RECHTBANK OVERIJSSEL
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/344871 / FA RK 26-379
Datum uitspraak: 26 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over de voorlopige voogdij
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
locatie Zwolle,
hierna te noemen de raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats 1] (Oekraïne),
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de oma] ,
hierna te noemen de oma,
wonende in [woonplaats 1],
[belanghebbende] ,
hierna te noemen [belanghebbende],
wonende in [woonplaats 2].
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
de brieven met bijlagen van [naam 1], locatieleider Opvang vluchtelingen Oekraïne in Raalte, ontvangen op 5 en 11 februari 2026;
het mondelinge verzoek van de raad op 26 februari 2026;
de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de raad, ontvangen op 27 februari 2026.
Op 26 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling met gesloten deuren plaatsgevonden. Verschenen zijn:
[minderjarige], die apart is gehoord;
de oma;
[belanghebbende];
[naam 1], die optreedt als tolk voor [minderjarige], oma en [belanghebbende];
[naam 2] namens de raad.
2. De feiten
De moeder van [minderjarige], [de moeder], geboren in de Sovjet-Unie op [geboortedatum 2] 1977, is overleden op [overlijdensdatum] 2026 in Raalte.
[minderjarige] staat niet onder het wettelijk vereiste gezag.
3. Het verzoek
De raad verzoekt om de stichting Nidos te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De beoordeling
Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
Deze zaak heeft een internationaal karakter aangezien [minderjarige] de Oekraïense nationaliteit heeft. De kinderrechter moet daarom beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is, en zo ja, welk recht op het verzoek van toepassing is.
Op grond van artikel 7 van de Verordening Brussel II-ter is de Nederlandse rechter internationaal bevoegd in deze zaak, omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is. De rechter zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht toepassen.
De inhoudelijke beoordeling
Op grond van artikel 1:253g lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt de kinderrechter dat indien van de ouders diegene overlijdt die het gezag over hun minderjarige kind alleen uitoefent, de overlevende ouder of een derde met het gezag over dit kind wordt belast. De kinderrechter doet dit, op grond van lid 2 van dit artikel, op verzoek van de raad voor de kinderbescherming, de overlevende ouder of ambtshalve.
De kinderrechter overweegt als volgt. De positie van de biologische vader van [minderjarige], [de vader], geboren op [geboortedatum 3] 1984 te [geboorteplaats 2] (Oekraïne), is onduidelijk. Op basis van de beschikbare informatie kan niet worden vastgesteld dat de biologische vader [minderjarige] heeft erkend, of dat hij het gezag uitoefent dan wel heeft uitgeoefend. De kinderrechter heeft van [minderjarige], [belanghebbende] en de oma begrepen dat de biologische vader niet in beeld is in het leven van [minderjarige], dat ze niet weten waar hij is en dat [minderjarige] hem al vanaf toen ze heel klein was niet meer heeft gezien. Hij is vermoedelijk in Oekraïne.
Ook al zou de biologische vader [minderjarige] hebben erkend hebben en belast zijn (geweest) met het gezag, de kinderrechter is van oordeel dat gelet op het bepaalde in artikel 1:253r in samenhang met artikel 1:253q BW dit gezag reeds voor het overlijden van de moeder van rechtswege was geschorst omdat gebleken is dat de vader in ieder geval feitelijk niet in staat was om het gezag uit te oefenen, althans niet uitoefende.
[minderjarige] woont nu met de oma, [belanghebbende] en haar andere broer [naam 3] van 18 jaar samen in een appartement van een vluchtelingenopvang in [plaats] en [minderjarige] gaat naar school. Volgens de oma, [belanghebbende] en [minderjarige] verloopt dit goed.
Voor de kinderrechter staat daarom vast dat [minderjarige] door het overlijden van de moeder niet meer onder ouderlijk gezag staat. Er is door de moeder vlak voor haar overlijden de wens aangetekend in het Centraal Gezagsregister dat de oma en [belanghebbende] na haar overlijden de voogden worden van [minderjarige]. [minderjarige] heeft daar geen bezwaar tegen en de oma en [belanghebbende] zijn daartoe bereid. De kinderrechter heeft echter nu nog onvoldoende informatie om tot de benoeming van de voogden over te gaan. Dat was ook de reden dat de kinderrechter, na ontvangst van de bereidverklaringen, de belanghebbenden heeft uitgenodigd voor de zitting op de rechtbank. De kinderrechter vindt het ook na het horen van [minderjarige] en de belanghebbenden noodzakelijk dat de raad en/of Nidos in de komende drie maanden onderzoek gaan doen naar wat het beste is als gezagsvoorziening voor [minderjarige]. De kinderrechter vindt het belangrijk dat er meer duidelijk wordt over de situatie van [minderjarige], over de vader van [minderjarige] en een eventuele gezagsbeëindiging. Ook dient de registratie bij de gemeente op orde te komen, althans de (familie)band tussen de beoogd voogden en [minderjarige] blijkt nu niet uit de Basisregistratie Personen.
Door het gezagsvacuüm kunnen de benodigde beslissingen over [minderjarige] niet worden genomen. De kinderrechter is daarom van oordeel dat het dringend en onmiddellijk noodzakelijk is om in de gezagsuitoefening over [minderjarige] te voorzien om haar belangen te kunnen behartigen. Ter zitting heeft de raad aangegeven dat de stichting Nidos bereid is om de voorlopige voogdij op zich te nemen. De kinderrechter zal Nidos dan ook als voorlopig voogd benoemen.
Het doel van de voorlopige voogdij is om te onderzoeken of de wens van de moeder kan worden geëerbiedigd zodat de oma en [belanghebbende] de voogdij over [minderjarige] krijgen. De komende drie maanden neemt Nidos de beslissingen die genomen moeten worden over [minderjarige]. Nidos zal met [minderjarige] en de beoogd voogden gaan samenwerken om alles te regelen, zoals bijvoorbeeld een paspoort voor [minderjarige] als dat nodig is.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5. De beslissing
De kinderrechter:
belast Stichting Nidos met de voorlopige voogdij over [minderjarige];
stelt vast dat de voorlopige voogdij van rechtswege na drie maanden eindigt, namelijk op 26 mei 2026, tenzij voor het einde van die termijn aan de rechtbank een voorziening in het gezag (de voogdij) over [minderjarige] is verzocht. De voorlopige voogdij loopt dan door totdat op dat verzoek is beslist;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026 door mr. A.M. Koene, kinderrechter, in aanwezigheid van A. van der Weide als griffier, en op schrift gesteld op 10 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.