ECLI:NL:RBOVE:2026:1404

ECLI:NL:RBOVE:2026:1404

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 16-03-2026
Zaaknummer 08-224749-25 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Almelo

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt een 40-jarige man tot een gevangenisstraf van acht jaren en betaling van een schadevergoeding van € 3.500,00 aan de zus van het slachtoffer. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van doodslag.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-224749-25 (P)

Datum vonnis: 17 maart 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] ,

nu verblijvende in de P.I. [locatie] .

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 24 februari 2026 en 3 maart 2026.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. K. Tunç, advocaat in Hengelo, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op

19 augustus 2025 in Enschede:

feit 1: al dan niet met voorbedachte raad, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door hem in de rug dan wel in het bovenlichaam te steken;

feit 2: 49,84 gram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 19 augustus 2025 te Enschede, in ieder geval in Nederland,

[slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door twee maal, althans een of meerdere ma(a)l(en), met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug, althans in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] te steken, waardoor (ernstig) bloedverlies en/of functiestoornissen van de ademhaling en longen zijn opgetreden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 augustus 2025 te Enschede, in ieder geval in Nederland,

[slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door twee maal, althans een of meerdere ma(a)l(en), met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug, althans in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] te steken, waardoor (ernstig) bloedverlies en/of functiestoornissen van de ademhaling en longen zijn opgetreden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

2.

hij of omstreeks 19 augustus 2025 te Enschede, in ieder geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in totaal) (ongeveer) 49,84 gram (te weten 48,19 gram en/of 1,65 gram) cocaïne, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3. De voorvragen

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie

niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte voor feit 2, nu dit feit aan een tweede (inhaal)dagvaarding is toegevoegd zonder dat de eerder uitgegane en betekende dagvaarding is ingetrokken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman deelt het standpunt van de officier van justitie.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat op 24 oktober 2025 een eerste dagvaarding is uitgegaan, waarop alleen feit 1 stond vermeld. Deze dagvaarding is op 27 oktober 2025 aan verdachte uitgereikt. Vervolgens is op 20 november 2025 een tweede dagvaarding uitgegaan, met daaraan feit 2 toegevoegd, die op 24 november 2025 aan verdachte is uitgereikt.

Op grond van artikel 266, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) kan de officier van justitie de (in dit geval: eerste) dagvaarding intrekken, zolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat de tweede dagvaarding door de officier van justitie is uitgebracht na of onder intrekking van de eerste dagvaarding.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat moet worden uitgegaan van de eerste dagvaarding, waarop alleen feit 1 aan verdachte is ten laste gelegd. Op grond van artikel 258, eerste lid, Sv is het rechtsgeding immers aangevangen op het moment dat de officier van justitie de inleidende dagvaarding aan de verdachte betekent. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het uitbrengen van een tweede (inhaal)dagvaarding ter zake van hetzelfde feit in strijd is met het wettelijk systeem, indien op grondslag van de inleidende dagvaarding nog niet onherroepelijk is beslist. Dat is hier het geval. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van verdachte voor feit 2.

De overige voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de (eerste) dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging voor feit 1 en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich - overeenkomstig het op schrift gestelde requisitoir - op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de aan hem onder 1 primair ten laste gelegde moord, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De onder 1 subsidiair ten laste gelegde doodslag kan wel wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - overeenkomstig het op schrift gestelde pleidooi - eveneens bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde moord, omdat geen sprake is van voorbedachte raad. De subsidiair ten laste gelegde doodslag kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank

De feitelijke gang van zaken

De rechtbank gaat op basis van het dossier, het verhandelde ter terechtzitting en de camerabeelden die onderdeel uitmaken van het dossier, uit van de volgende relevante feiten en omstandigheden.

