RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer / rekestnummer: 11997614 / EJ VERZ 25-337
Beschikking van 13 maart 2026
in de zaak van
de bestuurlijke rechtspersoon PROVINCIE OVERIJSSEL,
te Zwolle,
verzoekende partij,
hierna te noemen: de Provincie,
gemachtigde: mrs. F.E. de Bruijn en J.M. Bruinewoud,
tegen
[verweerder] ,
te [woonplaats],
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder],
gemachtigde: mr. J. Peute.
1. Samenvatting van de beslissing
De Provincie verzoekt in deze procedure om de arbeidsovereenkomst tussen haar en [verweerder] op grond van diverse redenen te ontbinden. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst omdat de verhouding tussen beide partijen ernstig en duurzaam is verstoord. Aan [verweerder] wordt een transitievergoeding en een billijke vergoeding toegekend.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 31;
- het verweerschrift met producties 1 tot en met 34;
- de door de Provincie overgelegde aanvullende producties 32 tot en met 36;
- de mondelinge behandeling van 9 februari 2026, de spreekaantekeningen van de gemachtigden van de Provincie en de gemachtigde van [verweerder], alsmede de aantekeningen van de griffier.
De beschikking is bepaald op vandaag.
3. De feiten
[verweerder] is op 1 januari 2023 bij de Provincie in dienst getreden in de functie van manager Informatievoorziening en Digitalisering. De arbeidsovereenkomst was aanvankelijk aangegaan voor bepaalde tijd maar is later omgezet naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het salaris van [verweerder] bedroeg laatstelijk € 7.535,44 bruto per maand, exclusief een IKB-budget dat bestaat uit vakantiegeld, eindejaarsuitkering, bijdrage levensloopregeling en bovenwettelijke vakantiedagen, en andere emolumenten.
In haar functie is [verweerder] verantwoordelijk voor informatievoorziening en digitalisering. [verweerder] geeft leiding aan het gehele I&D-domein van de Provincie dat bestaat uit informatie- en archiefmanagement, datamanagement, digitalisering, innovatie, (innovatieve) technologie en ICT. Het team I&D bestaat uit ongeveer 60 fte.
Het team I&D valt binnen de eenheid Bedrijfsvoering. [verweerder] rapporteert aan het Hoofd Eenheid Bedrijfsvoering. Voorheen was dat de heer [naam 2] en vanaf 1 oktober 2024 is dat (ad interim) de heer [naam 1].
Op de arbeidsovereenkomst is de cao Provinciale Sector (hierna ‘de cao’ te noemen) van toepassing. In deze cao zijn aanvullende voorzieningen op een WW-uitkering opgenomen, zoals een bovenwettelijke uitkering in paragraaf 10.5 en een nawettelijke uitkering in paragraaf 10.6.
Bij e-mailbericht van 14 februari 2025 heeft [naam 1] aan [verweerder] onder meer geschreven:
“De afgelopen weken hebben we meerdere gesprekken gevoerd over je functioneren als leidinggevende binnen de Provincie Overijssel, onder meer naar aanleiding van de uitkomsten van het medewerker onderzoek (…) We hebben veel gesproken over het niet in verbinding zijn. Ik heb ook aangegeven dat ik aanleiding heb te denken dat je het risico loopt dat door je leiderschapsstijl er ongewenste situaties richting medewerkers ontstaan.”
Op 12 maart 2025 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 1] en [verweerder]. De inhoud van dat gesprek is door [naam 1] bij brief van gelijke datum aan [verweerder] bevestigd. Deze brief vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:
“We hebben gesproken over de concrete aanleiding van de gesprekken, namelijk – in de eerste plaats – mijn eigen observaties (…) Voorts kreeg ik signalen van medewerkers uit jouw team – én van medewerkers/leidinggevenden daarbuiten – ten aanzien van jouw stijl van leidinggeven.
(…)
Recent kreeg ik (ook) via de vertrouwenspersoon signalen ten aanzien van jouw stijl van leidinggeven. Dit maakt(e) voor mij de urgentie extra duidelijk en was mij reden zo spoedig mogelijk – vandaag – elkaar te spreken. Het is evenwel niet het enige wat ten grondslag ligt aan mijn besluit van vandaag. Dat is namelijk het samenstel van factoren, uitdrukkelijk ook de uitkomst van het medewerkersonderzoek en de strategische ophanging van team I&D in de organisatie. Als goed werkgever kan ik dan niet anders dan interveniëren, wat in het belang is van de organisatie, haar medewerkers én van jou.
