RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.270241.21
Datum vonnis: 12 maart 2026
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] .
1. De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat op een bedrag van € 2.185.533,-- en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 2.180.533,--.
2. De procedure
De vordering is behandeld op de openbare terechtzittingen van 7 november 2024, 7 juli 2025 en 12 februari 2026.Het onderzoek ter terechtzitting is formeel gesloten op 12 maart 2026, waarna aansluitend uitspraak is gedaan. De veroordeelde (verder ook te noemen [veroordeelde] ), bijgestaan door zijn raadsman mr. G. Roethof, advocaat in Amsterdam, is op de terechtzitting van 12 februari 2026 verschenen en op de vordering gehoord. Op die terechtzitting van 12 februari 2026 heeft de officier van justitie de vordering gehandhaafd.
3. De standpunten van partijen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aan haar vordering - kort samengevat - het volgende ten grondslag gelegd. De officier van justitie heeft haar vordering gebaseerd op het dossier van de strafzaak, welke is opgesteld door de FIOD (met nummer 65368 en de naam [veroordeelde] ) en het rapport inzake berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, gedateerd 14 juli 2022.
De FIOD heeft middels een zogenoemde eenvoudige kasopstelling berekend dat [veroordeelde] in de onderzoeksperiode (1 januari 2017 tot en met 1 januari 2021) € 2.204.033,-- meer contant geld heeft uitgegeven dan op basis van legale contante inkomsten, mogelijk was.. De officier heeft ter zitting toegelicht dat hierop nog een contante betaling van het Holland Casino van € 18.500,-- in mindering dient te worden gebracht, zodat moet worden uitgegaan van een resultaat van de eenvoudige kasopstelling van € 2.185.533,--. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn heeft de officier van justitie opgemerkt dat een korting van € 5.000,-- kan worden toegepast en dat zodoende de betalingsverplichting aan de Staat kan worden vastgesteld op € 2.180.533,--.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ter terechtzitting primair betoogd dat geen sprake is geweest van witwassen en dus ook niet van enig wederrechtelijk verkregen voordeel. Subsidiair is aangevoerd dat bij de kasopstelling ten onrechte is uitgegaan van een onjuist contant beginsaldo. [veroordeelde] beschikte over een groot contant vermogen bestaande uit opgespaarde inkomsten vanuit zijn voetbalcarrière, horlogehandel, casinowinsten en zijn werkzaamheden als voetbalscout en/of voetbalmakelaar. Daarnaast heeft [veroordeelde] gedurende de ten laste gelegde periode een aanzienlijk legaal inkomen gehad waarmee rekening had moeten worden gehouden in de kasopstelling.
4. De beoordeling van de vordering
Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 12 maart 2026 (onder meer) veroordeeld voor het medeplegen van gewoontewitwassen van geld en het appartement gelegen aan de [adres] , gepleegd in de periode van
1 januari 2017 tot en met 26 januari 2021 (feit 1).
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Uit artikel 36e, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) volgt dat het Openbaar Ministerie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan indienen tegen degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit.
Op grond van artikel 36e lid 2 Sr kan een ontnemingsmaatregel worden opgelegd met betrekking tot het voordeel dat door de betrokkene is verkregen “door middel van of uit de baten van” het in de hoofdzaak bewezen verklaarde feit of een ander strafbaar feit waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat dit door de veroordeelde is begaan.
Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan verder plaatsvinden op grond van artikel 36e lid 3 Sr, als – kort gezegd – aannemelijk is dat het misdrijf waarvoor is veroordeeld of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Anders dan het tweede lid stelt het derde lid van artikel 36e Sr niet de eis dat die ‘andere strafbare feiten’ door de veroordeelde zijn begaan; voldoende is dat aannemelijk wordt dat de veroordeelde uit die andere strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Zoals volgt uit het vonnis van 12 maart 2026 is onbekend gebleven uit welk gronddelict het geld afkomstig is, waarvan bewezen is verklaard dat veroordeelde dat heeft witgewassen. Op grond van de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen voor feit 1 zijn vervat (zoals weergeven in het vonnis in de strafzaak van 12 maart 2026) is de rechtbank van oordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit ‘andere strafbare feiten’, zoals bedoeld in voornoemd artikel 36e lid 3 Sr.
Voor de vaststelling van de hoogte van wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de rechtbank acht geslagen op de zogenoemde eenvoudige kasopstelling zoals die door de FIOD is opgesteld. De FIOD heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel in haar rapport van 14 juli 2022 berekend op € 2.204.033. Daarbij is uitgegaan van de volgende posten:
[afbeelding]
Beginsaldo
Ten aanzien van het beginsaldo heeft de verdediging opgemerkt dat ten onrechte is uitgegaan van een contant beginsaldo van € 1.054,-- op 1 januari 2017 (post 1). De rechtbank overweegt dat ten tijde van de doorzoeking op 26 januari 2021 geen contanten in de woning van veroordeelde zijn aangetroffen. De verdediging heeft niet geconcretiseerd van welk beginsaldo moet worden uitgegaan en heeft op geen enkele wijze met objectiveerbare stukken onderbouwd en/of inzichtelijk gemaakt dat op 1 januari 2017 veroordeelde over (een aanzienlijke hoeveelheid) contant geld beschikte. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging en gaat, in het voordeel van de veroordeelde, uit van het fiscaal vrijgestelde bedrag van € 1.054,--.
