RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12108826 \ CV EXPL 26-354
Vonnis in kort geding van 13 maart 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
UAB MARVEL SOLAR ENERGY,
gevestigd in Klaipeda (Litouwen),
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Marvel,
gemachtigde: mr. F. Krougman,
tegen
[gedaagde] ,
wonend in [woonplaats] (Tadzjikistan),
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. J.H. Mastenbroek.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, betekend op 23 februari 2026, met 8 producties,- de producties 9 tot en met 17 van Marvel,- de akte van [gedaagde], ingediend op 3 maart 2026, met een verweer in conventie en een eis in reconventie, met (doorgenummerde) producties 18 tot en met 24, waarvan later productie 19 is hersteld/aangevuld, - de mondelinge behandeling van 5 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de pleitnota van Marvel,- de pleitnota van [gedaagde].
2. Waar gaat de zaak over?
Deze zaak gaat over een vrachtwagenchauffeur uit Tadzjikistan, die op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam is voor een transportbedrijf uit Litouwen. De werknemer stelt een loonvordering op zijn werkgever te hebben. Om zijn vordering kracht bij te zetten, heeft de werknemer op 6 februari 2026 de vrachtwagen waarin hij reed geparkeerd op een parkeerplaats langs een Nederlandse snelweg. Sindsdien verblijft hij in de cabine van de vrachtwagen. De werknemer beroept zich daarbij op een retentierecht. De werkgever is een kort geding gestart, waarin wordt gevorderd dat de werknemer de aan de werkgever in eigendom toebehorende vrachtwagen moet verlaten, op straffe van een dwangsom. De werknemer heeft een tegenvordering ingesteld, gericht op (een voorschot op) achterstallige loonbetalingen. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer zich terecht op een retentierecht beroept, omdat – naar het voorlopige oordeel in kort geding – vast is komen te staan dat de werknemer een opeisbare loonvordering op de werkgever heeft en ook voor het overige aan de vereisten voor het rechtsgeldig inroepen van een retentierecht is voldaan. De vordering van de werkgever wordt afgewezen en die van de werknemer toegewezen.
3. De feiten
Tussen partijen is op 2 juli 2025 een arbeidsovereenkomst tot stand gekomen. [gedaagde] is werkzaam in de functie van vrachtwagenchauffeur.
Op 5 februari 2026 heeft Marvel aan [gedaagde] de instructie gegeven om 24 pallets af te leveren bij de onderneming [bedrijf] B.V. in [plaats]. De pallets werden vervoerd in een vrachtwagencombinatie (hierna: ‘het voertuig’), waarvan de vrachtwagen (merk: Renault; kenteken: [kenteken 1]) eigendom is van Marvel en de trailer (merk: Krone SD; kenteken: [kenteken 2]) eigendom is van een derde.
Op 6 februari 2026 heeft [gedaagde] het voertuig geparkeerd op Truckparking Het Veelsveld, gelegen aan de autosnelweg A1 in Deurningen en korte tijd later op een andere truckparking in de buurt. [gedaagde] weigert sindsdien verder te rijden en hij weigert ook het voertuig te verlaten.
4. Het geschil
in conventie
Marvel vordert – samengevat weergegeven – een veroordeling van [gedaagde] om het voertuig aan Marvel terug te geven, op straffe van een dwangsom.
Marvel legt aan haar vordering het standpunt ten grondslag dat [gedaagde] het voertuig zonder recht of titel bezet en in bezit houdt. Marvel betoogt dat [gedaagde] daarmee een onrechtmatige inbreuk maakt op haar eigendomsrecht.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van Marvel. Het standpunt van [gedaagde] is dat hij zich tegenover Marvel rechtsgeldig beroept op een retentierecht, omdat hij een opeisbare loonvordering heeft op Marvel. Daarnaast betoogt [gedaagde] dat Marvel de vordering in conventie niet bij de kantonrechter maar bij de rechtbank aan had moeten brengen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
[gedaagde] vordert – samengevat weergegeven – een voorschot op achterstallige loonbetalingen, waarbij de vordering is uitgesplitst in een gedeelte dat ziet op daadwerkelijk loon en een gedeelte dat ziet op een daggeldvergoeding. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding zijn eis gewijzigd, in die zin dat hij nu ook een uitvoerbaar bij voorraad-verklaring van het vonnis vordert.
