ECLI:NL:RBOVE:2026:145

ECLI:NL:RBOVE:2026:145, Rechtbank Overijssel, 15-01-2026, 84.085139.22 (P)

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 15-01-2026
Datum publicatie 15-01-2026
Zaaknummer 84.085139.22 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Partiële nietigheid dagvaarding ten aanzien van het ten laste gelegde valsheid in geschrift (hypotheekfraude), omdat niet is gespecificeerd wat vals of vervalst is aan de daarin genoemde stukken. Vrijspraak faillissementsfraude (343 Sr) en witwassen. Vordering benadeelde partij niet ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 84.085139.22 (P)

Datum vonnis: 15 januari 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1984 in [geboorteplaats],

wonende aan [woonplaats].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 december 2025 en 15 januari 2026.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en haar raadsvrouw mr. E.G. Engwirda, advocaat in Amsterdam, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 12 mei 2019 tot en met 17 juni 2020 tezamen met een ander

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse/vervalste geschriften (waaronder arbeidsovereenkomsten, een werkgeversverklaring en facturen) door die geschriften ter beschikking te (laten) stellen aan de ABN AMRO Bank B.V.;

feit 2: in de periode van 28 februari 2019 tot en met 4 augustus 2020 tezamen met een

ander diverse geldbedragen heeft witgewassen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 mei 2019 tot en

met 17 juni 2020 te [plaats 1], [plaats 2], [plaats 3], [plaats 4], in elk geval

in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen,

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer valse en/of vervalste geschrift(en)

dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten de/het

navolgende document(en) (ZD-003-01):

- een arbeidsovereenkomst van [bedrijf 1] B.V. d.d. 20 december 2018 ten

name van [verdachte] (DOC-056), en/of

- een arbeidsovereenkomst van [bedrijf 2] [plaats 2] B.V. d.d. 13 maart 2020

ten name van [verdachte] (DOC-060), en/of

- een werkgeversverklaring van [bedrijf 2] [plaats 2] B.V. d.d. 27 februari

2019 ten name van [verdachte] (DOC-059), en/of

- een factuur van [bedrijf 3] d.d. 1 juni 2019 ten name van [verdachte]

met factuurnummer [nummer 1] (DOC-011), en/of

- een factuur van [bedrijf 3] d.d. 16 oktober 2019 ten name van

[verdachte] met factuurnummer [nummer 2] (DOC-012), en/of

- een factuur van [bedrijf 3] d.d. 29 juli 2019 ten name van [verdachte]

met factuurnummer [nummer 3] (DOC-014), en/of

- een factuur van [bedrijf 3] d.d. 11 augustus 2019 ten name van

[verdachte] met factuurnummer [nummer 4] (DOC-015),

als ware dat/die geschrift(en) echt en onvervalst,

dan wel vorenbedoelde geschrift(en) opzettelijk heeft afgeleverd en/of voorhanden

heeft gehad, terwijl zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift

bestemd is voor zodanig gebruik,

bestaande het gebruik maken hierin dat zij, verdachte, en/of zijn medeverdachte

dat/die (ver)vals(t)e geschrift(en) ter beschikking heeft/hebben gesteld en/of

heeft/hebben laten stellen aan ABN AMRO Bank N.V.;

art. 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art. 47 Wetboek van Strafrecht

(art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

2

zij in of omstreeks de periode van 28 februari 2019 tot en met 4 augustus 2020 te

[plaats 1], [plaats 2], [plaats 3], [plaats 4], althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen,

hierin bestaande dat zij, verdachte,

(sub b)

een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld, althans enig(e) geldbedrag(en), te

