RECHTBANK OVERIJSSEL
Locatie Zwolle
team familie- en jeugdrecht
Zaaknummer: C/08/334426 / ES RK 25-3752 (echtscheiding)
C/08/336916 ES RK 25-5015 (verdeling)
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking van 10 maart 2026
inzake
[de vrouw],
wonende in [woonplaats 1],
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. Ph.J.N. Aarnoudse,
en
[de man],
wonende in [woonplaats 2],
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M.A. Hartman,
voorheen: mr. M.A. Baeten.
1. De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift met bijlagen binnengekomen op 12 juni 2025;
de op 23 juni 2025 binnengekomen brief, met bijlagen, van mr. Aarnoudse;
het exploot van betekening van 27 juni 2025, binnengekomen op 7 juli 2025;
het verweerschrift, met daarin een aantal zelfstandige verzoeken, binnengekomen op 25 juli 2025;
het verweerschrift op de zelfstandige verzoeken tevens houdende aanvullende verzoeken, met bijlagen, binnengekomen op 5 augustus 2025;
de op 12 september 2025 binnengekomen brief, met bijlagen, van mr. Aarnoudse;
het aanvullend, zelfstandig verzoekschrift, binnengekomen op 30 september 2025;
et aanvullend, zelfstandig verzoekschrift, met bijlagen, binnengekomen op 6 februari 2026;
de op 11 februari 2026 binnengekomen brief, met bijlagen, van mr. Aarnoudse;
de op 12 februari 2026 binnengekomen brief, met bijlagen, van mr. Aarnoudse.
De verzoeken en verweren zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van 19 februari 2026. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt. Mr. Hartman heeft tijdens de mondelinge behandeling pleitaantekeningen en een berekening van de kinderalimentatie overgelegd. Tijdens deze behandeling zijn gehoord:
de man, bijgestaan door zijn advocaat en mr. M.A. Baeten,
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
Na de mondelinge behandeling is, met toestemming van de rechtbank, binnengekomen de op 23 februari 2026 binnengekomen brief, met bijlage, van mr. Hartman.
De rechter heeft op 16 februari 2026 met [kind 1], de zoon van de vrouw en de man, gesproken. [kind 2] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn mening te geven.
2. Waar gaat het over?
Wat staat vast?
De man en de vrouw zijn op 14 december 2004 in de gemeente Deventer met elkaar getrouwd.
De man en de vrouw zijn de ouders van de volgende kinderen:
[kind 4], geboren op [geboortedatum 1] 2005 in [geboorteplaats 1];
[kind 3], geboren op [geboortedatum 2] 2007 in [geboorteplaats 2];
[kind 2], geboren op [geboortedatum 3] 2015 in [geboorteplaats 3];
[kind 1], geboren op [geboortedatum 4] 2015 in [geboorteplaats 4].
3. Het verzoek
De vrouw verzoekt de rechtbank om:
de echtscheiding tussen de vrouw en de man uit te spreken;
te bepalen dat de thans nog minderjarige kinderen van de vrouw en de man hun
hoofdverblijf bij de vrouw zullen hebben;
3. te bepalen dat er een zorgregeling geldt tussen de vader en de kinderen van om de week een weekend en de vakanties en de feestdagen in goed onderling overleg;
4. te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de thans nog minderjarige kinderen van de vrouw en de man zal dienen te betalen een bedrag van € 573,00 per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
5. te bepalen dat de vrouw jegens de man bevoegd is tot de bewoning van de echtelijke woning te [adres] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking voort te zetten;
6. de verdeling te overstaande van de notaris van de tussen de man en de vrouw bestaande huwelijksgemeenschap te bevelen met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon;
7. deze beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. Het verweer en de zelfstandige verzoeken
De man verzoekt de rechtbank om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de verzoeken van de vrouw met betrekking tot het uitspreken van de echtscheiding en de hoofdverblijfplaats van [kind 2] en [kind 1] toe te wijzen;
de door te man te betalen bijdrage voor de jongmeerderjarige kinderen vast te stellen op € 158,- per kind per maand (geïndexeerd naar 2026 € 165,- per kind per maand) en voor de minderjarige kinderen op € 331,- per kind per maand;
de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar overige verzoeken dan wel deze verzoeken af te wijzen.
De man verzoekt de rechtbank bij zelfstandig verzoek:
4. de man verzoekt de ingangsdatum van zijn bijdrage in de kosten van de kinderen vast te stellen op datum levering woning aan een derde;
5. de echtscheiding tussen de man en de vrouw uit te spreken;
6. een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen, waarbij [kind 2] en [kind 1] een doordeweekse dag per week bij de man avondeten, waarna de man om en om een van hen naar de vrouw brengt en de ander bij hem blijft slapen om vervolgens in de ochtend naar school te brengen (dit kan gepland worden op de dag dat de man de tweede ochtenddienst heeft, omdat daarna een middagdienst volgt of als de man vrij heeft op de dag dat hij de kinderen uit school haalt en de dag daarna, in verband met naar school brengen) en dat zij daarnaast beiden twee keer per maand ofwel op zaterdag van 13:00 uur tot zondag na het eten om 19:00 uur bij hem verblijven ofwel op vrijdag uit school tot zaterdag 12:30 uur, en waarbij de man de kinderen naar de vrouw brengt en de vrouw de kinderen naar de man brengt;
7. een vakantie- en bijzondere dagenregeling vast te stellen, waarbij [kind 2] en [kind 1] in de zomervakantie een voor 1 januari van dat jaar door de man aan te geven week aaneengesloten bij de man verblijven en daarnaast in twee schoolvakanties een midweek, zodat de kinderen in totaal in ieder geval twee weken vakantie bij de man doorbrengen, en daarnaast om te bepalen dat [kind 2] en [kind 1] tweede kerstdag bij de man doorbrengen en zij in de even jaren oud & nieuw bij hem vieren;
8. een bijzonder curator te benoemen krachtens artikel 1:250 BW voor [kind 1] en [kind 2].
