ECLI:NL:RBOVE:2026:1416

ECLI:NL:RBOVE:2026:1416

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 10-03-2026
Datum publicatie 16-03-2026
Zaaknummer C/08/339820 / HA RK 25-79
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

In 2022 hebben twee aandelentransacties plaatsgevonden waarbij eiseres partij was. In dat kader is aan gedaagden schriftelijk opdracht gegeven voor due diligence ondersteuning. Volgens eiseres is gedaagden tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen, waardoor eiseres schade heeft geleden. Om haar rechtspositie in een eventueel te starten civiele procedure tegen gedaagden beter te kunnen inschatten, verzoekt eiseres de rechtbank te bevelen dat twee medewerkers van gedaagden, die de opdracht hebben uitgevoerd, als getuige zullen worden gehoord. Gedaagden stelt zich op het standpunt dat eiseres onvoldoende belang heeft bij het voorlopig getuigenverhoor en het verzoek daarom moet worden afgewezen. De rechter wijst het verzoek gedeeltelijk toe.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer / rekestnummer: C/08/339820 / HA RK 25-79

Beschikking van 10 maart 2026

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

uit [vestigingsplaats 1] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. M.G. Jansen,

tegen

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

1. [gedaagde 1] B.V.,

2. [gedaagde 2] B.V.,

3. [gedaagde 3] B.V.,

uit [vestigingsplaats 2] ,

verwerende partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagden] ,

advocaat: mr. J.M.H.W. Bindels.

1. Waar gaat deze zaak over?

In 2022 hebben twee aandelentransacties plaatsgevonden waarbij [eiseres] partij was. In dat kader is aan [gedaagden] schriftelijk opdracht gegeven voor due diligence ondersteuning. Volgens [eiseres] is [gedaagden] tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen, waardoor [eiseres] schade heeft geleden. Om haar rechtspositie in een eventueel te starten civiele procedure tegen [gedaagden] beter te kunnen inschatten, verzoekt [eiseres] de rechtbank te bevelen dat twee medewerkers van [gedaagden] , die de opdracht hebben uitgevoerd, als getuige zullen worden gehoord. [gedaagden] stelt zich op het standpunt dat [eiseres] onvoldoende belang heeft bij het voorlopig getuigenverhoor en het verzoek daarom moet worden afgewezen. De rechter wijst het verzoek gedeeltelijk toe. Deze beslissing wordt hieronder uitgelegd.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, door de griffie ontvangen op 17 oktober 2025;

- de aanvulling op het verzoekschrift, door de griffie ontvangen op 27 januari 2026, met daarin de woonplaatsen en e-mailadressen van de voorgedragen getuigen;

- het verweerschrift met producties, door de griffie ontvangen op 27 januari 2026;

- de mondelinge behandeling van 3 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarop de advocaat van [eiseres] spreekaantekeningen heeft overgelegd en voorgedragen.

Ten slotte is beschikking bepaald op vandaag.

3. De feiten

[eiseres] was 50% aandeelhouder in [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). De overige 50% van de aandelen werden gehouden door [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ). [bedrijf 1] op haar beurt hield 100% van de aandelen in [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3] ).

Begin 2022 had [eiseres] het voornemen om de aandelen van [bedrijf 2] in [bedrijf 1] over te nemen. Verder bestond het voornemen om een deel van de aandelen van [bedrijf 1] in [bedrijf 3] te verkopen aan [bedrijf 4] B.V. (hierna: [bedrijf 4] ). De opbrengst van die laatste verkoop kon [eiseres] gebruiken voor de uitkoop van [bedrijf 2] .

[bedrijf 4] gaf Deloitte Transaction Service B.V. (hierna: Deloitte) opdracht om een due diligence onderzoek uit te voeren met betrekking tot de koop van de aandelen in [bedrijf 3] .