[gedaagde] legt aan zijn vordering het standpunt ten grondslag dat Marvel niet heeft voldaan aan de loonbetalingsverplichtingen die voor haar voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst.
Marvel voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van [gedaagde]. Marvel betoogt – onder meer – dat:
( i) de feiten onvoldoende duidelijk zijn om een zuivere geldvordering in kort geding toe te wijzen;
( ii) de grondslag van de berekening van de loonvordering van [gedaagde] onvoldoende duidelijk is;
( iii) [gedaagde] pas recht heeft op de daggeldvergoeding als hij is teruggekeerd naar Litouwen;
( iv) de vordering in zijn algemeenheid te onbepaald is om in kort geding te kunnen toewijzen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling
De kantonrechter ziet aanleiding om eerst de reconventionele vordering te behandelen.
Deze zaak heeft internationale elementen. Marvel is gevestigd in Litouwen en [gedaagde] woont in Tadzjikistan. Hierdoor moet de kantonrechter, zowel in conventie als in reconventie, eerst – ambtshalve – onderzoeken of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk rechtsstelsel van toepassing is.
Rechtsmacht Nederlandse rechter
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij deze zaak in haar geheel graag beoordeeld willen zien door een Nederlandse rechter. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat partijen de Nederlandse rechter als bevoegde rechter hebben aangewezen, een en ander in de zin van artikel 25 lid 1 EEX-Vo II (voor wat betreft de vordering in conventie) en artikel 23 lid 1 EEX-Vo II (voor wat betreft de vordering in reconventie). Daarnaast zijn beide partijen in de procedure verschenen zonder dat deze verschijning ten doel had de bevoegdheid van dit gerecht te betwisten, een en ander als bedoeld in artikel 26 lid 1 EEX-Vo II. Gelet daarop oordeelt de kantonrechter dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft, zowel voor wat betreft de in conventie als de in reconventie ingestelde vordering.
in reconventie
Toepasselijk recht
De grondslag van de vordering in reconventie is nakoming van een verbintenis uit een (arbeids)overeenkomst. Rome I is daarom van toepassing. Uit de schriftelijke stellingen en de mondelinge uitlatingen ter zitting, blijkt dat partijen op grond van artikel 3 lid 1 Rome I hebben gekozen voor Nederlands recht.
Op grond van artikel 8 lid 1 Rome I geldt wel de nuancering dat de rechtskeuze als bedoeld in artikel 3 er niet toe kan leiden dat een werknemer de bescherming verliest die hij geniet op grond van bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken op grond van het recht dat overeenkomstig de leden 2, 3 en 4 van artikel 8 Rome I toepasselijk zou zijn geweest bij gebreke van een rechtskeuze.
Partijen hebben op zitting desgevraagd aangegeven dat Litouws recht van toepassing zou zijn geweest in het hypothetische geval dat partijen geen rechtskeuze zouden hebben gemaakt. Partijen hebben dat niet feitelijk onderbouwd. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: ‘HvJ EU’) heeft geoordeeld dat het werkland-criterium uit artikel 8 lid 2 Rome I (‘het land van waaruit de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht’) zoveel mogelijk moet worden toegepast op wegtransport. Bij deze toets is volgens het HvJ EU met name relevant de plaats van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht, instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert, alsmede de plaats waar zich de arbeidsinstrumenten bevinden, waar het vervoer hoofdzakelijk wordt verricht, waar de goederen worden gelost en waar de werknemer na zijn opdrachten terugkeert. Bij gebreke van voldoende feitelijke informatie over deze aspecten, valt de kantonrechter terug op het vestigingscriterium uit artikel 8 lid 3 Rome I. De vestiging van Marvel die de werknemer in dienst heeft genomen, bevindt zich in Litouwen, zodat Litouws recht van toepassing zou zijn geweest. Het nauwe band-criterium uit artikel 8 lid 4 Rome I leidt niet tot een andere conclusie.
De conclusie is dat [gedaagde] bescherming geniet van arbeidsrechtelijke bepalingen uit Litouws recht waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken.
Vordering in kort geding
Het gaat hier om een vordering in kort geding. Dergelijke vorderingen kunnen worden toegewezen in het geval van een spoedeisende zaak waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad vereist is (artikel 254 lid 1 Rv). Het gaat in een kort geding uitdrukkelijk om een voorlopige voorziening, een ordemaatregel. Een oordeel in kort geding is niet van beslissende invloed op het oordeel in een eventueel nog te voeren bodemprocedure (artikel 256 Rv).