Op 19 augustus 2025, omstreeks 07:20 uur, in Enschede zitten verdachte en het slachtoffer

[slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) samen in de auto van verdachte. Op enig moment ontstaat er onenigheid tussen hen. Verdachte parkeert daarom de auto voor de Aldi aan de Jan Vermeerstraat en vraagt herhaaldelijk aan [slachtoffer] om uit de auto te stappen. Verdachte opent daartoe van binnenuit het portier aan de bijrijderszijde. Hier geeft [slachtoffer] geen gehoor aan. Daarna stapt verdachte aan de bestuurderszijde uit de auto en loopt achter de auto langs naar het bijrijdersportier. Vervolgens komt het tot een fysiek conflict. Verdachte trekt [slachtoffer] tot tweemaal toe uit de auto en steekt hem meermalen in het bovenlichaam - waaronder twee keer in de rug - met een groot, scherp en puntig voorwerp dat hij uit de passagiersdeur van zijn auto heeft gepakt. Verdachte is vervolgens in zijn auto gestapt en weggereden, terwijl [slachtoffer] zwaargewond achterbleef.

[slachtoffer] wordt vervolgens, na meldingen van derden, omstreeks 07:45 uur door politieagenten even verderop liggend aangetroffen in een bloemperk tegenover de Jumbo aan de Jan van Goyenstraat. Hij heeft geen ademhaling, een grauw gezicht, zit onder het bloed en er stroomt bloed uit steekwonden op zijn rug. Een reanimatie wordt gestart, maar om 07:59 uur wordt het overlijden van [slachtoffer] ter plekke door het ambulancepersoneel vastgesteld.

De forensisch patholoog constateert dat [slachtoffer] onder meer twee steekwonden, links in zijn rug, heeft. De steekkanalen van die wonden hebben dieptes van circa 12 en 11,5 centimeter. De linkerborstholte, de linkerlong en het middenrif zijn geperforeerd. Dit heeft geleid tot ernstig bloedverlies en functiestoornissen van de ademhaling en longen. Op basis hiervan kan het overlijden van [slachtoffer] zonder meer worden verklaard. De steekletsels zijn toegebracht door krachtinwerking met één of meerdere puntige, langwerpige en scherp- tot gladrandige voorwerpen.

De verklaring van verdachte

Verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer] meerdere keren heeft gestoken. Hij heeft verklaard dat hij een scherp voorwerp uit het autoportier aan de bijrijderskant heeft gepakt, omdat [slachtoffer] zijn auto niet uit wilde en agressief kon worden. Nadat verdachte [slachtoffer] tot twee keer toe uit de auto had getrokken, ontstond er een worsteling tussen hen beiden. Op enig moment sloeg [slachtoffer] verdachte op zijn kaak, waarna verdachte [slachtoffer] meerdere keren heeft gestoken met het voorwerp dat hij vasthad. In elk geval de laatste steek was bewust en met kracht, in de rug van [slachtoffer] .

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte [slachtoffer] meerdere keren met een scherp en puntig voorwerp in de rug heeft gestoken, als gevolg waarvan [slachtoffer] is overleden.

Vrijspraak feit 1 primair: moord

Voor een bewezenverklaring van ‘voorbedachten rade’ moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde voorbedachten rade te komen. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat bij verdachte sprake is geweest van een vooropgezet plan om [slachtoffer] om het leven te brengen en ook niet dat verdachte tijdens het ontstane conflict tijd heeft gehad om zich te kunnen beraden op zijn voorgenomen handelen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de primair ten laste gelegde moord.

Feit 1 subsidiair: doodslag

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of verdachte met zijn handelen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .

De rechtbank is van oordeel dat - op basis van het dossier en de verklaringen van verdachte -niet kan worden vastgesteld dat verdachte de intentie had om [slachtoffer] van het leven te beroven, zodat van vol opzet geen sprake is.