Daarbij constateer ik enerzijds bij jouw her- en erkenning van de door mij genoemde voorbeelden en situaties, anderzijds zie ik dat in de uitvoering niet terug. Het afbreukrisico is voor het team en de organisatie te groot om de huidige situatie te continueren, om welke reden het voortzetten van je functie niet aan de orde is. Het maakt dat we samen op zoek gaan naar passende oplossing voor jou, anders (dus) dan jouw huidige werkzaamheden als leidinggevende van team I&D.”
Deze brief vermeldt voorts dat [verweerder] een time-out wordt verleend van twee weken, derhalve tot 26 maart 2025, waarna partijen weer met elkaar zouden spreken. De time-out is vervolgens met een week verlengd.
Op 13 maart 2025 heeft een bijeenkomst plaatsgevonden tussen [naam 1] en het team I&D.
[verweerder] heeft bij e-mail van 19 maart 2025 aan [naam 1] meegedeeld dat zij zich op geen enkele wijze in zijn vastlegging van het gesprek van 12 maart 2025 herkent. De e-mail vermeldt verder onder meer:
“Omdat ik voor nu mee wil denken in de lijn die door jou is ingezet, alhoewel ik me dus uitdrukkelijk niet herken in de inhoud van de brief, zie ik graag dat een HR (ontwikkel)-collega bereid en beschikbaar wordt gevonden om de ideeën over mijn werktoekomst samen met mij voor te bereiden en de gesprekken hierover te voeren.”
Bij e-mail van 1 april 2025 heeft [naam 1] [verweerder] meegedeeld:
“Aanstaande woensdag 2 april hebben we (…) een gesprek op het Provinciehuis (…) Tijdens dit gesprek willen we het graag hebben over signalen die we over jou hebben ontvangen, onder andere ten aanzien van ongewenste omgangsvormen, pestgedrag, het creëren van een angstcultuur, het toepassen van de zogenaamde verdeel en heers strategie, intimidatie en het creëren van een gevoel van onveiligheid.”
Op 2 april 2025 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 1] en [verweerder]. [verweerder] werd daarbij bijgestaan door een externe vertrouwenspersoon. De Provincie heeft van het gesprek een verslag opgesteld dat onder meer vermeldt:
“Er zijn door [naam 1] ([naam 1], toevoeging ktr) sinds oktober meerdere gesprekken met [verweerder] gevoerd over haar functioneren en haar rol als leidinggevende, de stijl die [verweerder] hierin hanteert en de signalen over omgangsvormen die [naam 1] hierover vanuit de organisatie heeft ontvangen. Nadat op 12 maart jl. is besloten tot een time-out zijn er meer signalen over ongewenst gedrag van [verweerder] bij [naam 1] binnen gekomen. Signalen die van dien aard zijn dat we in het kader van zorgvuldigheid de time-out met een week hebben verlengd.
(…) [naam 1] benoemt de signalen puntsgewijs.
1. De signalen die wij hebben ontvangen gaan er bijvoorbeeld over dat er werknemers zijn die pestgedrag ervaren van [verweerder]. Werknemers hebben aangegeven een totaal gevoel van eigenwaarde kwijt te raken, dat zij zich onheus bejegend voelen en dat zij psychische onveiligheid ervaren.
Als reactie vraagt [verweerder] of het mensen zijn uit het eigen team. [naam 1] geeft aan hier niet op in te gaan. [verweerder] vraagt om hoeveel mensen het gaat. [naam 1] geeft aan dit niet in specifieke aantallen te benoemen. [verweerder] vraagt of dit signalen van voor of na 10 maart zijn. [naam 1] geeft aan dat hij dit niet specifiek in tijd gaat benoemen.
(…)
2. Werknemers geven aan het gevoel te hebben zich voor het team te moeten verantwoorden, bijvoorbeeld over persoonlijke omstandigheden of een andersluidende mening.
Als reactie stelt [verweerder] dezelfde vragen als onder punt 1. [naam 1] geef hierop dezelfde antwoorden. De vertrouwenspersoon geeft aan dat dit weinig inzicht voor [verweerder] geeft en ook geen onderbouwing is van het besluit.
(…) [naam 1] geeft aan de toelichting puntsgewijs te zullen vervolgen. [verweerder] geeft aan dat zij elk punt dezelfde vragen zal stellen. Maar omdat de antwoorden van [naam 1] hetzelfde zullen zijn, zal ze deze niet meer stellen. Voor de verslaglegging wordt opgenomen dat [verweerder] deze vragen per punt stelt.