Het spoedeisende belang in deze zaak is gegeven, gelet op de aard van de ingestelde vordering. Loon is immers bedoeld om in levensonderhoud te kunnen voorzien.
Marvel heeft als verweer aangevoerd dat bij (het toewijzen van) een voorziening in kort geding waarbij sprake is van een veroordeling tot betaling van een geldsom, terughoudendheid moet worden betracht. Dat uitgangspunt is op zichzelf juist. Het gaat in deze echter wel om een specifieke geldsom, te weten een voorschot op een loonvordering. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling bovendien – onbetwist – aangevoerd dat hij voor zijn levensonderhoud afhankelijk is van het loon dat hij bij Marvel verdient. Gelet daarop kan naar het oordeel van de kantonrechter sprake zijn van een situatie die meebrengt dat een voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed geboden is. Onjuist is het standpunt van Marvel dat de vordering van [gedaagde] moet worden afgewezen op de enkele grond dat de inzet is een veroordeling tot betaling van een geldsom.
Loonvordering
De loonvordering is ingesteld als voorschot op wat Marvel in de ogen van [gedaagde] daadwerkelijk aan hem verschuldigd is aan loon.
Voor wat betreft het aantal gewerkte uren, is uitgangspunt productie 20 van [gedaagde]. [gedaagde] stelt dat hij 1348 uur heeft gewerkt, waarbij ook is gesteld dat in die 1348 geen rusttijd is verwerkt. Die stelling is door Marvel onvoldoende gemotiveerd betwist. Marvel heeft op dit punt louter aangevoerd dat de juiste omvang van de loonvordering alleen kan worden bepaald op basis van de volledige tachograafdata. Maar die gegevens bevinden zich bij uitstek in het domein van de werkgever, terwijl Marvel die niet in het geding heeft gebracht. De kantonrechter gaat daarom voorshands uit van 1348 gewerkte uren.
[gedaagde] stelt dat zijn bruto uurloon € 10,48 bedraagt. [gedaagde] beroept zich hierbij op de arbeidsovereenkomst (1,65 x het minimumloon in Litouwen). Deze stelling is door Marvel niet betwist. De kantonrechter gaat daarom uit van dat uurloon.
[gedaagde] betoogt dat hij aanvullend nog recht heeft op een verhoging van € 4,00 per gewerkt uur, op grond van de Detacheringsrichtlijn (Richtlijn EU 2020/1057). De stelling is dat [gedaagde] uitsluitend gewerkt heeft in lidstaten buiten Litouwen, in West-Europa, waar een aanzienlijk hoger minimumuurloon geldt. [gedaagde] heeft een en ander onderbouwd met gegevens uit de boordcomputer van zijn vrachtwagen en informatie over de minimumlonen in Nederland (€ 19,00 per uur), Duitsland (€ 12,00 per uur)
en België (€ 15,00 per uur).
Het verweer van Marvel is dat ook hier een gedetailleerde analyse van de tachograafdata plaats moet vinden. Marvel heeft die data niet beschikbaar gesteld, terwijl dat wel op haar weg ligt als werkgever, alleen al omdat de data zich in haar domein bevinden. Marvel heeft de stellingen van [gedaagde] hierdoor onvoldoende gemotiveerd betwist, in die zin dat aan [gedaagde] onvoldoende aanknopingspunten zijn verschaft om zijn vordering nader te kunnen onderbouwen. Marvel betwist niet de stelling dat [gedaagde] uitsluitend in West-Europa heeft gewerkt. Bovendien blijkt nergens uit dat Marvel heeft onderkend dat [gedaagde] mogelijk onder het beschermingsbereik van de Detacheringsrichtlijn zou vallen, terwijl zij hem wel langdurig als chauffeur in West-Europa laat werken. De gevorderde € 4,00 per gewerkt uur (die als zodanig niet door Marvel is betwist), bovenop de € 10,48 per uur, wordt daarom toegewezen. Dit komt neer op een (bruto) bedrag van € 14,48 x 1348 uur = € 19.519,04.