Opzet kan echter ook bestaan in de vorm van voorwaardelijk opzet. Van voorwaardelijk opzet is sprake als verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een bepaald gevolg (in dit geval de dood van [slachtoffer] ) zal intreden. Vooropgesteld wordt dat de beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Hierbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Verdachte moet zich bewust zijn geweest van deze kans en moet deze kans ook hebben aanvaard. Verder is van belang dat naar vaste rechtspraak bepaalde handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat degene die de handelingen heeft verricht de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.

Verdachte heeft [slachtoffer] tweemaal met kracht, met een lang, scherp voorwerp in de rug gestoken. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenlichaam kwetsbare en vitale organen bevinden. Bij het met (voldoende) kracht steken in de rug bestaat een aanmerkelijke kans dat die organen worden geraakt en dat als gevolg hiervan het slachtoffer zou kunnen overlijden. Dat verdachte met aanzienlijke kracht heeft gestoken kan worden vastgesteld aan de hand van het rapport van de forensisch patholoog. De toegebrachte steekwonden zijn namelijk dermate diep dat onder meer de linkerborstholte, de linkerlong en het middenrif van [slachtoffer] zijn geperforeerd. Gelet daarop en in het bijzonder ook gelet op de aanzienlijke lengte van het steekvoorwerp - zoals op de camerabeelden is te zien - overweegt de rechtbank dat door het tweemaal met kracht steken in de rug sprake was van de aanmerkelijke kans dat dodelijk letsel aan [slachtoffer] zou worden toegebracht. Deze kans heeft zich ook verwezenlijkt.

De rechtbank is verder van oordeel dat de hiervoor genoemde, door verdachte verrichte, handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het doden van [slachtoffer] dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte die aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] ook bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties daartoe is niet gebleken. Daarmee heeft verdachte voorwaardelijk opzet gehad op de dood van [slachtoffer] .

De rechtbank acht de subsidiair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit onder 1 heeft begaan, met dien verstande dat:

1. subsidiair

hij op of omstreeks 19 augustus 2025 te Enschede, in ieder geval in Nederland,

[slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door tweemaal, althans een

of meerdere ma(a)l(en), met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug, althans in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] te steken, waardoor

(ernstig) bloedverlies en/of functiestoornissen van de ademhaling en longen zijn

opgetreden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Noodweer

De standpunten van de verdediging en de officier van justitie

De raadsman heeft primair een beroep gedaan op noodweer en daartoe aangevoerd dat sprake was van een noodweersituatie waarin verdachte zich gerechtvaardigd heeft verdedigd. In de visie van de verdediging heeft [slachtoffer] verdachte in de auto met een vuurwapen bedreigd, verdachte buiten de auto een stoot gegeven met een vuurwapen in zijn hand en daarbij herhaaldelijk doodsbedreigende uitlatingen gedaan. Verdachte heeft [slachtoffer] na die stoot - onbewust - twee keer gestoken. Daarna maakte [slachtoffer] een doorlaadbeweging met het vuurwapen, zoals volgens de verdediging te zien is op de camerabeelden, waarbij hij nogmaals riep dat hij verdachte een kogel door het hoofd zou jagen. Op dat moment heeft verdachte hem één keer bewust uit zelfverdediging gestoken. De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De officier van justitie heeft betwist dat sprake is geweest van een noodweersituatie voor verdachte. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het door de verdediging gestelde scenario niet aannemelijk is geworden, onder meer gelet op de tegenstrijdige verklaringen van verdachte en de camerabeelden van de interactie tussen verdachte en [slachtoffer] .

Juridisch kader noodweer

Voor een geslaagd beroep op noodweer in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is allereerst vereist dat aannemelijk is geworden dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging tegen (een onmiddellijk dreigend gevaar voor) een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van iemands eigen of een anders lijf, eerbaarheid of goed. Met andere woorden, het moet aannemelijk zijn dát er een noodweersituatie was. De manier waarop verdachte zich in die situatie heeft verdedigd moet bovendien noodzakelijk en geboden zijn (subsidiariteits- en de proportionaliteitseis).

Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard wanneer de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als ‘verdediging’, maar - naar de kern bezien - als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.