Legale inkomsten
De verdediging heeft verder aangevoerd dat rekening dient te worden gehouden met substantiële legale inkomsten in de periode van 1 januari 2017 tot en met 26 januari 2021 zoals zijn inkomen als profvoetballer bij [voetbalclub 1] , [voetbalclub 2] , uitkeringen van pensioenfonds CFK en inkomsten uit zijn werkzaamheden als voetbalscout en/of voetbalmakelaar. De rechtbank verwerpt ook dit verweer, omdat bij de kasopstelling alleen rekening wordt gehouden met contante inkomsten en contante uitgaven. Girale inkomsten, zoals uitbetalingen door [voetbalclub 1] , [voetbalclub 2] en CFK zijn aldus terecht buiten beschouwing gelaten. Dat veroordeelde daarnaast uit deze bronnen legale contante bedragen heeft ontvangen, is niet aannemelijk geworden. Ten aanzien van zijn inkomen als voetbalscout en/of voetbalmakelaar is in het vonnis van 12 maart 2026 reeds vastgesteld dat deze activiteiten verliesgevend zijn geweest.
Aanpassing totaalbedrag
De rechtbank zal – net als de officier van justitie – op het bedrag van € 2.204.033,-- in mindering brengen een contante betaling van het Holland Casino van € 18.500,-- (hoewel het de vraag is of dit geldbedrag kan worden aangemerkt als een netto speelwinst van [veroordeelde] ). De verdediging heeft hiertegen geen verweer gevoerd.
Daarnaast zal de rechtbank het contante geldbedrag van € 139.570,-- (post 6) op het totaalbedrag in mindering brengen, omdat dit bedrag bij vonnis van 12 maart 2026 verbeurd is verklaard, zodat dit niet (langer) als wederrechtelijk verkregen voordeel kan gelden.
Verder zal de rechtbank de aan [naam] betaalde provisie van in totaal € 38.857,-- (post 15) in mindering brengen. Gelet op de geanalyseerde geldstromen is sprake geweest betaling van provisie doordat aan [naam] 10% werd gelaten van de bedragen die door zijn tussenkomst werden witgewassen. Zo bezien kan de betaalde provisie gelden als een kostenpost van de witwasactiviteiten. Reden voor de rechtbank om ook dit bedrag in mindering te brengen.
Conclusie
De rechtbank komt tot de conclusie dat uit voornoemde kasopstelling blijkt dat [veroordeelde] in de periode van 1 januari 2017 tot en met 26 januari 2021 aanzienlijke contante uitgaven heeft gedaan die niet met zijn legale contante inkomsten kunnen worden verklaard. Uit het feitencomplex van het vonnis van 12 maart 2026 is af te leiden dat onder meer een groot aantal contante stortingen heeft plaatsgevonden op de Nederlandse en Duitse bankrekeningen van [veroordeelde] en zijn toenmalige vrouw Warmenhoven en dat diverse grote girale bedragen vanuit China door [veroordeelde] op zijn bankrekeningen zijn ontvangen. [veroordeelde] had de beschikking over deze bankrekeningen en geldbedragen en hij heeft deze geldbedragen van deze bankrekeningen vervolgens privé aangewend voor onder meer de aankoop van het appartement aan de [adres] , de aanschaf van dure horloges en (zo volgt uit AMB-061) betaling van vakantie(s) en/of hotelkosten.
Gelet op het voorgaande is aldus aannemelijk dat ‘andere strafbare feiten’ als bedoeld in artikel 36e, derde lid Sr er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat [veroordeelde] wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 2.007.106,-- (€ 2.204.033,-- minus € 18.500,-- minus € 139.570,-- minus € 38.857,--).
De vaststelling van de betalingsverplichting
De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank zal hierbij rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Ook voor de ontnemingsvordering geldt dat zij moet worden afgerond binnen de redelijke
termijn van twee jaren. Overschrijding van die termijn kan volgens de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aanleiding zijn om de betalingsverplichting te verminderen.
De redelijke termijn van strafzaak is aangevangen op 11 oktober 2021, zijnde de eerste dag waarop de FIOD [veroordeelde] op de hoogte heeft gesteld van de ontnemingsrapportage en hem in de gelegenheid heeft gesteld zich hierover uit te laten. Daaraan kon [veroordeelde] de verwachting ontlenen dat een ontnemingsvordering zou volgen. De rechtbank stelt zodoende vast dat in dit geval sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van twee jaren en 5 maanden.
Bij overschrijding van niet meer dan 12 maanden gaat de Hoge Raad uit van een vermindering van 10%. Bij overschrijdingen van meer dan 12 maanden dient de rechter naar bevind van zaken te handelen. De vermindering bedraagt echter in beginsel nooit meer dan
€ 5.000,--. In dit geval ziet de rechtbank aanleiding, mede vanuit praktische overwegingen, een bedrag van € 7.106,-- in mindering brengen en zal de betalingsverplichting voor de veroordeelde vaststellen op een bedrag van € 2.000.000,-- (€ 2.007.106,-- minus € 7.106,-- = ) € 2.000.000,--.
5. De wettelijke voorschriften
De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.
6. De beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 2.007.016,--;