Daggeldvergoeding
[gedaagde] vordert een daggeldvergoeding van 214 x € 61,00 netto. Met de € 61,00 netto is door [gedaagde] aangeknoopt bij de hoogte van de daggeldvergoeding die geldt in België, het land met het laagste (voor Marvel meest gunstige) bedrag op het punt van door de Litouwse overheid vastgestelde daggeldvergoedingen in het rijtje Nederland, Duitsland en België (productie 18 van [gedaagde]).
Marvel erkent dat [gedaagde] recht heeft op daggeld. Het bedrag van € 61.00 netto per dag wordt door Marvel niet betwist. Marvel verweert zich aan de hand van artikel 5.1 van de arbeidsovereenkomst. Marvel betoogt dat het daggeld pas opeisbaar is als [gedaagde] is teruggekeerd in Litouwen. Volgens Marvel is het de eigen keuze van [gedaagde] geweest om niet tussentijds terug te keren naar Litouwen.
Het verweer van Marvel wordt verworpen. Tijdens de mondelinge behandeling is van de zijde van [gedaagde] betoogd dat de bepaling over de daggeldvergoeding uit de arbeidsovereenkomst (artikel 2.5.1) zo moet worden uitgelegd, dat bedoeld is dat er geen voorschotten op de daggeldvergoeding worden betaald, maar dat de daggeldvergoeding wordt betaald na afloop van een transportopdracht en niet pas als de werknemer terugkeert in Litouwen. Voor die door [gedaagde] verdedigde uitleg is veel te zeggen, omdat de daggeldvergoeding voor de werknemer juist bedoeld is om te voorzien in levensonderhoudskosten als de werknemer onderweg is, op plaatsen waar de prijzen hoger liggen dan in Litouwen.
De kantonrechter weegt hierbij mee dat door [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling is aangegeven dat hij al veel eerder (na de eerste 3 maanden na aanvang arbeidsovereenkomst) naar Litouwen had willen terugkeren, maar dat hij door Marvel dwingend werd geïnstrueerd om door te blijven rijden in West-Europa, omdat er te weinig chauffeurs beschikbaar waren bij Marvel. Daarbij zou het niet opvolgen van die instructies door [gedaagde] kunnen leiden tot ontslag en/of niet betaling van verschuldigd loon, aldus [gedaagde] op basis van verklaringen van collega’s. Dit is door (althans, namens) Marvel tijdens de mondelinge behandeling niet ontkend, en de kantonrechter ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de uitlatingen van [gedaagde] te twijfelen. De kantonrechter acht ook van belang dat Marvel zelf nalatig is geweest ten aanzien van de verschuldigde loonbetalingen, die zij op grond van de arbeidsovereenkomst twee keer per maand moet verrichten. De conclusie is dat [gedaagde] recht heeft op een netto daggeldvergoeding ter hoogte van € 61,00 x 214 dagen = € 13.054,00.
Verrichte betalingen door Marvel
Door [gedaagde] is erkend dat Marvel in totaal een bedrag van € 14.680,00 netto heeft betaald. Bij gebreke van betaalspecificaties, die door Marvel niet in het geding zijn gebracht, is onduidelijk wat de exacte aard van de betalingen is geweest. Dit komt voor rekening en risico van Marvel. Het betaalde bedrag strekt in mindering op hetgeen waarop [gedaagde] recht heeft aan achterstallig loon en daggeld. Door [gedaagde] is dit overigens in punt 33 van zijn akte ook onderkend.
Marvel heeft als verweer een beroep gedaan op een restitutierisico, voor het geval zij in dit kort geding zou worden veroordeeld tot betaling van een geldsom aan [gedaagde]. Marvel heeft dit restitutierisico niet onderbouwd, anders dan met een verwijzing naar het feit dat [gedaagde] woonachtig is in niet-EU-lidstaat Tadzjikistan. Dat is een te magere onderbouwing. Het verweer wordt door de kantonrechter verworpen.
Datzelfde geldt voor het verweer van Marvel dat inhoudt dat de vordering van [gedaagde] te onbepaald is om (in kort geding) te kunnen worden toegewezen. Voor zover zou kunnen worden gezegd dat de vordering van [gedaagde] onbepaald is, is dit een gevolg van de handelwijze van Marvel. Het is immers Marvel dat geen deugdelijke administratieve (arbeidsrechtelijke) gegevens in het geding heeft gebracht, terwijl dat wel op haar weg ligt als werkgever.