De overwegingen van de rechtbank

In de eerste plaats overweegt de rechtbank dat verdachte over de feitelijke toedracht van de door hem gestelde noodweersituatie wisselend en op essentiële punten zelfs tegenstrijdig heeft verklaard.

In zijn eerste politieverhoor op 19 augustus 2025 heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] het vuurwapen bij zijn broeksband had en dat [slachtoffer] een beweging maakte alsof hij greep naar het vuurwapen, waarna verdachte uit verdediging iets scherps had gepakt en daarmee had gestoken. Ook heeft verdachte in dat verhoor verklaard dat hij niet wist of [slachtoffer] het vuurwapen in de hand had of dat hij het vuurwapen nog moest pakken.

Op 20 augustus 2025 heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij niet meer zeker wist of [slachtoffer] het vuurwapen nog vast had of had weggestopt, maar dat [slachtoffer] met zijn rechterhand bij zijn zakken zat. [slachtoffer] had zijn hand in een vuist gebald, dus verdachte dacht dat hij het vuurwapen nog vast zou hebben. Uit een reflex heeft verdachte iets gepakt en een stoot gegeven om daar weg te komen. In datzelfde verhoor heeft verdachte ook verklaard dat hij de punt van het wapen uit de handpalm van [slachtoffer] zag steken, toen hij hem die stoot gaf.

In zijn politieverhoor van 21 augustus 2025 verklaarde verdachte - na het bekijken van de camerabeelden van het voorval - dat hij het vuurwapen zag en dat hij [slachtoffer] een stoot heeft gegeven om hem weg te krijgen en daar zo snel mogelijk weg te komen.

Bij de rechter-commissaris verklaarde verdachte op 22 augustus 2025 dat [slachtoffer] het vuurwapen bij zijn heup had en dat [slachtoffer] hem op straat een stoot gaf terwijl hij het vuurwapen vast had. Verdachte probeerde zich te verdedigen door een stekende beweging te maken. Toen verdachte van de andere kant kwam, bedreigde [slachtoffer] hem weer en heeft verdachte een beweging gemaakt met wat hij in zijn hand had.

Op 29 augustus 2025 heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij ‘de meeste van de tijd’ het vuurwapen in de hand van [slachtoffer] zag.

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij door [slachtoffer] met het vuurwapen tegen zijn kaak werd geslagen, dat [slachtoffer] het vuurwapen vanaf dat moment de hele tijd in zijn hand had en dat verdachte hem uit zelfverdediging (bewust) heeft gestoken toen [slachtoffer] het vuurwapen doorlaadde. Over dat doorladen heeft verdachte in zijn eerdere verhoren echter in het geheel niet verklaard, terwijl deze handeling in het ter terechtzitting gevoerde noodweerverweer juist centraal staat. Dit maakt reeds dat het ter zitting gepresenteerde noodweerscenario niet aannemelijk is geworden.

Daarbij komt nog dat [slachtoffer] al door verdachte was gestoken op het moment dat [slachtoffer] de veronderstelde doorlaadbeweging zou hebben gemaakt waardoor volgens de verdediging een noodweersituatie ontstond. Eén van de twee dodelijke steken was immers op dat moment - dus vóór de gestelde noodweersituatie - reeds door verdachte aan [slachtoffer] toegebracht.

Daarnaast wordt de meest recente verklaring van verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet ondersteund door de beschikbare camerabeelden in het dossier. Op basis van die camerabeelden kan namelijk, anders dan de verdediging heeft gesteld, niet worden vastgesteld dat [slachtoffer] het vuurwapen - voordat verdachte de steekverwondingen aan hem toebracht - in zijn hand heeft gehad, laat staan dat te zien zou zijn dat [slachtoffer] dit vuurwapen op enig moment doorlaadde. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] zijn telefoon op enig moment in zijn hand heeft gehad, omdat met dat toestel een foto is gemaakt tijdens de schermutseling. Ook staat het naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat [slachtoffer] tijdens het incident een vuurwapen bij zich had, getuige het feit dat hij dit na de schermutseling door de achterruit van de auto van verdachte heeft gegooid. Het is echter niet aannemelijk geworden dat [slachtoffer] dat vuurwapen tijdens de schermutseling in zijn hand had, laat staan dat hij het daadwerkelijk richting verdachte (op een bedreigende manier) heeft gebruikt op het moment dat verdachte besloot hem te steken.