Ten aanzien van de echtelijke woning aan [adres]:
9. primair: de man met uitsluiting van de vrouw ex artikel 3:176 lid 1 BW te machtigen om de onroerende zaak, staande en gelegen te [adres] te gelde te maken (verkoop en levering) en hem met uitsluiting van de vrouw te machtigen al het nodige te doen tot verkoop en levering van voormeld onroerend goed, waarbij onder verkoop mede moet worden begrepen het aanstellen van Postma Makelaars, Open Deur Makelaars dan wel Vrielink Makelaars, maar niet zijnde Mercurius Makelaardij, het tekenen van de verkoopopdrachten, het tekenen van het (voorlopig) koopcontract en alle andere door de notaris op te stellen akten (waaronder in ieder geval begrepen de leveringsakte) en alle andere voorkomende handelingen die betrekking hebben op de verkoop van de woning;
10. subsidiair:
de vrouw te gelasten om binnen één week na betekening van de door uw rechtbank te wijzen echtscheidingsbeschikking haar medewerking te verlenen aan het in de verkoop plaatsen van de onroerende zaak, staande en gelegen te [adres], door binnen deze termijn in ieder geval medewerking te verlenen aan het verstrekken van een verkoopopdracht aan een door uw rechtbank aan te wijzen deskundige, zijnde een NVM makelaar zoals Postma Makelaars, Open Deur Makelaars dan wel Vrielink Makelaars maar niet zijnde Mercurius Makelaardij, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat de vrouw dit nalaat;
de vrouw te gelasten om mee te werken aan de verkoop en levering van de genoemde onroerende zaak in die zin dat de vrouw uitvoering geeft aan al hetgeen volgens de betreffende makelaar nodig is om de woning te verkopen en het advies ten aanzien van de vraagprijs gegeven door de aan te wijzen deskundige op te volgen en de door deze deskundige geadviseerde laatprijs op te volgen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat de vrouw dit nalaat;
de vrouw te gelasten om alle noodzakelijke medewerking te verlenen om verkoop tot stand te kunnen brengen waaronder doch niet uitsluitend het toelaten van de makelaar en potentiële kopers van de woning en de woning in goede staat te houden/brengen voor bezichtigingen en dat er een verkoopbord aan c.q. bij de woning zal worden bevestigd, één en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of dagdeel dat de makelaar constateert dat de vrouw in gebreke blijft hieraan te voldoen;
de vrouw te gelasten om op eerste verzoek van de makelaar of van de man de verkoopakte te ondertekenen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat de vrouw dit nalaat;
de vrouw te gelasten om op eerste verzoek haar medewerking te verlenen aan het transport en de levering van de onroerende zaak, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat de vrouw dit nalaat;
te bepalen dat, indien de vrouw binnen de hiervoor genoemde termijn geen medewerking verleent aan de verkoop van de woning, althans geen medewerking verleent aan het tekenen van de verkoopakte, althans geen medewerking verleent aan het transport en de levering van de onroerende zaak, de door uw rechtbank te wijzen echtscheidingsbeschikking in de plaats treedt van de door de vrouw te verrichten rechtshandeling(en).
11. Zowel primair als subsidiair:
te bepalen dat de man en de vrouw ieder voor de helft gerechtigd zijn tot de verkoopopbrengst die resteert nadat de op de woning rustende hypothecaire geldlening is afgelost en de gebruikelijke verkoopkosten zoals makelaarskosten en notariskosten zijn voldaan;
de verdeling van de overige bestanddelen van de huwelijksgemeenschap als volgt vast te stellen:
o de personenauto Volkswagen Polo aan de man toe te delen tegen een waarde van € 8.458,-, onder de verplichting de helft van dit bedrag aan de vrouw te voldoen;
o om de Volkswagen Up aan de vrouw toe te delen tegen een waarde van € 5.582,- onder de verplichting aan de vrouw om de helft van de waarde aan de man te voldoen;
o ten aanzien van de inboedel:
• de persoonlijke eigendommen aan de betreffende persoon toe te delen;
• te bepalen dat de man en de vrouw de gezinsherinneringen gezamenlijk zullen verdelen;
• het gereedschap toe te delen aan de man (geschatte waarde € 200,-);
• de overige inboedelgoederen toe te delen aan de vrouw (geschatte waarde € 5.000);
o de man kan er vooralsnog mee instemmen dat de inboedelgoederen aan de vrouw worden toegedeeld met gesloten beurzen, indien de vrouw haar medewerking verleent aan het verdelen van de gezinsherinneringen en indien de persoonlijke eigendommen aan de man worden overhandigd;
o ten aanzien van de bankrekeningen, te bepalen dat de rekening genoemd sub a aan hem wordt toegedeeld en dat de rekening sub b aan de vrouw wordt toegedeeld, onder de verplichting de helft van deze saldi te verrekenen per datum beëindiging gezamenlijk gebruik;
o voorwaardelijk, voor zover de vrouw de camping niet heeft geïnformeerd dat zij voortaan staplaats 1 zal voortzetten en zij draagplichtig is voor de lasten die daaruit voorvloeien, evenals voor de eventueel uit staplaats 2 voortvloeiende lasten: de vrouw te gelasten om de camping te informeren dat zij voortaan staplaats 1 zal voortzetten en zij voortaan draagplichtig is voor de lasten die daaruit voortvloeien en om te bepalen dat de vrouw volledig draagplichtig is voor de uit staplaats 2 voortvloeiende lasten;
o de schuld aan de moeder van de man van € 15.908,- aan de man toe te delen, onder de verplichting voor de vrouw om de helft daarvan, te weten
€ 7.954,- aan de man te voldoen.
5. Het verweer op de zelfstandige verzoeken en het aanvullend verzoek
De vrouw wendt zich tot de rechtbank met het verzoek om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, uitgezonderd het verzoek de
echtscheiding tussen de vrouw en de man uit te spreken, de verzoeken van de man hetzij niet-ontvankelijk te verklaren, hetzij af te wijzen en te beslissen conform de
verzoeken van de vrouw;
waarbij de vrouw haar verzoek wijzigt en aanspraak zal maken op een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de thans nog minderjarige kinderen van de ouders groot € 489,- per kind per maand, bij vooruitbetaling verschuldigd;
De vrouw verzoekt de rechtbank aanvullend om de bijdrage voor de jongmeerderjarige kinderen vast te stellen op € 158,- per kind per maand, bij vooruitbetaling verschuldigd en onder voorwaarde dat de rechtbank in haar beschikking opneemt dat de man terzake de jongmeerderjarige kinderen € 158,- per kind per maand zal voldoen, kan de bijdrage voor de twee minderjarige kinderen worden gesteld op een bedrag van € 331,00 per kind per maand.