De conclusie is dat de vorderingen van [gedaagde] worden toegewezen zoals gevorderd. De kantonrechter kan evenwel niet overzien wat het netto equivalent is van de in dit vonnis aan [gedaagde] toegewezen bruto loonbedragen, zodat het met dien verstande wordt toegewezen. De kantonrechter merkt daarbij op dat geen andere dan de gebruikelijke loonbelasting en gerelateerde inhoudingen voor sociale zekerheid op het bruto bedrag mogen worden ingehouden door Marvel. Naar het oordeel van de kantonrechter is een onmiddellijke voorziening bij voorraad vereist, gelet op de belangen van partijen. De kantonrechter acht de kans groot dat een bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [gedaagde] ten opzichte van Marvel recht heeft op de betalingen waarop in dit kort geding een voorschot wordt gevorderd.
Het is een feit dat de kantonrechter niet kan overzien of er naar Litouws recht (dwingendrechtelijke) arbeidsrechtelijke regelgeving bestaat waaraan [gedaagde] bescherming kan ontlenen op grond van artikel 8 lid 1 Rome I. Partijen hebben op dit punt – ook desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling – geen inlichtingen verstrekt. De kantonrechter heeft erover nagedacht of dit feit zou maken dat de door [gedaagde] ingestelde vordering niet geschikt zou zijn om in kort geding te behandelen. De kantonrechter meent dat dit niet het geval is. Bij dit oordeel is ten eerste doorslaggevend geweest dat de vordering van [gedaagde] volledig wordt toegewezen. Daarnaast geldt dat het ongerijmd zou zijn dat [gedaagde] zou worden geconfronteerd met een afwijzing van zijn vordering op de enkele grond dat hij mogelijk meer bescherming zou kunnen ontlenen aan enkele bepalingen uit het Litouwse recht. Naar het oordeel van de kantonrechter kan dat niet de bedoeling zijn.
Aan de reconventionele vordering was aanvankelijk niet een uitvoerbaar bij voorraad-vordering gekoppeld. Tijdens de mondelinge behandeling is door mr. Mastenbroek aangegeven dat het wel de bedoeling was om een uitvoerbaar bij voorraad-verklaring te vorderen. Door mr. Krougman is in reactie daarop desgevraagd aangegeven dat hij geen verweer voert tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad-verklaring in reconventie. Het vonnis zal daarom op dit punt uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
in conventie
Toepasselijk recht
Naar het oordeel van de kantonrechter kan de vordering in conventie worden gekwalificeerd als een vordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst (zijnde een arbeidsovereenkomst), maar ook als een vordering tot nakoming van een niet-contractuele verbintenis (zijnde de opheffing van een onrechtmatige toestand). Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van Marvel desgevraagd aangegeven dat hij als grondslag voor de door Marvel ingestelde vordering een onrechtmatige daad aanhoudt. De kantonrechter kwalificeert de door Marvel ingestelde vordering daarom ook langs die lijn.
Het toepasselijk recht moet worden gevonden via de Rome II-verordening. Artikel 14 lid 1 Rome II bepaalt dat partijen kunnen overeenkomen om (geschillen over) niet-contractuele verbintenissen aan het door hen gekozen recht te onderwerpen, bij overeenkomst die zij sluiten nadat de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan.
Partijen hebben hun stellingen in deze procedure volledig ingericht naar Nederlands recht. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen aangegeven dat zij de in conventie ingestelde vordering beoordeeld willen zien naar Nederlands recht. Gelet daarop gaat de kantonrechter ervan uit dat partijen – voor wat betreft de rechtsvragen waarover in dit kort geding moet worden geoordeeld – een rechtskeuze hebben gemaakt voor Nederlands recht, een en ander als bedoeld in artikel 14 lid 1 Rome II.
Naar het oordeel van de kantonrechter is een situatie als omschreven in artikel 14 lid 2 Rome II niet aan de orde, omdat niet kan worden gezegd dat alle op het tijdstip van de schadeveroorzakende gebeurtenis mogelijke aanknopingspunten zich in een ander land dan Nederland bevinden.