Tot slot hecht de rechtbank belang aan de uiterlijke verschijningsvorm van het gedrag van verdachte, zoals te zien op de camerabeelden. Van de angst en paniek, waarover verdachte heeft verklaard, is niets te zien. Hij oogt en handelt daarentegen rustig, gedecideerd en adequaat. Zowel wanneer hij [slachtoffer] uit de auto trekt en hem toespreekt, als wanneer hij terugloopt naar zijn auto nadat hij [slachtoffer] voor de laatste keer heeft gestoken. Verdachte neemt zelfs de tijd om zijn pet van de grond op te rapen, voordat hij terugloopt naar zijn auto om weg te rijden. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte degene is die zich telkens in de richting van [slachtoffer] beweegt, terwijl [slachtoffer] achteruit loopt. De rechtbank is van oordeel dat verdachte de regie over de situatie voerde en tijdens het incident de rol van agressor had. Hij was het gedrag van [slachtoffer] klaarblijkelijk zat en handelde uit boosheid. Dit blijkt ook uit eerdere mededelingen van verdachte tijdens verhoren over de aanloop naar het incident; dat hij geen wapen in zijn auto wilde hebben. Daarbij hecht de rechtbank ook belang aan de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] die bevestigen dat verdachte degene was die agressief overkwam.

Een en ander brengt mee dat de door verdachte gestelde noodweersituatie niet aannemelijk is geworden. De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer.

Conclusie: strafbaarheid feit

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 287 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 subsidiair

het misdrijf: doodslag.

6. De strafbaarheid van verdachte

Putatief noodweer

De standpunten van de verdediging en de officier van justitie

De verdediging heeft subsidiair een beroep gedaan op putatief noodweer, indien de rechtbank van oordeel is dat niet duidelijk is dat [slachtoffer] het vuurwapen in handen had, waardoor verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Gelet op de dreiging die verdachte van [slachtoffer] ervaarde, het feit dat [slachtoffer] zwaar onder invloed was en dat verdachte bekend was met de agressie van [slachtoffer] , mocht hij in redelijkheid menen dat hij zich moest verdedigen zoals hij heeft gedaan.

De officier van justitie heeft betwist dat sprake is van putatief noodweer.

Juridisch kader putatief noodweer

Voor een geslaagd beroep op putatief noodweer is vereist dat sprake was van verontschuldigbare dwaling aan de kant van verdachte over het bestaan van een noodweersituatie, waarbij verdachte gerechtvaardigd in de veronderstelling heeft geleefd dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, dan wel een onmiddellijke dreiging daarvoor. Dit kan het geval zijn als hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan, omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigend gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. Aannemelijk dient te zijn dat er objectieve omstandigheden waren die verdachte redelijkerwijze aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij dreigde te worden aangevallen. De subjectieve ervaring van verdachte is daarbij niet leidend. Een geslaagd beroep op putatief noodweer heeft tot gevolg dat geen schuld kan worden verweten aan verdachte.

De overwegingen van de rechtbank

Nu de rechtbank oordeelt dat het gedrag van verdachte kan worden aangemerkt als aanvallend, namelijk gericht op de confrontatie met [slachtoffer] , kan ook het beroep op putatief noodweer niet slagen. De rechtbank verwerpt het beroep op putatief noodweer.

Conclusie: strafbaarheid verdachte

Er zijn ook geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het subsidiair bewezen verklaarde feit onder 1.