6. De beoordeling
Ouderschapsplan (ontvankelijkheid)
In de wet staat dat ouders in beginsel pas een verzoek tot echtscheiding kunnen doen als zij een ouderschapsplan hebben gemaakt waarin zij afspraken hebben gemaakt over hun kinderen.
Het is de ouders niet gelukt om een ouderschapsplan te maken. Toch vindt de rechtbank dat de ouders hier het verzoek tot echtscheiding kunnen doen.
De ouders hebben namelijk wel geprobeerd om afspraken te maken over de kinderen, maar dit is niet gelukt. In zo’n geval kan moeilijk van de ouders worden verlangd dat zij alsnog een ouderschapsplan opstellen. De rechtbank zal daarom het verzoek tot echtscheiding hierna beoordelen.
Echtscheiding
De rechtbank zal op verzoek van de vrouw en de man de echtscheiding uitspreken. In de wet staat dat je mag scheiden als je huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat het niet meer mogelijk is om met elkaar samen te leven en dat het er niet naar uitziet dat het beter wordt. De vrouw en de man hebben gezegd dat dit zo is.
Hoofdverblijfplaats
De ouders zijn het erover eens dat de hoofdverblijfplaats van [kind 1] en [kind 2] bij de moeder moet worden bepaald. De rechtbank zal overeenkomstig de overeenstemming tussen de ouders beslissen.
Zorgregeling
De ouders hebben gedeeltelijk overeenstemming bereikt over de zorgregeling. De ouders zijn het erover eens dat:
[kind 1] en [kind 2] twee keer per maand, ofwel op zaterdag van 13:00 uur tot zondag na het eten om 19:00 uur bij de vader verblijven ofwel op vrijdag uit school tot zaterdag 12:30 uur;
de vader uiterlijk in januari van ieder jaar zijn werkrooster doorstuurt naar de moeder waarna de moeder een planning maakt met betrekking tot welke weekenden [kind 1] en [kind 2] in dat jaar bij de vader zullen verblijven volgens de hiervoor genoemde regeling;
de man met [kind 1] en [kind 2] één keer per week naar de sport gaat (voor zover zij een sport uitoefenen) en voor het vervoer zorgt.
De rechtbank zal deze overeenstemming hieronder vaststellen in het dictum.
De rechtbank zal daarnaast als volgt beslissen op de geschilpunten tussen de ouders met betrekking tot de zorgregeling:
totdat de vader een huis heeft, verblijven [kind 2] en [kind 1] op een doordeweekse dag per week bij de vader waar zij zullen avondeten. Na het avondeten gaan [kind 2] en [kind 1] naar de moeder;
vanaf het moment dat de vader een huis heeft, verblijven [kind 2] en [kind 1] op een doordeweekse dag per week bij de vader waar zij zullen avondeten, waarna de vader om en om één van hen naar de moeder brengt en de ander bij hem blijft slapen om vervolgens in de ochtend naar school te brengen;
[kind 2] en [kind 1] verblijven in de zomervakantie één week aaneengesloten bij de vader en daarnaast in twee schoolvakanties een midweek. [kind 2] en [kind 1] verblijven tweede kerstdag bij de vader en in de even jaren vieren zij oud en nieuw bij de vader;
de vader stuurt uiterlijk in januari van ieder jaar zijn werkrooster door naar de moeder waarna de moeder een planning maakt met betrekking tot welke doordeweekse dag [kind 1] en [kind 2] in dat jaar wekelijks bij de vader zullen verblijven volgens de hiervoor genoemde regeling en waarbij de vader aangeeft in welke week [kind 2] en [kind 1] in de zomervakantie en in twee schoolvakanties een midweek bij hem verblijven;
de vader brengt de kinderen naar de moeder en de moeder brengt de kinderen naar de vader.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. De ouders zijn het er niet over eens of [kind 1] en [kind 2] ook op een doordeweekse dag bij de vader moeten blijven slapen of niet. De moeder maakt hier bezwaar tegen, omdat [kind 2] en [kind 1] dit volgens haar niet willen. Uit het gesprek tussen [kind 1] en de rechter volgt dat [kind 1] doordeweeks niet bij de vader wil slapen, omdat hij door de vader wel eens te laat op school is gekomen. Daarnaast heeft hij bij de vader, die nu bij zijn moeder woont, geen vrienden waar hij ’s avonds mee kan spelen. Toch zal de rechtbank bepalen dat [kind 2] en [kind 1], op het moment dat de vader een eigen huis heeft, doordeweeks (om en om) bij de vader zullen overnachten. De rechtbank vindt het namelijk belangrijk dat de vader doordeweeks ook betrokken is in het leven en bij de school van de kinderen. Uiteraard is het niet de bedoeling dat de vader te laat op school komt met de kinderen. Een langere reistijd dan voorheen is geen excuus om te laat te komen. De vader moet zorgen dat hij op tijd opstaat en op tijd van huis vertrekt met de kinderen. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling toegezegd dat dit niet meer zal gebeuren. De rechtbank begrijpt dat [kind 1] ’s avonds met zijn vrienden wil spelen en daarom dus liever bij de moeder wil slapen, maar vindt dit geen reden om het verzoek van de vader over de doordeweekse overnachting af te wijzen.