De rechtsvoorganger van) [gedaagden] was de accountant van [eiseres] , [bedrijf 1] en [bedrijf 3] . Tegen de achtergrond van de voorgenomen transacties, is in februari 2022 opdracht aan [gedaagden] gegeven ‘inzake due diligence ondersteuning’. Deze opdracht is vastgelegd in een opdrachtbevestiging die door [eiseres] is getekend namens [bedrijf 1] .

De werkzaamheden ter uitvoering van de opdracht van [gedaagden] werden uitgevoerd door [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] (hierna: [naam 2] ), onder verantwoordelijkheid van [naam 3] (hierna: [naam 3] ).

Voor beide transacties werd gebruik gemaakt van een door [bedrijf 4] opgestelde fund flow. [bedrijf 4] heeft ook een berekening van de equity bridge gemaakt.

Op 12 augustus 2022 vond de eerste transactie plaats waarbij [eiseres] de aandelen van [bedrijf 2] in [bedrijf 1] overnam en daardoor 100% aandeelhouder werd van [bedrijf 1] . Hiervoor had [bedrijf 3] door middel van een dividenduitkering een bedrag aan [bedrijf 1] uitgekeerd en dat bedrag heeft [bedrijf 1] vervolgens aan [bedrijf 2] uitgekeerd. Omdat het uitgekeerde bedrag onvoldoende was om de koopprijs van de [bedrijf 2] aandelen te voldoen, heeft [eiseres] nog een bedrag van [bedrijf 4] geleend.

Op 3 november 2022 vond de tweede transactie plaats waarbij [bedrijf 1] 56,8% van de aandelen in [bedrijf 3] aan [bedrijf 4] verkocht. De lening van [bedrijf 4] aan [eiseres] werd van de koopprijs afgetrokken en de resterende koopsom werd door [bedrijf 1] als dividend aan [eiseres] uitgekeerd.

Op 7 september 2023 heeft de heer [naam 4] [gedaagden] en [naam 1] aansprakelijk gesteld. [gedaagden] en [naam 1] hebben aansprakelijkheid van de hand gewezen.

[eiseres] heeft een klacht bij de Accountantskamer ingediend tegen [naam 3] , omdat de medewerkers van [gedaagden] onder zijn verantwoordelijkheid nalatig zouden zijn geweest bij de beoordeling van de door [bedrijf 4] verstrekte fund flow en equity bridge en door het niet of onjuist informeren over de voorziening ‘niet verdiende provisies’, de intercompany-schuldverhoudingen en de dividenduiterking. Op 7 april 2025 heeft de Accountantskamer de klacht ongegrond verklaard.

4. Het verzoek en het verweer

[eiseres] verzoekt de rechtbank – samengevat – een getuigenverhoor te bepalen en te bevelen dat [naam 1] en [naam 2] als getuigen zullen worden gehoord.

Aan het verzoek legt [eiseres] ten grondslag dat [gedaagden] haar zorgplicht als een redelijk bekwaam en zorgvuldig handelend opdrachtgever en adviseur heeft veronachtzaamd en bij de uitvoering van de werkzaamheden op grove wijze nalatig is geweest, waardoor [eiseres] schade heeft geleden. Volgens [eiseres] is een onderzoek naar de gang van zaken nodig, in het bijzonder naar de wijze waarop [naam 1] en [naam 2] hebben gehandeld en hun taken en verantwoordelijkheden hebben vervuld, zodat zij haar rechtspositie in een eventueel te starten civiele procedure beter kan inschatten en haar (schade)vorderingen daarin beter kan onderbouwen.

[gedaagden] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe allereerst aan dat het verzoekschrift niet voldoet aan de wettelijke vereisten. Daarnaast stelt zij dat [eiseres] onvoldoende belang heeft bij een voorlopig getuigenverhoor. Daarom vraagt zij de rechtbank het verzoek af te wijzen en [eiseres] te veroordelen in de proceskosten.

5. De beoordeling

De formele vereisten

De rechtbank stelt voorop dat het verzoekschrift is ingediend op 20 oktober 2025. Dat betekent dat het nieuwe bewijsrecht van toepassing is en het verzoek niet aan de hand van artikel 186 Rv, maar artikel 196 en 197 Rv zal worden beoordeeld.