7. De op te leggen straf of maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte zal worden opgelegd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging in strafverminderende zin rekening te houden met de proactieve proceshouding van verdachte, het feit dat verdachte de situatie ten zeerste betreurt en de slechte gezondheidssituatie van verdachte.

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

De ernst van het feit

Verdachte heeft [slachtoffer] om het leven gebracht door hem - midden op straat - meermalen te steken met een puntig en scherp voorwerp. Dit betreft een zeer ernstig feit, waarvan de gevolgen op geen enkele wijze ongedaan kunnen worden gemaakt. Verdachte heeft [slachtoffer] daarmee het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. Een feit als dit veroorzaakt onherstelbaar leed voor de nabestaanden en leidt tot heftige gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. Des te meer nu de steekpartij heeft plaatsgevonden op de openbare weg voor de ogen van toevallige passanten en enkelen van hen het slachtoffer hevig bloedend en in doodsnood hebben zien liggen. Ook zijn meerdere buurtbewoners getuige geweest van het conflict en de nasleep daarvan. De rechtbank rekent het verdachte ernstig aan dat hij een conflict nodeloos heeft laten ontaarden in de dood van iemand die nog een heel leven voor zich had.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 20 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor geweldsfeiten.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 17 februari 2026 dat over verdachte is opgesteld door [reclasseringswerker] , reclasseringswerker. Daarin is te lezen dat verdachte als jonge tiener naar Nederland is gevlucht vanuit de Republiek Centraal-Afrika. In de afgelopen dertig jaar heeft hij geprobeerd een stabiel leven voor zichzelf op te bouwen, wat hem met vallen en opstaan redelijk is gelukt. Ten tijde van het delict waren overwegend beschermende factoren aanwezig. Verdachte ervaart veel lichamelijke klachten met betrekking tot zijn gezondheid, waarvoor hij onder behandeling staat bij verschillende specialisten. In het verleden is een posttraumatische stressstoornis, door blootstelling aan ramp, oorlog of andere vijandigheden, en een dissociatieve stoornis bij verdachte geconstateerd. In een afsluitbrief van Mediant staat beschreven dat verdachte ernstige slaapproblemen ervaart en dissociatieve momenten heeft waarin hij extreem agressief en gewelddadig kan worden naar anderen toe en waarin hij suïcidaal kan worden. Verdachte heeft een behandeling destijds geweigerd. Of en in welke mate dit mogelijk heeft meegespeeld bij het tenlastegelegde kan niet worden vastgesteld. Op basis van de beschikbare informatie en het beeld dat verdachte over zichzelf schetst, stelt de reclassering geen delict gerelateerde factoren vast die met een reclasseringstoezicht in het huidige kader verbeterd kunnen worden, mede omdat er bij een veroordeling een langere gevangenisstraf wordt verwacht. In dat geval zal de reclassering verdachte op termijn aanbieden om hem bij te staan bij een terugkeer naar de samenleving. Geconcludeerd wordt dat op dit moment geen meerwaarde en mogelijkheden worden gezien in het uitbrengen van een advies voor mogelijke bijzondere voorwaarden.

In aanvulling op het reclasseringsadvies merkt de rechtbank op dat verdachte weliswaar over beschermende factoren in zijn leven beschikte zoals huisvesting en inkomen uit arbeidsongeschiktheidsuitkering, maar dat het er, gelet op de inhoud van het dossier, alle schijn van had dat verdachte niet uitsluitend maatschappelijk geaccepteerde doelen nastreefde, nu grote geldstromen op een van zijn bankrekeningen drugsgerelateerd lijken te zijn. Ook de relatie tussen verdachte en slachtoffer vond zijn oorsprong in een klant-dealerverhouding.