De rechtbank ziet twee ouders die veel om hun kinderen geven, maar te ver en te lang zijn weggezakt in de echtscheidingsproblematiek. De communicatie en de samenwerking tussen de ouders is niet goed en er is sprake van een slechte verstandhouding. De rechtbank houdt de ouders voor dat zij weliswaar als partners uit elkaar gaan, maar als ouders van [kind 2], [kind 1], [kind 3] en [kind 4] verder moeten gaan. Ook al zijn [kind 3] en [kind 4] meerderjarig, ook zij hebben hun ouders nog steeds nodig. De ouders moeten in het belang van de kinderen gaan werken aan de communicatie en samenwerking. De rechtbank vindt het daarom positief dat de ouders hebben aangegeven dat zij naar de hulpverlening gaan om hier samen aan te werken.
Kindbrief
De rechtbank heeft [kind 1] de volgende brief geschreven waarin zij [kind 1] heeft uitgelegd wat zij heeft beslist en waarom.
‘’ Beste [kind 1],
Ik heb met jou gesproken over de scheiding van je ouders. Jij hebt mij verteld wanneer je bij je vader en wanneer je bij je moeder wilt zijn. Daarna heb ik er met je vader en je moeder over gesproken. Zij zijn het voor het grootste deel eens. Dat is fijn voor jou. Je vader en je moeder zijn allebei belangrijk voor jou. Je vader en je moeder vinden het ook allebei belangrijk dat jij een goed contact hebt met allebei je ouders. Je ouders hebben afgesproken dat je twee weekenden per maand bij je vader bent. Van vrijdagmiddag uit school tot zaterdagmiddag of van zaterdagmiddag tot zondagavond. Welke weekenden dat zijn hangt af van het werkrooster van je vader. Ook zijn ze het erover eens dat je vader 1 keer per week meegaat naar de sport.
Ze zijn het er ook over eens dat je 1 keer per week bij je vader eet. Jij hebt me gezegd dat je die dag dan niet wilt slapen bij je vader, omdat je dan niet met vrienden kan spelen en je bang bent om de volgende dag te laat op school te komen. Ik vind dat jij en je broertje wel die dag om beurten bij je vader moeten slapen, maar pas als je vader een eigen huis heeft. Je vader heeft beloofd dat hij ervoor zal zorgen dat je dan op tijd op school komt. Ik vind het goed voor jou dat je vader zo ook doordeweeks af en toe meemaakt dat je naar school gaat. Ik heb ook beslist dat je in de zomervakantie een week bij je vader bent en met tweede kerstdag en 1 keer per twee jaar met oud en nieuw. Zo kun je ook leuke vrije dagen bij je vader zijn.
Ik hoop dat je ouders allebei een fijn nieuw huis vinden en dat je in allebei de huizen je eigen plekje kunt hebben.
Met vriendelijke groeten,
De kinderrechter,
K. van Leeuwen’’
Bijzondere curator
De man heeft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken, zodat de rechtbank hier niet meer op hoeft te beslissen.
Bijdrage jongmeerderjarigen
De rechtbank verklaart de vrouw ontvankelijk in haar verzoek en overweegt hierover als volgt. Hoewel de rechtbank Overijssel naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad van 9 mei 2025 haar interne beleid met betrekking tot de volmachten in verzoeken tot een bijdrage voor de jongmeerderjarigen per 15 oktober 2025 heeft aangepast, hetgeen is gecommuniceerd richting de Orde van Advocaten Overijssel, dateert het aanvullend verzoek van de vrouw van voor die datum, namelijk van 5 augustus 2025. De rechtbank zal het verzoek daarom in behandeling nemen.
De ouders hebben overeenstemming bereikt over de bijdrage van de man aan [kind 4] en [kind 3]. Volgens de ouders was de bijdrage voor [kind 4] en [kind 3] in 2025 € 158,- per jongmeerderjarige per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze bijdrage € 165,- per jongmeerderjarige per maand. De ouders zijn het erover eens dat de man dit moet betalen vanaf het moment dat de woning is verkocht.
De rechtbank zal overeenkomstig de overeenstemming tussen de ouders beslissen.
Kinderalimentatie
Nu de ouders overeenstemming hebben bereikt over de bijdrage van de jongmeerderjarige, zal de rechtbank met betrekking tot de kinderalimentatie uitgaan van het (aanvullend tevens voorwaardelijk) verzoek van de vrouw waarin zij in dat geval een bijdrage verzoekt van € 331,- per kind per maand.
De rechtbank zal beslissen dat de man vanaf heden een bedrag van € 314,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen. Dit betekent dat een deel van het verzoek van de vrouw wordt afgewezen. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
Ingangsdatum
Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden. De rechtbank vindt dat de man de kinderalimentatie moet betalen vanaf het moment dat hun woning is verkocht. De rechtbank beslist dit omdat de vrouw en de man geen (zelfstandige) verzoeken hebben gedaan over de ingangsdatum en de rechtbank het belangrijk vindt de ingangsdatum gelijk te stellen met de ingangsdatum van de bijdrage aan de jongmeerderjarigen. In de berekening van de draagkracht van de man houdt de rechtbank ook rekening met deze bijdragen. De rechtbank neemt daarin mee dat de man heeft gesteld, hetgeen door de vrouw is erkend, dat de man een maandelijkse bijdrage stort op de gezamenlijke bankrekening van de man en de vrouw van € 2.400,-. Van dit bedrag worden ook de kosten van de kinderen betaald. De rechtbank gaat ervan uit dat de man dit bedrag blijft betalen tot het moment van overdracht van de woning.
Behoefte van [kind 2] en [kind 1]
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt ook wel de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De rechtbank stelt de behoefte van [kind 2] en [kind 1] vast op een bedrag van € 490,- per kind per maand. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
De rechtbank volgt de behoefteberekening van de man uit productie 9, waarin rekening wordt gehouden met de kosten van [kind 4] en [kind 3]. Hieruit volgt een behoefte van € 468,- per kind per maand in 2025 voor [kind 2] en [kind 1]. In de berekening wordt uitgegaan van een inkomen uit loondienst van de man van € 68.678 in 2024. Aan de zijde van de vrouw wordt uitgegaan van een inkomen uit loondienst van € 11.155,- en € 4.796,- vanuit de Ziektewet in 2024.
De rechtbank volgt niet de behoefteberekening van de vrouw (productie 13), omdat deze niet voldoet aan de wettelijke maatstaven.
Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van [kind 2] en [kind 1] afgerond € 490,- per kind per maand.
Draagkracht van beide ouders
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt ook wel de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd.
De draagkracht van de man
De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 764,- per maand. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
Voor het bepalen van de draagkracht kijkt de rechtbank eerst naar het inkomen van de man. Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de jaaropgaaf 2025, waarin een inkomen van 71.154,- bruto per jaar staat genoemd. Hoewel het gebruikelijk is om in een draagkrachtberekening te rekenen met recente salarisspecificaties, is de rechtbank van oordeel dat het in dit geval representatiever is om te rekenen met het jaarinkomen van de man omdat zijn inkomen maandelijks sterk fluctueert vanwege de verschillende toeslagen en vergoedingen. De rechtbank zal gelet hierop rekenen met de belastingtarieven van 2025-2.
De rechtbank heeft berekend dat dit voor de man € 4.105,- netto per maand is.
Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [kind 2] en [kind 1].
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de ‘draagkrachtformule’ die de Expertgroep Alimentatie heeft ontwikkeld. In die formule wordt ervan uitgegaan dat iemand 30% van zijn netto besteedbaar inkomen aan woonlasten mag uitgeven. Dat komt hier neer op (30% van 4.105 =) € 1.232,- per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met een minimumbedrag voor overige vaste lasten van € 1.310,- per maand. In de berekening wordt daarnaast rekening gehouden met de bijdrage van de man voor [kind 4] en [kind 3]. De draagkracht van de man komt dan uit op € 764,- per maand.
Draagkracht van de vrouw
De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 238,- per maand. De rechtbank zal uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
Nu de rechtbank voor het inkomen van de man uitgaat van de inkomensgegevens in 2025, zal zij dat ook doen voor de vrouw. Uit de jaaropgaven van de vrouw van 2025 volgt een inkomen van € 19.871,- per jaar (14.444 + 2.391 + 3.036). De rechtbank heeft berekend dat dit € 2.357, - netto per maand is.
Vervolgens kijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [kind 1] en [kind 2].
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de hiervoor genoemde draagkrachtformule. In die formule wordt ervan uitgegaan dat iemand 30% van zijn netto besteedbaar inkomen aan woonlasten mag uitgeven. Dat komt hier neer op (30% van 2.357 =) € 707,- per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met een minimumbedrag aan overige vaste lasten van € 1.310,- per maand.
Van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw blijft dan een bedrag van (2.357 -/- 707 -/- 1.310 =) € 340,- over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. Dat komt neer op een bedrag van € 238,- per maand. De rechtbank verwijst naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling een beroep op de man gedaan om zich zo snel mogelijk uit te schrijven uit de woning, zodat zij aanspraak kan maken op de toeslagen waarmee ook rekening wordt gehouden in de berekening van de kinderalimentatie. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij zich uiterlijk in de week na de mondelinge behandeling zal uitschrijven.
Verdeling van de kosten
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kinderen, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt ook wel de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
Zoals hiervoor is berekend, heeft de man een draagkracht van € 764,- per maand en de vrouw een draagkracht van € 238,- per maand. Samen hebben ze dus een draagkracht van € 1.002,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [kind 2] en [kind 1] te betalen, want die zijn € 980,- per maand. Dit betekent dat de man een deel van (764/1.002 x 980 =) € 747,- per maand moet dragen. De vrouw moet een deel van (238/1.002 x 980 =) € 233,- per maand dragen.
Zorgkorting
Tot slot krijgt normaal gesproken de ouder die kinderalimentatie moet betalen een korting op die alimentatie, omdat die ouder al een deel van de kosten betaalt op het moment dat het kind bij hem/haar verblijft. Dit wordt ook wel de ‘zorgkorting’ genoemd.
Bij de hiervoor genoemde zorgregeling past naar het oordeel van de rechtbank een zorgkorting van 15% van de behoefte (980), dus € 148,- per maand. Dat betekent dat de man afgerond een bedrag van (747-/- 148 / 2 =) € 300,- per kind per maand moet betalen in 2025.
Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de kinderalimentatie afgerond € 314,- per kind per maand.
De alimentatie moet vooruit worden betaald
De rechtbank zal beslissen dat de man de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
Verdeling van de wettelijke gemeenschap van goederen
De man en de vrouw hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen en zij zijn vóór 1 januari 2018 getrouwd. Dat betekent dat door het huwelijk van partijen een wettelijke gemeenschap van goederen is ontstaan.
Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op 12 juni 2025 ontbonden.Dat betekent in beginsel dat de goederen die de man en de vrouw op die datum (de zogenoemde ‘peildatum’) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd).
De man heeft verzoeken gedaan over de vaststelling van de verdeling dan wel het gelasten van de wijze van de verdeling. De vrouw heeft de rechtbank verzocht om een bevel tot verdeling af te geven. Zij heeft de rechtbank niet verzocht om de verdeling vast te stellen dan wel de wijze van verdeling te gelasten.
De rechtbank zal per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van de feitelijke verdeling.
De volgende onderwerpen waarover verzoeken zijn gedaan worden hierna besproken:
de woning aan [adres] en het voortgezet gebruik hiervan;
de hypothecaire geldlening bij BLG wonen met leningnummer [nummer 1];
het bouwdepot bij BLG wonen met leningnummer [nummer 2];
e Volkswagen Polo en de Volkswagen Up;
de inboedel van de hiervoor genoemde woning;
het saldo op de bankrekeningen [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2];
de staplaatsen op de camping;
de schuld van € 15.908,-.
a. a) t/m c) De woning, het voortgezet gebruik, de hypothecaire geldlening en het bouwdepot
De rechtbank zal het primaire verzoek van de man met betrekking tot de woning afwijzen en het subsidiaire verzoek van de man gedeeltelijk toewijzen. De rechtbank zal de wijze van verdeling gelasten op de wijze als in het dictum omschreven. Daarnaast zal de rechtbank bepalen dat de vrouw met ingang van heden het voortgezet gebruik van de woning krijgt. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Partijen zijn het erover eens dat de woning moet worden verkocht, maar zijn het niet eens over de daarvoor in te schakelen makelaar. De man en de vrouw hebben op 20 juni 2025 een overeenkomst getekend bij Mercurius Makelaars tot opdracht tot dienstverlening bij verkoop. De man stelt zich op het standpunt dat het in het belang van partijen is dat de overeenkomst wordt ontbonden en zij een andere makelaar inschakelen. De vrouw is het hier niet mee eens en wil de overeenkomst bij Mercurius Makelaars voortzetten.