weten

A. een geldbedrag van in totaal 56.480,70 euro (DOC-011, DOC-012, DOC-014 en

DOC-015), en/of

B. een geldbedrag van in totaal 450.000,00 euro (DOC-143 en DOC-013), en/of

C. een geldbedrag van in totaal 64.545,71 euro (DOC-033),

heeft verworven en/of voorhanden heeft (gehad) en/of heeft overgedragen en/of

heeft omgezet en/of van een voorwerp gebruik heeft gemaakt,

A. door dit/deze geldbedrag(en) te (laten) gebruiken voor aankoop en/of de

verbouwing van de woning aan de [adres] te [plaats 4], en/of

B. door dit/deze geldbedrag(en) te (laten) gebruiken voor aankoop en/of de

verbouwing van de woning aan de [adres] te [plaats 4], en/of

C. door dit/deze geldbedrag(en) over te boeken naar aan verdachte en/of zijn

medeverdachte(n) gelieerde bedrijven,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n) wist(en) dat dit/deze

geldbedrag(en) –onmiddellijk of middellijk- (deels) afkomstig was/waren uit

enig(e) misdrij(f)(ven);

en/of

hij in of omstreeks de periode van 28 februari 2019 tot en met 4 augustus 2020 te

[plaats 1], [plaats 2], [plaats 3], [plaats 4], althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

zich schuldig heeft gemaakt aan eenvoudig witwassen, hierin bestaande dat hij,

verdachte,

(een) voorwerp (en), te weten een hoeveelheid geld, althans enig(e) geldbedrag(en),

te weten

- een geldbedrag van in totaal 56.480,70 euro (DOC-011, DOC-012, DOC-014 en

DOC-015), en/of

- een geldbedrag van in totaal 450.000,00 euro (DOC-143 en DOC-013), en/of

- een geldbedrag van in totaal 64.545,71 euro (DOC-033),

heeft/hebben verworven en/of voorhanden (hebben) gehad, terwijl verdachte en/of

medeverdachte(n) wist(en) dat dat/deze voorwerp(en) onmiddellijk geheel of

gedeeltelijk afkomstig was/waren uit enig(e) eigen misdrij(f)(ven);

art 420bis Wetboek van Strafrecht en/of art. 420bis.1 Wetboek van Strafrecht

art. 47 Wetboek van Strafrecht

( art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 420bis lid 1 ahf/ond b

Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

3. De voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding

De rechtbank heeft ambtshalve de geldigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 1 ter zitting aan de orde gesteld, omdat uit de tekst van de tenlastelegging niet blijkt waaruit de vermeende valsheid van de daarin genoemde geschriften zou bestaan. De raadsvrouw heeft daarbij het standpunt ingenomen dat de dagvaarding in zoverre partieel nietig dient te worden verklaard. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding in samenhang met het dossier op dit punt voldoende duidelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1 nietig is en overweegt daartoe als volgt. Onder feit 1 van de tenlastelegging is niet omschreven waaruit de verweten gedragingen feitelijk bestaan. Een concrete omschrijving is naar het oordeel van de rechtbank wel vereist. Het ten laste gelegde valsheid in geschrift is nu slechts een omschrijving van de kwalificatie van het strafbare feit. Omdat uit de tenlastelegging – ook niet in samenhang met het dossier - niet kan worden opgemaakt wat vals of vervalst is aan de daarin genoemde stukken, voldoet de dagvaarding in zoverre niet aan de vereisten van artikel 261 Sv. De rechtbank verklaart feit 1 van de dagvaarding dan ook nietig.

De bevoegdheid van de rechtbank, de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging, en redenen voor schorsing vervolging

De rechtbank heeft vastgesteld dat dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsmotivering

Inleiding

Verdachte (verder ook [verdachte]) en medeverdachte [medeverdachte] (verder [medeverdachte]) zijn met elkaar gehuwd.

[medeverdachte] was als volgt gelieerd aan de ondernemingen [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V.

Op 15 februari 2016 is [bedrijf 1] B.V. (verder [bedrijf 1]) opgericht, met [bedrijf 4] B.V. als bestuurder. Medeverdachte [medeverdachte] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 4] B.V.

[bedrijf 1] is op 17 maart 2020 failliet verklaard. In het faillissement van [bedrijf 1] werd mr. H.T. Meijer als curator aangesteld.

Op 16 maart 2018 is [bedrijf 2] [plaats 2] B.V. (verder [bedrijf 2]) opgericht, met medeverdachte [medeverdachte] als enig aandeelhouder en bestuurder. [bedrijf 2] is op 1 september 2020 failliet verklaard. In het faillissement van [bedrijf 2] werd mr. H.T. Meijer als curator aangesteld.