De op te leggen straf

Gezien de ernst van het gepleegde feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank zal ook rekening houden met de proactieve proceshouding van verdachte. Hij heeft zich meewerkend en open opgesteld gedurende het hele proces en heeft ter zitting benadrukt dat hij het verloop van die bewuste ochtend en de gevolgen van zijn handelen ernstig betreurt. Dat verdachte deze afloop niet heeft gewild, is de rechtbank duidelijk.

Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.

8. De schade van benadeelde

De vordering van de benadeelde partij

Nabestaande [nabestaande] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 31.000,00 (eenendertigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- vliegticket(s) begrafenis in Turkije € 850,00

- treinkaart € 18,40

- kosten eerder afgebroken vakantie € 2.134,00

- treinkaart € 41,90

- vliegtickets terugvlucht naar Nederland € 524,00

- benzinekosten van [plaats 1] naar [plaats 2] € 150,00.

Deze schadeposten leveren opgeteld een hoger bedrag op dan het gevorderde bedrag aan materiële schade van € 3.500,00. De rechtbank zal van dit laatstgenoemde bedrag uitgaan.

Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 15.000,00 aan smartengeld en een bedrag van € 12.500,00 aan affectieschade gevorderd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade tot een bedrag van € 3.500,00 voor toewijzing in aanmerking komt. De gevorderde immateriële schade kan niet worden toegewezen, omdat de benadeelde partij - als zus van het slachtoffer - niet in aanmerking komt voor vergoeding van affectieschade en de overige immateriële schade onvoldoende is onderbouwd.

Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij

niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, gelet op de noodweerverweren. Subsidiair is betoogd dat de gevorderde materiële schade kan worden toegewezen, maar dat het toe te wijzen bedrag dient te worden gematigd gelet op met name de rol (eigen schuld) die het slachtoffer heeft gehad in het ontstaan van het conflict. De immateriële schade kan niet worden toegewezen, omdat die schade onvoldoende is onderbouwd en de benadeelde partij - de zus van het slachtoffer - niet in aanmerking komt voor vergoeding van affectieschade.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn niet (voldoende) (gemotiveerd) betwist, maar wel voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade daarom toewijzen.

De verdediging heeft gesteld dat sprake is van ‘eigen schuld’ in de zin van artikel 6:101, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), aan de zijde van het slachtoffer, gelet op zijn rol in het geheel. De rechtbank merkt echter op dat in dit geval reeds geen sprake kan zijn van vermindering van de vergoedingsplicht als bedoeld in voornoemd artikel, nu dit artikel slechts ziet op gevallen waarin sprake is van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij (en dus niet van het slachtoffer), in dit geval de zus van het slachtoffer. Daarvan is hier geen sprake.

Immateriële schade (smartengeld)

Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, anders dan vermogensschade, als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Degene die zich beroept op de aantasting van de persoon op andere wijze, zal die aantasting in persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

De benadeelde partij heeft in het voegingsformulier gesteld dat zij last heeft van psychische klachten, maar zij heeft dit niet onderbouwd met concrete gegevens. Er doet zich evenmin de situatie voor waarbij de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen.

Het voorgaande maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de opgevoerde immateriële schade onvoldoende is komen vast te staan, omdat de gestelde schade niet is onderbouwd, terwijl door of namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en zal bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Affectieschade

Op 1 januari 2019 is de Wet affectieschade en verplaatste schade in werking getreden en is het voor nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om vergoeding van affectieschade te vorderen op grond van artikel 6:108, derde en vierde lid, BW. Het overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. De kring van gerechtigden is beperkt.

De benadeelde partij is de zus van het slachtoffer. Broers en zussen van het slachtoffer vallen niet onder (een van) de in artikel 6:108, vierde lid, BW genoemde categorieën. Het uitgangspunt is dat broers en zussen geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. Alleen in bijzondere gevallen, namelijk wanneer een persoon ten tijde van de gebeurtenis in een zeer nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, kan een beroep worden gedaan op de hardheidsclausule in artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW. Dat sprake is van een dergelijke relatie heeft de benadeelde partij niet aannemelijk gemaakt. De benadeelde partij was niet aanwezig op de zitting om de vordering toe te lichten en het is de rechtbank gebleken dat zij al jaren geen contact meer had met het slachtoffer. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat de gevorderde affectieschade ook niet voor toewijzing in aanmerking komt.

Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om de nauwe persoonlijke relatie met het slachtoffer alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom ook in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Conclusie

De vordering van de benadeelde partij zal gedeeltelijk worden toegewezen tot een bedrag van € 3.500,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, zijnde op 19 augustus 2025. De rechtbank zal de benadeelde partij in het overige deel van de vordering (de gevorderde immateriële schade)

niet-ontvankelijk verklaren.

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het subsidiaire feit onder 1 is toegebracht.

Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 35 dagen, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

9. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen.

10. De beslissing

De rechtbank:

niet-ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

- verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte voor feit 2;

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 1 subsidiair

het misdrijf: doodslag;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding, feit 1 subsidiair

- wijst de vordering van de benadeelde partij [nabestaande] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 3.500,00 (bestaande uit materiële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [nabestaande] van een bedrag van € 3.500,00 (drieduizendvijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2025;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3.500,00 (drieduizendvijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

19 augustus 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 35 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige (immateriële schade)

niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. J. Wentink en mr. P. de Mos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J. ten Brink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met onderzoeknummer ONRAB25012, onderzoek Lille, gesloten op 21 oktober 2025. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Feit 1 subsidiair

1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 februari 2026, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik heb [slachtoffer] op 19 augustus 2025 in Enschede meerdere keren gestoken met een voorwerp dat ik uit mijn auto heb gepakt.

2. Het NFI-rapport forensisch pathologisch onderzoek van 12 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 322-323, 325 en 326):

1 Overledene

Naam [slachtoffer]

Bovengenoemde persoon is overleden op de openbare weg (Akkerstraat) in Enschede op 19 augustus 2025.

2 Verkregen informatie

De reanimatiepoging was niet succesvol; het overlijden is omstreeks 07.59 uur ter plaatse vastgesteld.

5 Resultaten

Bij het forensisch pathologisch onderzoek op het lichaam van

[slachtoffer] is het navolgende gebleken:

B. Uit- en inwendige schouwing

3. Aan de rug links, op circa 129 cm van de voetzolen en circa 16 cm van het midden, was een lijnvormige huidperforatie van circa 4,8 cm. Hierbij was een naar rechts en voorwaarts gericht steekkanaal met een diepte van circa 12 cm.

Het verloop was door de linker 9e tussenribruimte, de linkerborstholte, het middenrif, de ruimte achter de buikholte, de buikholte (met oppervlakkige beschadiging van de milt) en de linker 11e tussenribruimte (ter hoogte van de wervelkolom).

4. Aan de rug links, op circa 133 cm van de voetzolen en circa 11 cm van het midden, was een gebogen lijnvormige huidperforatie van circa 2,4 cm. Hierbij was een naar rechts gericht steekkanaal met een diepte van circa 11,5 cm.

Het verloop was door de linker 9e tussenribruimte (met beschadiging van de 9e rib) en de linkerborstholte tot in de onderkwab van de linkerlong.

6 Interpretatie van resultaten

Steekletsel

Aan het lichaam waren drie steekletsels door krachtinwerking met één of meerdere puntige, langwerpige en scherp- tot gladrandige voorwerpen (zoals een mes).

Bij de steekletsels aan de linkerzijde van de rug was er perforatie van onder meer de linkerborstholte, de linkerlong en het middenrif. Deze steekletsels hebben geleid tot ernstig bloedverlies, alsook functiestoornissen van de ademhaling en longen. Op basis hiervan kan het overlijden zonder meer worden verklaard.

7 Conclusie

[slachtoffer] is overleden als gevolg van twee steekletsels aan de rug links (met perforatie van onder meer de linkerborstholte, de linkerlong en het middenrif).

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?