3. We hebben ook signalen ontvangen over intimidatie. Aan werknemers wordt dan bijvoorbeeld een bepaalde vorm van hulpverlening door [verweerder] sterk afgeraden.
4. Mensen geven aan het gevoel te hebben zich niet uit te mogen spreken en soms verzoekt [verweerder] dit ook expliciet aan werknemers.
5. Werknemers geven aan het gevoel te hebben in een hoekje te worden geplaatst.
(…)
6. We hebben signalen gekregen dat er een cultuur is gecreëerd waarbij er bepaalde groepjes zijn en dat het wel of niet deel uitmaken van die groepjes speerpunt was op sommige (team)dagen.
7. Er is een signaal afgegeven dat [verweerder] soms werkinhoudelijke keuzes maakt die hoger in de organisatie gemaakte beslissingen, uitgangspunten en/of samenwerkingsvormen ondergraven.
Tot slot geeft [naam 1] aan dat één van de vertrouwenspersonen bij [naam 1] een signaal heeft afgegeven over de hoeveelheid signalen die over [verweerder] bij de vertrouwenspersoon zijn binnengekomen en de aard hiervan.”
[verweerder] heeft schriftelijk op dit gespreksverslag gereageerd en daarbij in track and trace wijzigingen aangebracht.
De Provincie heeft [verweerder] bij brief van 2 april 2025 op non-actief gesteld. De brief vermeldt ook dat de Provincie een extern onderzoeksbureau zal inschakelen om de over [verweerder] ontvangen signalen te laten onderzoeken. Daarbij is in de brief toegelicht: ‘Vooralsnog geldt de schorsing voor de duur van het externe onderzoek en tot het moment dat er een beslissing is genomen over de opvolging daarvan.’
Het hiervoor bedoelde onderzoek is uitgevoerd door Strated Consulting (hierna ‘Strated’ te noemen), een strategisch adviesbureau.
[verweerder] is in het kader van het onderzoek op 26 juni 2025 door Strated gehoord. Strated heeft haar bevindingen in een rapport van 11 september 2025 vastgelegd. Het rapport vermeldt dat de onderzoeksopdracht luidde:
“Onderzoek of er sprake is van sociale integriteitsschendingen met betrekking tot het handelen dan wel nalaten van beklaagde. Toets de in het onderzoek vastgestelde feiten en omstandigheden aan het geldende toetsingskader ten aanzien van sociale integriteit. Schrijf de bevindingen op in een rapportage ‘onafhankelijk feitenonderzoek’.”
[verweerder] heeft schriftelijk op de bevindingen van Strated gereageerd.
Bij e-mail van 9 september 2025, na afronding van het onderzoek door Strated, heeft de gemachtigde van de Provincie aan de gemachtigde van [verweerder] meegedeeld dat er bij de Provincie nog een signaal is binnengekomen over [verweerder]. Dit betrof volgens de Provincie een constructie die [verweerder] met een medewerker van de Provincie was overeengekomen en waarbij deze medewerker twee uur extra per week uitbetaald werd zonder voor die twee uur werkzaamheden te verrichten.
De bedrijfsarts van de Provincie heeft bij brief van 19 november 2025 verklaard dat hij [verweerder] volledig arbeidsongeschikt acht voor haar eigen of aangepast werk.
4. Het verzoek en het verweer
De Provincie verzoekt om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de arbeidsovereenkomst tussen de Provincie en [verweerder] op de kortst mogelijke termijn te ontbinden:
primair: op grond van artikel 7:669 lid 3 sub e BW;
subsidiair: op grond van artikel 7:669 lid 3 sub g BW;
meer subsidiair: op grond van artikel 7:669 lid 3 sub i BW;