Bevoegdheid kantonrechter
Omdat de kantonrechter bevoegd is om de vordering in reconventie te beoordelen, is, gelet op de samenhang tussen de vordering in reconventie en die in conventie, de kantonrechter ook bevoegd ter zake de vordering in conventie. Dit op grond van artikel 94 lid 3 Rv. Het verweer van [gedaagde] op dit punt wordt verworpen.
Vordering in kort geding
Het gaat hier om een vordering in kort geding. Dergelijke vorderingen kunnen worden toegewezen in het geval van een spoedeisende zaak waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad vereist is (artikel 254 lid 1 Rv). Het gaat in een kort geding uitdrukkelijk om een voorlopige voorziening, een ordemaatregel. Een oordeel in kort geding is niet van beslissende invloed op het oordeel in een eventueel nog te voeren bodemprocedure (artikel 256 Rv).
Vordering tot teruggave voertuig
Marvel vordert teruggave van het voertuig, op straffe van een dwangsom. Het standpunt van Marvel is dat [gedaagde] het voertuig zonder recht of titel onder zich houdt.
[gedaagde] voert als verweer aan dat hij zich rechtsgeldig beroept op een retentierecht. Het standpunt van [gedaagde] is dat hij gerechtigd is om de nakoming van de verplichting tot afgifte van het voertuig aan Marvel op te schorten, totdat zijn vordering uit hoofde van de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst wordt voldaan.
Doordat [gedaagde] zich op een retentierecht beroept, ontstaat een nieuwe complicatie vanuit het internationaal privaatrecht, voor wat betreft het toepasselijk recht aan de hand waarvan de rechtsgeldigheid van het retentierecht moet worden beoordeeld.
Artikel 10:129 BW bepaalt dat (i) het ontstaan en de inhoud van een recht van retentie wordt bepaald door het recht dat de daaraan ten grondslag liggende rechtsverhouding beheerst, en (ii) een recht van retentie slechts geldend kan worden gemaakt voor zover het recht van de staat op welks grondgebied de zaak zich bevindt, dat toelaat.
In deze zaak is het niet zozeer het ontstaan en de inhoud van het retentierecht van [gedaagde] aan orde, als wel de vraag of het retentierecht door [gedaagde] geldend kan worden gemaakt tegenover Marvel. Omdat het voertuig zich bevindt op het grondgebied van Nederland, moet dit worden beoordeeld naar Nederlands recht.
Artikel 3:290 BW bepaalt dat een retentierecht is de bevoegdheid die in de bij de wet aangegeven gevallen aan een schuldeiser toekomt, om de nakoming van een verplichting tot afgifte van een zaak aan zijn schuldenaar op te schorten totdat de vordering wordt voldaan. Een retentierecht is een verschijningsvorm van het algemene opschortingsrecht, dat is neergelegd in artikel 6:52 BW.
Een noodzakelijk vereiste voor een rechtsgeldig inroepen van een retentierecht, betreft het bestaan van een opeisbare vordering van de schuldeiser ([gedaagde]) op de schuldenaar (Marvel). Marvel betoogt dat die opeisbare vordering van [gedaagde] er niet is. Dit standpunt van Marvel wordt verworpen, gelet op het oordeel in dit vonnis over de reconventionele vordering.
Marvel heeft voorts betoogd dat niet voldaan is aan het ‘voldoende samenhang’-criterium uit artikel 6:52 BW. Dat ‘voldoende samenhang’-criterium is opgebouwd uit (i) de wederzijdse samenhang van de verbintenissen (de connexiteit) en (ii) de omvang van de opschorting (de proportionaliteit).
Ten aanzien van de connexiteit heeft Marvel aangevoerd dat dit verband er onvoldoende is, omdat de arbeidsovereenkomst tussen Marvel en [gedaagde] niet kan worden aangemerkt als een overeenkomst die is gesloten ten behoeve van de zaak (de vrachtwagen) waarvan door [gedaagde] de afgifte wordt opgeschort. Marvel heeft daarbij verwezen naar uitspraken van de rechtbank Zeeland-West Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2019:2115) en het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2021:3583).