De rechtbank zal Mercurius Makelaars benoemen als verkoopmakelaar, dit tenzij partijen in samenspraak een andere makelaar inschakelen. Nu partijen de opdracht hebben gegeven aan Mercurius Makelaars om de woning te verkopen, gaat de rechtbank hier van uit. Het is in deze procedure niet aan de rechtbank om te beoordelen of deze overeenkomst kan worden ontbonden. Het staat partijen uiteraard wel vrij om dit zelf te regelen en hierna alsnog in samenspraak een andere makelaar in te schakelen. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling aangeboden om de kosten te betalen voor de ontbinding van de overeenkomst met Mercuriusmakelaar. De vrouw heeft hier vooralsnog niet mee ingestemd.
De rechtbank overweegt verder dat de woning partijen al lange tijd verdeeld houdt. Partijen zijn al ruim twee jaar (januari 2024) uit elkaar en het is hen in die periode niet gelukt om tot overeenstemming te komen over de verdeling van de woning. Gelet op de termijn die is verstreken sinds het uiteengaan van partijen, de vrouw op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich in de afgelopen twee jaar heeft ingespannen om een nieuwe woning te vinden en de man onbetwist heeft gesteld dat de vrouw urgentie kan krijgen zodra de woning in de verkoop gaat, zal de rechtbank bepalen dat de woning binnen zes weken na heden in de verkoop moet.
De rechtbank zal het primaire verzoek van de man om hem te machtigen afwijzen, omdat partijen samen een opdracht hebben gegeven aan Mercurius Makelaars om de woning te verkopen. Daarnaast heeft de vrouw ook belang bij de verkoop en levering van de woning, zodat zij hierin betrokken moet worden. Een machtiging is naar het oordeel van de rechtbank in dat geval te verstrekkend.
De rechtbank zal het subsidiair verzoek van de man gedeeltelijk toewijzen, omdat de vrouw hiertegen geen verweer heeft gevoerd. De rechtbank ziet aanleiding om de dwangsommen te matigen, omdat de hoogte van de door de man verzochte dwangsommen niet in verhouding staan tot de ingebrekestelling. Daarnaast zal de rechtbank een maximum verbinden aan de dwangsommen.
De rechtbank zal bepalen dat de vrouw met ingang van heden het voortgezet gebruik van de woning krijgt gedurende zes maanden. De rechtbank wijkt daarmee af van de wettelijke ingangsdatum zoals genoemd in artikel 1:165 BW. De rechtbank ziet daar aanleiding toe gelet op de termijn die is verstreken sinds het uiteengaan van partijen, de vrouw op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich in de afgelopen twee jaar heeft ingespannen om een nieuwe woning te vinden en de man onbetwist heeft gesteld dat de vrouw urgentie kan krijgen zodra de woning in de verkoop gaat. De rechtbank merkt nog ten overvloede op dat het voortgezet gebruik geldt in de verhouding tussen de man en de vrouw en niet tegen een derde/koper van de woning. Dit betekent dat het voortgezet gebruik niet in de weg staat aan de verkoop van de woning.
d) De auto’s
Partijen zijn het erover eens dat de Volkswagen Polo tegen een waarde van € 8.458,- moet worden toegedeeld aan de man waarbij de man de helft hiervan (€ 4.229,-) moet vergoeden aan de vrouw. Zij zijn het er ook over eens dat de Volkswagen Up tegen een waarde van € 5.582,- moet worden toegedeeld aan de vrouw waarbij de vrouw de helft hiervan (€ 2.791,-) moet vergoeden aan de man. De rechtbank zal deze overeenstemming vaststellen in het dictum.
e) De inboedel van de woning
Tussen partijen is niet in geschil dat de inboedel van de woning moet toekomen aan de vrouw en het gereedschap aan de man. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd tegen de waarde van de inboedel en het gereedschap. Nu zowel de man als de vrouw geen inzage hebben gegeven in de waardering van de inboedel en het gereedschap, zal de rechtbank de inboedel naar redelijkheid en billijkheid vaststellen op € 2.500,- en het gereedschap op € 250,-. De inboedel zal tegen de hiervoor genoemde waarde worden toegedeeld aan de vrouw, onder vergoeding van de helft hiervan aan de man. Het gereedschap zal tegen de hiervoor genoemde waarde worden toegedeeld aan de man, onder vergoeding van de helft hiervan aan de vrouw.
De rechtbank zal daarnaast de overige verzoeken van de man met betrekking tot de persoonlijke eigendommen en de gezinsherinneringen toewijzen, nu de vrouw hiertegen geen verweer heeft gevoerd.
f) De saldi op de bankrekeningen
Partijen hebben op de peildatum (12 juni 2025) de volgende bankrekeningen:
a. een betaalrekening bij de SNS bank, met rekeningnummer [rekeningnummer 1], ten name van beide partijen;
b. een betaalrekening bij de SNS bank, met rekeningnummer [rekeningnummer 2], ten name van beide partijen.
Tussen partijen is in geschil per welke datum de saldi van de bankrekeningen moeten worden verdeeld. De man stelt zich op het standpunt dat de saldi moeten worden verdeeld op het moment dat partijen de financiën hebben gescheiden op 1 oktober 2025. De man maakt sindsdien geen gebruik meer van de gezamenlijke bankrekening. Volgens de vrouw moet dit gebeuren op het moment dat de man stopt met het storten van zijn bijdrage op de gezamenlijke bankrekening, zijnde het moment dat de woning is verkocht.