Mr. Meijer is door Mr. Veenema -Bruinsma als curator in beide faillissementen opgevolgd.

[bedrijf 1] en [bedrijf 2] hielden zich bezig met de verkoop en het plaatsen van houten blokhutten en chalets.

Aanleiding onderzoek

De aanleiding voor het strafrechtelijk onderzoek is gelegen in de aangifte van faillissementsfraude op 4 mei 2020 door de curator tegen [medeverdachte] in de faillissementen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en de aangifte van hypotheekfraude op 22 oktober 2021 door de ABN AMRO Bank N.V. tegen [verdachte]. Onder de naam Balmullo is door de FIOD een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte van feit 2 moet worden vrijgesproken, omdat -gelet op de nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 1 - geen gronddelict voor het onder feit 2 tenlastegelegde witwassen kan worden vastgesteld.

De geldbedragen zoals opgenomen onder feit 2 in de delen A, B en C van de dagvaarding hebben allemaal een rechtmatige grondslag. Van hypotheekfraude en/of faillissementsfraude is geen sprake geweest en de dienstverbanden van [verdachte] bij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] waren niet fictief.

Het oordeel van de rechtbank

Volgens de officier van justitie kan worden vastgesteld dat verdachte tezamen met [medeverdachte] door middel van het gebruikmaken van een valse arbeidsovereenkomst en een valse werkgeversverklaring een hypothecaire lening ter hoogte van € 450.000 (inclusief een bouwdepot) bij de ABN AMRO Bank N.V. heeft verkregen. De verworven hypotheeksom en het bouwdepot (benoemd onder A en B van de dagvaarding) zijn vervolgens aangewend voor de aankoop en verbouwing van de woning aan de [adres] te [plaats 4]. De gelden zoals benoemd onder C van de dagvaarding zien op uitbetaling van salaris op grond van valse/fictieve arbeidsovereenkomsten van [bedrijf 1] en [bedrijf 2]. Zodoende is volgens de officier van justitie sprake van witwassen van gelden, die onmiddellijk afkomstig zijn uit door verdachte zelf begane misdrijven (te weten valsheid in geschrift zoals benoemd onder feit 1 van de dagvaarding).

De rechtbank overweegt als volgt. Ter beantwoording van de vraag of de verdachte het tenlastegelegde witwassen heeft begaan dient onder meer vastgesteld te worden dat de betreffende geldbedragen uit misdrijf afkomstig, dan wel door misdrijf verkregen zijn. Gelet op de partiële nietigheid van feit 1 van de dagvaarding, kan de rechtbank niet vaststellen dat de gelden afkomstig zijn uit het (eigen) gronddelict valsheid in geschrift. Op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting is evenmin gebleken van enig ander misdrijf waaruit de gelden afkomstig zijn. In dit licht bezien kan feit 2 dus niet tot een bewezenverklaring leiden. De rechtbank zal daarom verdachte vrijspreken van witwassen, zoals onder feit 2 is ten laste gelegd.

5. De schade van benadeelde

De ABN AMRO Bank N.V. heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces.

De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 2.500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- onderzoekskosten ter hoogte van € 1.875,--;

- administratiekosten ter hoogte van € 625,--.

De vordering heeft betrekking op het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde. Omdat de dagvaarding ten opzichte van feit 1 nietig is verklaard en verdachte voor feit 2 wordt vrijgesproken, zal de rechtbank de benadeelde partij op de voet van artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Overigens is ook niet gebleken dat [naam], die de vordering namens de ABN AMRO Bank N.V. heeft ingediend, hiertoe was gemachtigd. Een schriftelijke machtiging in het dossier ontbreekt.

Het onderzoek ter zitting is, na op 15 december 2025 te zijn onderbroken, op 15 januari 2026 gesloten.

6. De beslissing

De rechtbank:

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. van Campen, voorzitter, mr. D. ten Boer en mr. F.M.A. ‘t Hart, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Broeks, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.P. van Campen

Griffier

  • mr. M.M. Broeks

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?