Het standpunt van Marvel ten aanzien van de connexiteit is onjuist. Naar het oordeel van de kantonrechter is sprake van voldoende connexiteit tussen de verbintenissen over en weer. De op Marvel rustende verbintenis tot betaling van loon vloeit rechtstreeks voort uit de arbeidsovereenkomst. De op [gedaagde] rustende verbintenis die hem verplicht tot teruggave van het voertuig aan Marvel vloeit ook – in ieder geval mede – voort uit de arbeidsovereenkomst. Dat laatste komt doordat [gedaagde] – geabstraheerd van het tekortschieten van de zijde van Marvel – zich niet alleen in algemene zin dient te onthouden van het bezet houden en niet willen afgeven van het voertuig (artikel 3:296 BW), maar ook in zijn hoedanigheid van werknemer van Marvel (artikel 7:611 BW). Een werknemer dient zich ten opzichte van zijn werkgever immers te allen tijde te gedragen als een ‘goed werknemer’ in de zin van die bepaling. Overigens heeft Marvel in de punten 1.7 en 2.5 van de dagvaarding ook zelf gesteld dat de plicht van [gedaagde] om het voertuig terug te geven voortkomt uit de arbeidsovereenkomst.
De rechtspraak die Marvel noemt is niet relevant, omdat daar de discussie was of een retentierecht door een schuldeiser kon worden ingeroepen tegenover een derde. Dat is in deze zaak niet het geval, omdat de discussie over het retentierecht speelt tussen de schuldeiser ([gedaagde]) en de schuldenaar (Marvel).
Ten aanzien van de proportionaliteit heeft Marvel aangevoerd dat de loonvordering van [gedaagde] een veel lagere waarde vertegenwoordigt dan de marktwaarde die het voertuig van Marvel vertegenwoordigt. Dat is op zichzelf juist, maar het betekent niet noodzakelijkerwijs dat de opschorting door [gedaagde] daarmee disproportioneel is. De kantonrechter weegt hierbij mee dat nauwelijks voorstelbaar is dat voor [gedaagde] andere zaken voorhanden waren waarop hij een retentierecht zou kunnen uitoefenen. Vanuit proportionaliteitsoogpunt was het voor [gedaagde] daarom lastig om een keuze te maken die minder belastend was voor Marvel.
Marvel heeft ook nog aangevoerd dat zij schade lijdt doordat het voertuig dat door [gedaagde] bezet wordt, stilstaat en daarmee als gevolg daarvan geen economische activiteiten kunnen worden ondernomen (pleitnota, punt 3.2). Hoewel Marvel dit punt met name heeft aangevoerd ter onderbouwing van het spoedeisend belang, vat de kantonrechter dit ook op als een verweer in het kader van de proportionaliteit van de opschorting.
De kantonrechter verwerpt het standpunt van Marvel op dit punt, omdat Marvel alleen in algemene zin heeft betoogd dat zij schade lijdt. De schade is op geen enkele wijze concreet inzichtelijk gemaakt door Marvel. Dat had wel op de weg van Marvel gelegen, indien zij zich met succes zou willen beroepen op de stelling dat de omvang van het door [gedaagde] ingeroepen opschortingsrecht niet in verhouding staat tot de vordering die [gedaagde] op Marvel stelt te hebben.
De conclusie is dat voldaan is aan het ‘voldoende samenhang’-vereiste als bedoeld in artikel 6:52 BW. Meer in het algemeen is de conclusie dat – naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter – het retentierecht door [gedaagde] rechtsgeldig wordt ingeroepen. De door Marvel ingestelde vordering wordt daarom afgewezen.
Gelet op het voorgaande hoeft niet de vraag te worden beantwoord of Marvel, gelet op artikel 5:2 BW, überhaupt wel bevoegd is om een zaak waarvan zij geen eigenaar is (in dit geval: de trailer die door de vrachtwagen getrokken wordt) te revindiceren.
Proceskosten in conventie en reconventie
Marvel is in het ongelijk gesteld, zowel in conventie als in reconventie. Marvel moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde (conventie)
- salaris gemachtigde (reconventie)
€
€
1.154,00
1.154,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.452,00
6. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
wijst de vorderingen van Marvel af,
in reconventie
veroordeelt Marvel tot betaling aan [gedaagde] van het netto equivalent van een bedrag van € 19.519,04 bruto vanwege loon, vermeerderd met € 13.054,00 netto vanwege dagvergoedingen, welk totaalbedrag wordt verminderd met de door Marvel gedane betalingen van € 14.680,00 netto,
in conventie en in reconventie
veroordeelt Marvel in de proceskosten van € 2.452,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Marvel niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de beslissingen opgenomen onder 6.2 en 6.3.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.