Hoewel het uitgangspunt is dat de saldi op de peildatum (12 juni 2025) moeten worden verdeeld, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval de saldi moeten worden verdeeld per 1 oktober 2025. De man heeft onbetwist gesteld dat de financiën tussen partijen per die datum zijn gescheiden en hij sindsdien geen gebruik meer maakt van de gezamenlijke bankrekening. De rechtbank acht het vanuit dat oogpunt redelijk dat de saldi gelet hierop per die datum moeten worden verdeeld. Het verzoek van de man zal daarom worden toegewezen.
Wat de verzoeken van de man betreft over de toedeling van de bankrekeningen, geldt het volgende. Een bankrekening met een positief saldo is in feite een vordering die partijen hebben op de bank. De vordering (het saldo) kan worden verdeeld, maar de bankrekening zelf niet. Partijen zullen na beëindiging van het gezamenlijk gebruik samen moeten overgaan tot wijziging van de tenaamstellingen of opheffen van de bankrekeningen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man hierover afwijzen.
g) De staplaatsen op de camping
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de vrouw, conform het standpunt van de man hierover, staplaats 2 op de camping heeft opgezegd. De rechtbank hoeft hier daarom niet meer op te beslissen.
Partijen zijn het erover eens dat de vrouw staplaats 1 op de camping zal voortzetten en vanaf 1 januari 2026 de lasten hiervan zal voldoen. De rechtbank zal het voorwaardelijk verzoek van de man over staplaats 1 toewijzen, omdat niet is gebleken dat de vrouw de camping hierover heeft geïnformeerd.
h) De schuld van € 15.908,-
De man stelt zich op het standpunt dat partijen een schuld hebben bij de moeder van de man. Deze schuld is ontstaan doordat de moeder van de man de kosten van de man heeft voorgeschoten in de periode dat de man bij de moeder heeft gewoond. Volgens de man bedraagt deze schuld € 15.908,- per 5 juni 2025. De man verwijst naar de schuldverklaring in productie 14. De man verzoekt de rechtbank om te bepalen dat hij deze schuld voor zijn rekening neemt, onder de verplichting voor de vrouw om de helft daarvan € 7.954,- aan de man te voldoen.
De vrouw voert verweer. Zij stelt zich op het standpunt dat de schuld van de man niet tot de huwelijksgemeenschap behoort en zij dus niet voor de helft draagplichtig is. De vrouw verzoekt de rechtbank om, voor zover zij rekening houdt met de door de man opgevoerde schulden, ook rekening te houden met de schuld van de vrouw bij haar ouders van € 8.784,-.
De rechtbank zal bepalen dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor de schuld aan de moeder van de man met betrekking tot de mediationkosten. Dit zijn kosten die partijen samen hebben gemaakt, zodat de rechtbank het redelijk acht dat de schuld met betrekking tot deze kosten gezamenlijk wordt gedragen. Nu de vrouw verder het bestaan dan wel de hoogte van deze kosten niet heeft betwist, zal de rechtbank uitgaan van het door de man gestelde bedrag van € 1.800,-.
Met betrekking tot de schuld voor de advocaatkosten van de man is de rechtbank van oordeel dat de vrouw hiervoor niet draagplichtig is, nu ieder van partijen hierin zijn/haar eigen kosten moet dragen. De rechtbank zal het verzoek van de man op dit punt daarom afwijzen.
Met betrekking tot de overige schulden uit de door de man overgelegde schuldverklaring overweegt de rechtbank dat deze schulden hun oorsprong vinden in de kosten van de huishouding. Gelet op artikel 1:84, eerste lid, BW had het op de weg van de man gelegen inzichtelijk te maken welke kosten er in het geheel (per jaar) zijn gemaakt, wie welke kosten heeft gedragen en wat partijen naar evenredigheid hadden moeten bijdragen. Nu de man dit niet inzichtelijk heeft gemaakt, kan de rechtbank niet vaststellen of dan wel in hoeverre partijen draagplichtig zijn voor de door de man gestelde schulden. Reden waarom het verzoek van de man voor het overige wordt afgewezen.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw met betrekking tot de schuld van de vrouw bij haar ouders weigeren, omdat dit in strijd is met de goede procesorde. De vrouw heeft het verzoek pas tijdens de mondelinge behandeling gedaan en heeft dit verder niet op schrift gezet, zodat de man geen gelegenheid heeft gehad om hier adequaat op te reageren. Dit temeer nu de vrouw geen verzoek heeft gedaan met de strekking dat de rechtbank de verdeling vaststelt dan wel de wijze van verdeling gelast.