II. [verweerder] te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van de te wijzen beschikking;
III. [verweerder] te veroordelen in de nakosten.
[verweerder] heeft verweer gevoerd tegen het verzoek. [verweerder] verzoekt om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
I. het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te wijzen;
subsidiair:
II. indien de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden vanwege de door de Provincie aangevoerde primaire of subsidiaire grondslag, de Provincie te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding ter hoogte van € 10.139,37 bruto, danwel een door de kantonrechter te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf één maand waarop de arbeidsovereenkomst is komen te eindigen, dan wel
III. indien de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden vanwege de door de Provincie aangevoerde meer subsidiaire grondslag (de i-grond), de cumulatievergoeding vast te stellen op 50%, en derhalve de Provincie te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding ter hoogte van € 15.209,06 bruto, dan wel een door de kantonrechter te bepalen vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf één maand waarop de arbeidsovereenkomst is komen te eindigen alsmede
IV. indien de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden de Provincie te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding ter hoogte van € 1.116.544,76 bruto dan wel een door de kantonrechter te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de te wijzen beschikking alsmede
V. indien de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden de Provincie te veroordelen tot uitvoering van de aanvullende voorzieningen bestaande uit een bovenwettelijke uitkering op de WW, zoals bedoeld in paragraaf 10.5 en een nawettelijke uitkering, zoals bedoeld in paragraaf 10.6 van de cao, alsmede
VI. indien de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de geldende opzegtermijn zonder aftrek van de periode die is gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de datum van dagtekening van de ontbindingsbeschikking;
primair en subsidiair
VII. de Provincie te veroordelen tot het plaatsen van een rectificatie op straffe van een dwangsom;
VIII. de Provincie te veroordelen tot betaling van de kosten van de procedure, daarbij uitgaande van de daadwerkelijk gemaakte kosten, dan wel een door de kantonrechter te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de te wijzen beschikking alsmede
IX. de Provincie te veroordelen in het salaris van de gemachtigde en de nakosten.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling van het verzoek
opzegverbod
De Provincie heeft onweersproken gesteld dat er geen opzegverbod van toepassing is en dat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met een opzegverbod. Daarvan wordt in de verdere beoordeling dan ook uitgegaan.
ontbinding arbeidsovereenkomst?
Uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden opgezegd indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Die eisen gelden ingevolge artikel 7:671b lid 2, eerste volzin, BW ook voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter. In artikel 7:669 lid 3 BW is onder a t/m i (limitatief) omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan.
De Provincie heeft om ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen verzocht primair op de ‘e-grond’, te weten verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, subsidiair op de ‘g-grond’, te weten een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, en meer subsidiair op de ‘i-grond’, te weten een combinatie van omstandigheden genoemd in twee of meer van de gronden, bedoeld in de onderdelen c tot en met e, g en h, die zodanig is dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
De e-grond; verwijtbaar handelen
De Provincie heeft primair aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat er sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten door [verweerder]. [verweerder] heeft volgens de Provincie bewerkstelligd dat medewerkers uit haar team hun werkzaamheden in een koude kelder waarin geen daglicht voorkwam moesten uitvoeren, [verweerder] heeft extra verlofuren aan een medewerker toegekend zonder aanwijsbare grondslag, [verweerder] heeft extra uren aan een medewerker toegekend zonder dat daar een arbeidsprestatie tegenover stond, [verweerder] heeft meermalen geroddeld over medewerkers en (collega) leidinggevenden en heeft als gevolg van haar uitlatingen/gedragingen psychosociale arbeidsbelasting van medewerkers veroorzaakt. Volgens de Provincie heeft [verweerder] bij het handelen ten aanzien van de (verlof)uren frauduleus gehandeld. De Provincie vindt dat het handelen van [verweerder] in strijd is met het goed ambtenaarschap (en het goed werknemerschap), alsmede met de binnen de Provincie geldende Gedragscode.
[verweerder] voert aan dat zij zich nooit schuldig heeft gemaakt aan ongewenst gedrag. Het rapport van Strated is gebaseerd op een voor de Provincie welwillend en behulpzaam onderzoek en is voor wat de onderbouwing van de verwijten betreft flinterdun. Het onderzoek is op onzorgvuldige wijze uitgevoerd omdat er geen onderzoek is gedaan naar de feiten en omdat er geen deugdelijk vooronderzoek heeft plaatsgevonden. Volgens [verweerder] heeft [naam 1] bij meerdere medewerkers meldingen over haar geronseld. [verweerder] heeft de door de Provincie geuite verwijten gemotiveerd betwist. Van verwijtbaar handelen is volgens [verweerder] geen sprake (geweest).