Op grond van artikel 197 Rv moet het verzoekschrift het volgende inhouden:

een kernachtige omschrijving van het geschil of de gebeurtenis waarop het verzoek betrekking heeft en de gronden van het verzoek;

de aard en het beloop van de vordering;

de naam en woonplaats van de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is;

de namen en woonplaatsen van de personen die de verzoekende partij als getuigen wil horen.

De rechtbank stelt vast dat [eiseres] , nadat zij haar verzoekschrift heeft aangevuld met de woonplaatsen van de partijen die zij als getuigen wil horen, aan de formele vereisten van het verzoekschrift heeft voldaan.

Kader

Vervolgens geldt op grond van artikel 196 Rv als uitgangspunt dat een verzoek tot het verrichten van een voorlopige bewijsverrichting (zoals een voorlopig getuigenverhoor) wordt toegewezen, tenzij:

de informatie die verlangd wordt niet voldoende bepaald is;

er onvoldoende belang bestaat bij de voorlopige bewijsverrichting;

het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;

er sprake is van misbruik van bevoegdheid; of

andere gewichtige redenen zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.

[eiseres] stelt belang te hebben bij het houden van een voorlopig getuigenverhoor omdat zij daarmee de interne gang van zaken bij [gedaagden] kan reconstrueren en de feiten kan vaststellen. Het horen van [naam 1] en [naam 2] is volgens [eiseres] noodzakelijk voor de wijze waarop de fund flow en equity bridge zijn beoordeeld, de aard en inhoud van de begeleiding tijdens het overnameproces en de totstandkoming van de adviezen vanuit [gedaagden] aan [eiseres] , de communicatie tussen de medewerkers van [gedaagden] en de adviseurs van [bedrijf 4] en voor de vraag in hoeverre de medewerkers van [gedaagden] zich bewust waren van de nadelige gevolgen voor [eiseres] .

[gedaagden] betwist dat [eiseres] voldoende belang heeft bij een voorlopig getuigenverhoor. Zij voert daartoe aan dat de vorderingen van [eiseres] op grond van haar algemene voorwaarden zijn vervallen en haar (althans [naam 1] ) geen verwijt kan worden gemaakt. Mede daardoor is de vermeende vordering volgens [gedaagden] ook te zwak om een voorlopig getuigenverhoor te rechtvaardigen. [gedaagden] heeft verder aangevoerd dat [eiseres] met het horen van de getuigen feiten wil vaststellen die haar al bekend zijn. Volgens [gedaagden] volgt de gang van zaken rondom de transacties duidelijk uit de stukken, zoals de opdrachtbevestiging, de e-mails en de uitspraak van de Accountantskamer. In die uitspraak is bovendien reeds beslist over dezelfde verwijten die aan de orde zouden komen in een eventuele tegen [gedaagden] te starten procedure, aldus [gedaagden] . Verder heeft [eiseres] volgens [gedaagden] geen belang bij een antwoord op de vraag ‘in hoeverre medewerkers van [gedaagden] zich bewust waren van de nadelige gevolgen voor [eiseres] .’ In dat kader wijst [gedaagden] erop dat een voorlopig getuigenverhoor er niet toe dient om de bedoelingen en/of intenties van partijen te achterhalen.

Vordering vervallen/te zwak

De rechtbank stelt voorop dat de toewijsbaarheid van de mogelijk door [eiseres] in te stellen vorderingen niet ter toetsing voorligt bij dit verzoek om een voorlopig getuigenverhoor. Die vorderingen zullen onderwerp zijn van een eventuele inhoudelijke behandeling van het geschil. Daarom zal de rechtbank het argument van [gedaagden] dat de vorderingen van [eiseres] zijn vervallen of te zwak zijn om het verzoek te kunnen toewijzen, niet in haar beoordeling van dit verzoek betrekken.