7. De beslissing
De rechtbank:
In C/08/334426 / ES RK 25-3752:
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, die met elkaar gehuwd zijn op 14 december 2004 in de gemeente Deventer;
bepaalt dat [kind 1] en [kind 2] hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben;
stelt vast dat de ouders het volgende hebben afgesproken over de zorgregeling:
[kind 1] en [kind 2] verblijven twee keer per maand, ofwel op zaterdag van 13:00 uur tot zondag na het eten om 19:00 uur bij de vader ofwel op vrijdag uit school tot zaterdag 12:30 uur;
de vader stuurt uiterlijk in januari van ieder jaar zijn werkrooster door naar de moeder waarna de moeder een planning maakt met betrekking tot welke weekenden [kind 1] en [kind 2] in dat jaar bij de vader zullen verblijven volgens de hiervoor genoemde regeling;
de man gaat met [kind 1] en [kind 2] één keer per week naar de sport (voor zover zij een sport uitoefenen) en zorgt voor het vervoer;
stelt het volgende over de zorgregeling vast:
totdat de vader een huis heeft, verblijven [kind 2] en [kind 1] op een doordeweekse dag per week bij de vader waar zij zullen avondeten. Na het avondeten gaan [kind 2] en [kind 1] naar de moeder;
vanaf het moment dat de vader een huis heeft, verblijven [kind 2] en [kind 1] op een doordeweekse dag per week bij de vader waar zij zullen avondeten, waarna de vader om en om één van hen naar de moeder brengt en de ander bij hem blijft slapen om vervolgens in de ochtend naar school te brengen;
[kind 2] en [kind 1] verblijven in de zomervakantie één week aaneengesloten bij de vader en daarnaast in twee schoolvakanties een midweek. [kind 2] en [kind 1] verblijven tweede kerstdag bij de vader en in de even jaren vieren zij oud en nieuw bij de vader;
de vader stuurt uiterlijk in januari van ieder jaar zijn werkrooster door naar de moeder waarna de moeder een planning maakt met betrekking tot welke doordeweekse dag [kind 1] en [kind 2] in dat jaar wekelijks bij de vader zullen verblijven volgens de hiervoor genoemde regeling en waarbij de vader aangeeft in welke week [kind 2] en [kind 1] in de zomervakantie en in twee schoolvakanties een midweek bij hem verblijven;
de vader brengt de kinderen naar de moeder en de moeder brengt de kinderen naar de vader;
bepaalt dat de man vanaf het moment dat de woning is verkocht een bedrag van € 314,- per kind per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] en [kind 1];
bepaalt dat de man vanaf het moment dat de woning is verkocht een bedrag van € 165,- per maand moet betalen aan [kind 3], als bijdrage in diens kosten van levensonderhoud en studie;
bepaalt dat de man vanaf het moment dat de woning is verkocht een bedrag van € 165,- per maand moet betalen aan [kind 4], als bijdrage in diens kosten van levensonderhoud en studie;
beslist dat de man de alimentatie voor [kind 2], [kind 1], [kind 3] en [kind 4] wat de toekomstige termijnen betreft steeds vóór de eerste van de maand vooraf moet betalen;
bepaalt dat de vrouw met ingang van heden tegenover de man bevoegd is om gedurende zes maanden in de woning aan [adres] te blijven wonen en de inboedel mag blijven gebruiken;
In C/08/336916 ES RK 25-5015:
stelt vast dat partijen ten aanzien van de verdeling van de wettelijke gemeenschap van goederen het volgende zijn overeengekomen:
de Volkswagen Polo wordt tegen een waarde van € 8.458,- toegedeeld aan de man waarbij de man de helft hiervan (€ 4.229,-) moet vergoeden aan de vrouw;
de Volkswagen Up wordt tegen een waarde van € 5.582,- toegedeeld aan de vrouw waarbij de vrouw de helft hiervan (€ 2.791,-) moet vergoeden aan de man;
gelast de navolgende wijze van verdeling van de wettelijke gemeenschap van goederen dan wel stelt deze als volgt vast:
ten aanzien van de woning aan de [adres] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening bij BLG wonen met leningnummer [nummer 1] en het bouwdepot bij BLG wonen met leningnummer [nummer 2]:
bepaalt dat de woning binnen zes weken na heden in de verkoop moet;
benoemt Mercurius Makelaars als verkoopmakelaar, dit tenzij partijen in samenspraak een andere makelaar inschakelen;
gelast de vrouw om mee te werken aan de verkoop en levering van de woning in die zin dat de vrouw uitvoering geeft aan al hetgeen volgens de betreffende makelaar nodig is om de woning te verkopen en het advies ten aanzien van de vraagprijs gegeven door de aan te wijzen deskundige op te volgen en de door deze deskundige geadviseerde laatprijs op te volgen, op straffe van een dwangsom van € 250,- met een maximum van € 2.500,- voor iedere dag dat de vrouw dit nalaat;
gelast de vrouw om alle noodzakelijke medewerking te verlenen om verkoop tot stand te kunnen brengen waaronder doch niet uitsluitend het toelaten van de makelaar en potentiële kopers van de woning en de woning in goede staat te houden/brengen voor bezichtigingen en dat er een verkoopbord aan c.q. bij de woning zal worden bevestigd, één en ander op straffe van een dwangsom van € 250,- met een maximum van € 2.500,- per dag of dagdeel dat de makelaar constateert dat de vrouw in gebreke blijft hieraan te voldoen;
gelast de vrouw om op eerste verzoek van de makelaar of van de man de verkoopakte te ondertekenen, op straffe van een dwangsom van € 250,- met een maximum van € 2.500,- voor iedere dag dat de vrouw dit nalaat;
gelast de vrouw om op eerste verzoek haar medewerking te verlenen aan het transport en de levering van de onroerende zaak, op straffe van een dwangsom van € 250,- met een maximum van € 2.500,- voor iedere dag dat de vrouw dit nalaat;
bepaalt dat, indien de vrouw binnen zes weken na heden geen medewerking verleent aan de verkoop van de woning, althans geen medewerking verleent aan het tekenen van de verkoopakte, althans geen medewerking verleent aan het transport en de levering van de onroerende zaak, deze beschikking in de plaats treedt van de door de vrouw te verrichten rechtshandeling(en);
bepaalt dat partijen ieder voor de helft gerechtigd zijn tot de verkoopopbrengst die resteert nadat de op de woning rustende hypothecaire geldlening is afgelost en de gebruikelijke verkoopkosten zoals makelaarskosten en notariskosten zijn voldaan;
gelast de vrouw om de camping te informeren dat zij staplaats 1 zal voortzetten en zij met ingang van 1 januari 2026 draagplichtig is voor de lasten die daaruit voortvloeien;
bepaalt dat de saldi van de bankrekeningen [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] per 1 oktober 2025 bij helfte moeten worden verdeeld;
deelt de inboedel van de woning toe aan de vrouw tegen een waarde van € 2.500,-, waarbij de vrouw de helft hiervan (€ 1.250,-) moet vergoeden aan de man;
deelt het gereedschap toe aan de man tegen een waarde van € 250,- (€ 125,-), waarbij de man de helft hiervan moet vergoeden aan de vrouw;
deelt de persoonlijke eigendommen toe aan de desbetreffende persoon;
bepaalt dat partijen de gezinsherinneringen gezamenlijk zullen verdelen;
bepaalt dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor de schuld aan de moeder van de man met betrekking tot de mediationkosten van € 1.800,-;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve de beslissing over de echtscheiding;
wijst de verzoeken voor het overige af.
Deze beschikking is gegeven door mr. K. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026 in tegenwoordigheid van mr. K.J. de Jong, griffier.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
Bijlage(n):
- berekening kinderalimentatie
[Afbeelding][Afbeelding][Afbeelding]