De kantonrechter stelt voorop dat een ontslag op de e-grond berust op verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer dat zodanig ernstig is dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Indien het handelen of nalaten van een werknemer aanleiding is voor ontslag, moet het de werknemer van tevoren duidelijk zijn geweest wat wel of niet door de werkgever als toelaatbaar wordt gezien (behoudens evidente zaken als diefstal en dergelijke), waarbij de eisen die de werkgever aan de werknemer mag stellen gangbaar en niet buitensporig zijn. Op de werkgever rusten de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de feiten en omstandigheden die ten grondslag zijn gelegd aan het verwijtbaar handelen. Deze grondslag dient geconcretiseerd en feitelijk onderbouwd te worden aan de hand van bijvoorbeeld waarschuwingsbrieven, gespreksverslagen, interne memo’s en/of e-mailberichten.
De kantonrechter is van oordeel dat geen sprake is van een voldragen e-grond. In deze zaak maakt de Provincie veel verwijten aan [verweerder]. De verwijten variëren van roddelen en het creëren van een onveilige werksituatie tot aan onjuist handelen met betrekking tot de werkplek van archiefmedewerkers en onjuiste (en niet integere) afspraken met twee werknemers over arbeidstijden en verlofuren. Uit de verwijten die de Provincie [verweerder] maakt ten aanzien van haar gedrag (roddelen, niet bieden van sociale veiligheid) blijkt weliswaar dat er mede vanwege de omvang van het aantal meldingen aanleiding bestond om [verweerder] aan te spreken op haar functioneren als leidinggevende, maar die verwijten waren niet concreet genoeg om via een time-out en een schorsing meteen aan te sturen op een ontbinding op de e-grond. De leidinggevende van [verweerder] heeft op 12 maart 2025 een gesprek met [verweerder] gevoerd onder andere omdat er signalen waren van de vertrouwenspersoon over het functioneren van [verweerder] die voor de Provincie een bevestiging waren van de negatieve uitkomst van het eerdere medewerkersonderzoek. Niet gebleken is dat de Provincie [verweerder] voor het gesprek op 12 maart 2025 voldoende concreet op haar functioneren heeft aangesproken. De Provincie stelt dat wel, maar [verweerder] heeft die stelling betwist waarna de Provincie heeft nagelaten haar stelling verder te onderbouwen. Het e-mailbericht van 14 februari 2025 van [naam 1] aan [verweerder], zoals deels geciteerd onder 3.5 van de vaststaande feiten, is op dat punt onvoldoende specifiek en de Provincie heeft geen gespreksverslagen in het geding gebracht waaruit blijkt dat [verweerder] op specifieke punten van haar functioneren is aangesproken. Die gespreksverslagen zijn ook niet beschikbaar, zo begrijpt de kantonrechter uit de toelichting van de Provincie tijdens de mondelinge behandeling. In de brief van 12 maart 2025 wordt weliswaar geschreven dat meerdere gesprekken zijn gevoerd, maar onvoldoende duidelijk is geworden wat de inhoud van die gesprekken was. Vervolgens heeft [verweerder] in het gesprek van 12 maart 2025 direct een time-out gekregen, zonder haar een kans te bieden om haar (leidinggevende) gedrag te verbeteren op basis van concrete voorbeelden. De Provincie heeft betoogd dat de signalen van de vertrouwenspersoon dusdanig ernstig waren, dat een terugkeer op de werkvloer in die periode niet van haar kon worden verwacht gelet op de belangen van andere werknemers. Het is begrijpelijk dat de ‘signalen’ van de vertrouwenspersoon aanleiding waren voor de Provincie om [verweerder] ten behoeve van de andere werknemers aan te spreken, maar dat had ook gekund in een gesprek met de vertrouwenspersoon of een gesprek gericht op verbetering. Vervolgens heeft de Provincie de time-out in april 2025 laten overgaan in een schorsing. De verwijten waren op dat moment verder uitgebreid, maar de meldingen gingen nog steeds vooral over gedrag en waren anoniem en weinig concreet. [verweerder] heeft wel gevraagd om verduidelijking en een nadere toelichting, maar die heeft zij niet gekregen op dat moment. Op basis daarvan kan niet worden vastgesteld dat het gedrag van [verweerder] dusdanig was dat zij in maart 2025 moest weten dat dit zou (kunnen) leiden tot een ontbindingsverzoek op de e-grond. Om die reden – en omdat zij toen en daarna geen redelijke kans heeft gehad haar gedrag te verbeteren – kan geen voldragen e-grond worden aangenomen. Daarbij weegt mee dat [verweerder] onbetwist heeft gesteld dat zij tot aan de start van [naam 1] goede beoordelingen kreeg van haar vorige leidinggevende en dat onrust in de organisatie ook inherent was aan de verandertaak die zij had meegekregen als leidinggevende. Dat de verwijten ten aanzien van het roddelen en de werksfeer vervolgens gedeeltelijk zijn bevestigd door (anonieme) verklaringen ten overstaan van het onderzoeksbureau is – nog los van het feit dat [verweerder] het rapport weerspreekt – gelet op het voorgaande niet genoeg om tot een ontbinding op de e-grond te komen nu [verweerder] een mogelijkheid had moeten krijgen haar gedrag te verbeteren.