(On)voldoende belang

Met betrekking tot het verweer van [gedaagden] dat [eiseres] onvoldoende belang heeft bij het horen van de getuigen omdat zij daarmee al bekende feiten probeert vast te stellen, oordeelt de rechtbank als volgt.

Een voorlopig getuigenverhoor heeft als doel een verzoeker in staat te stellen duidelijkheid te verkrijgen over bepaalde feiten waarvan hij in een eventuele procedure de bewijslast zal dragen. De verzoeker kan aan de hand daarvan beoordelen of het zinvol is een voorgenomen vordering in te stellen en kan de proceskansen in een eventuele procedure beter inschatten.

T.a.v. het horen van [naam 2]

De rechtbank stelt voorop dat zij, gezien de stellingen van [eiseres] en het verweer van [gedaagden] , onvoldoende belang aanwezig acht om het verzoek tot het horen van [naam 2] als getuige toe te wijzen. In het verzoekschrift wordt [naam 2] nauwelijks vermeld en ook naar aanleiding van de mondelinge behandeling heeft [eiseres] naar het oordeel van de rechthank niet voldoende aangevoerd om te kunnen beoordelen over welke feiten het getuigenverhoor van [naam 2] zou moeten gaan en waarom het verhoor van [naam 2] , met het oog op (de strekking van) de eventueel in te stellen vordering, van belang kan zijn. [eiseres] heeft weliswaar toegelicht dat [naam 2] betrokken is geweest bij het opstellen van de (jaar)stukken voorafgaand en na het sluiten van de transacties en dat zij contact heeft gehad met Deloitte, maar [gedaagden] heeft dit betwist. Bovendien acht de rechtbank dit niet concreet en specifiek genoeg om te kunnen beoordelen over welk feitelijk handelen of nalaten van [gedaagden] , [eiseres] duidelijkheid wil verkrijgen met het horen van [naam 2] .

T.a.v. het horen van [naam 1]

Dit is anders voor het verzoek tot het horen van [naam 1] als getuige. [eiseres] verwijt [naam 1] dat hij nalatig is geweest bij de beoordeling van de door [bedrijf 4] verstrekte fund flow en equity bridge. [naam 1] gaf goedkeuring aan de cijfers, terwijl hij daarvóór een kritische opmerking had gemaakt over de voorziening ‘niet verdiende provisies’, aldus [eiseres] . [eiseres] stelt daarnaast dat [naam 1] tekortgeschoten is bij de beoordeling en advisering omtrent de intercompany-schulden en de afwikkeling daarvan als ook bij de berekening van de hoogte van de dividenduiterking vanuit [bedrijf 3] aan [bedrijf 1] .

Om vast te stellen of [eiseres] voldoende belang heeft om deze getuige te horen, acht de rechtbank met name de volgende e-mails van belang:

1. In een e-mail van 2 juni 2022 deelt [naam 1] zijn feedback op de informatie van Deloitte over de fund flow en equity bridge met (de advocaat van) [eiseres] . Over de voorziening ‘niet-verdiende provisies’ schrijft [naam 1] : ‘Vanwege de lange termijn is het opnemen van deze hele schuld vrij assertief in mijn ogen.’ Een paar dagen later, op 8 juni 2022, schrijft [naam 1] : ‘De EV / Equity brug en bijbehorende fundflow analyse zoals opgesteld door [bedrijf 4] heb ik gisteren besproken met Deloitte ( [naam 5] ) en ik kan de inputs terug herleiden aan de brondata en ik snap Deloitte’s wijze van analyseren.’ [eiseres] baseert haar stelling dat [naam 1] aan [bedrijf 4] akkoord heeft gegeven voor de berekening van de fund flow en de equity bridge onder andere op deze laatste

e-mail, terwijl [gedaagden] aanvoert dat [naam 1] nooit een akkoord heeft gegeven.

2. Verder schrijft [naam 1] op 4 augustus 2023: ‘Het feit dat voor beide onderdelen is gerekend met 1 fundlfow, is waar het m.i. niet goed is gegaan.’ [eiseres] meent dat [naam 1] daarmee aansprakelijkheid erkent, terwijl [gedaagden] aanvoert dat [naam 1] in deze e-mail slechts zegt dat er iets is misgegaan, maar niet dat hij iets verkeerd heeft gedaan.

