forfaitaire vergoeding ter hoogte van € 825,00 maakt een totaal bedrag van € 30.586,25.
5. De beslissing
De raadkamer:
Advocatenkantoor TrendLaw;
- wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Kuiper, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.