Gezien de inhoud van deze e-mails en de verschillende conclusies die [eiseres] enerzijds en [gedaagden] anderzijds daaraan verbinden, volgt de rechtbank [gedaagden] niet in haar stelling dat alle feiten al bekend zijn. Gelet op het doel van een voorlopig getuigenverhoor, is de rechtbank dan ook van oordeel dat er voldoende belang aanwezig is om een getuigenverhoor van [naam 1] te bevelen. De rechtbank acht het daarbij, ter voorkoming van een fishing expedition, noodzakelijk om dit verhoor te beperken, in die zin dat de vragen zich specifiek moeten richten op de volgende, door [eiseres] genoemde, onderwerpen:

1. De beoordeling van de door [bedrijf 4] verstrekte fund flow en equity bridge en de

vraag of [naam 1] hiervoor namens [eiseres] (ten onrechte?) goedkeuring heeft gegeven aan [bedrijf 4] ;

2. De advisering van [gedaagden] omtrent de intercompany-schulden alsmede de hoogte van de dividenduitkering vanuit [bedrijf 3] aan [bedrijf 1] ;

3. Uitleg van het onder 5.12 genoemde bericht van [naam 1] van 4 augustus 2023.

Tussenconclusie

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het verzoek weliswaar zal toewijzen, maar onder de bepaling dat uitsluitend [naam 1] zal worden gehoord zoals in overweging 5.13 uiteengezet. Voor de goede orde voegt de rechtbank daaraan toe dat deze beslissing er niet aan afdoet dat, indien [eiseres] het na het horen van [naam 1] noodzakelijk zou achten dat [naam 2] (dan wel aanvullende getuigen) worden gehoord, zij daar schriftelijk en gemotiveerd om kan verzoeken aan de rechter-commissaris die de getuige heeft gehoord. Nadat [gedaagden] de gelegenheid heeft gehad haar standpunt kenbaar te maken, zal de rechter-commissaris over een dergelijk verzoek beslissen.

Het getuigenverhoor

Bij het oproepen van de getuige moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld ten minste 60 minuten duurt. De naam en de woonplaats van de getuige en het tijdstip waartegen hij is opgeroepen, moeten ten minste tien dagen voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank worden opgegeven.

De rechtbank wijst [eiseres] erop dat de rechtbank voor het verhoor in beginsel maximaal 60 minuten zal reserveren. Als [eiseres] van mening is dat meer tijd noodzakelijk is, moet zij dit – binnen 14 dagen na dagtekening van deze beschikking – gemotiveerd aan de rechter verzoeken.

Omdat [gedaagden] al in het bezit is van het verzoekschrift en een afschrift van deze beschikking ontvangt, is [eiseres] niet gehouden [gedaagden] een afschrift van deze stukken te verstrekken.

Partijen moeten erop voorbereid zijn dat de rechtbank na afloop van het getuigenverhoor op diezelfde zitting partijen kan bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Zij moeten daarom in persoon op de getuigenverhoren verschijnen.

6. De beslissing

De rechtbank

beveelt een voorlopig getuigenverhoor;

benoemt mr. J.B. Bartels tot rechter-commissaris, voor wie het getuigenverhoor zal worden gehouden;

bepaalt dat het getuigenverhoor beperkt zal zijn tot het horen van [naam 1] en tot de onderwerpen zoals hiervóór onder 5.13. genoemd;

bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw te Zwolle, Schuurmanstraat 2;

bepaalt dat [eiseres] binnen twee weken na de datum van deze beschikking schriftelijk aan de rechtbank – ter attentie van de afdeling Kanton en Handel – de getuige en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden april tot en met augustus 2026 moet opgeven waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;

Deze beschikking is gegeven door mr. M.W. Eshuis en in het openbaar uitgesproken op

10 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.B. Bartels tot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?