Voor wat betreft het verweten gedrag (roddelen en intimideren) is het rapport van Strated ook onvoldoende basis om tot een ontbinding op de e-grond te komen. In het rapport worden nog steeds conclusies getrokken op basis van anonieme meldingen, waarbij onvoldoende duidelijk is welke vragen zijn voorgelegd en hoe die gesprekken zijn verlopen. Daarom is het voor [verweerder] moeilijk zich daar tegen te verdedigen. Bovendien heeft [verweerder] ook zelf getuigen aangedragen aan de onderzoekers van Strated en het is onduidelijk welke personen zij in dat kader hebben gesproken. De onderzoekers schrijven daar zelf over in een reactie op het verweerschrift: ‘Diverse door beklaagde aangedragen getuigen zijn wel gesproken, maar zijn soms, omdat zij uitsluitend anoniem wilden verklaren, niet direct herleidbaar voor beklaagde’. Los hiervan blijft relevant dat [verweerder] ten aanzien van haar gedrag een kans op verbetering had moeten worden geboden.
Op basis van de stellingen van de Provincie en de reactie van [verweerder] kan wel worden vastgesteld dat [verweerder] ten aanzien van het plaatsen van archiefmedewerkers in de kelder eerder had moeten ingrijpen. Het is op basis van de stellingen niet duidelijk in welke periode archiefmedewerkers in het archief of in de verwerkingsstraat hebben gewerkt, maar achteraf is wel gebleken dat zij enige tijd hebben gewerkt in een ruimte die daarvoor niet geschikt was. Uit de stellingen kan worden afgeleid dat [verweerder] heeft toegestaan dat deze situatie heeft voortgeduurd terwijl zij die situatie als leidinggevende had kunnen en behoren te voorkomen. Dit terwijl onduidelijk is gebleven waarom deze medewerkers hun werkzaamheden met fysieke dossiers niet elders, in een ruimte die arbotechnisch meer geschikt was, hadden kunnen doen zoals later ook is beslist. [verweerder] had hierin eerder moeten ingrijpen als de leidinggevende van die medewerkers. Daarbij maakt het niet uit of het om één of meerdere medewerkers gaat en of de werkzaamheden al dan niet structureel in de kelder werden uitgevoerd. Dit verwijt is op zichzelf echter niet voldoende voor een voldragen e-grond, mede omdat [verweerder] heeft gesteld dat er ook anderen hiervoor verantwoordelijk waren. Dit geldt ook ten aanzien van de afspraken met betrekking tot de verlofuren. Bij het onderzoek is naar voren gekomen dat [verweerder] een afspraak heeft gemaakt met een werknemer dat hij 80 uur extra verlofuren zou krijgen. Dit erkent [verweerder], maar tussen partijen is in geschil of hij daarvoor al dan niet extra moest werken. Na het afronden van het onderzoek is bovendien via een melding gebleken dat met een andere medewerker een afspraak is gemaakt over compensatie via twee uur extra salaris waarvoor niet zou hoeven te worden gewerkt. Op grond van de stellingen van de Provincie kan worden vastgesteld dat die afspraken niet juist waren en dat [verweerder] die afspraken – mede vanwege haar leidinggevende positie – niet had moeten maken. Dit verwijt is echter op zichzelf niet genoeg om een ontslag op de e-grond te rechtvaardigen, omdat [verweerder] heeft gesteld dat vaker afwijkende verlofafspraken worden gemaakt om werknemers in bijzondere situaties tegemoet te komen. Gelet daarop had [verweerder] ook hier eerst op moeten worden aangesproken. Dat heeft de Provincie niet gedaan omdat deze verwijten pas zijn gebleken tijdens en na het onderzoek, toen [verweerder] al op non-actief was gesteld. Ook weegt bij het afwijzen van de e-grond mee dat sprake is geweest van een diffuus traject waarbij de verwijten tijdens het gesprek op 2 april 2025 zijn gewijzigd ten opzichte van het gesprek op 12 maart 2025 en later in het onderzoeksrapport, waardoor [verweerder] onvoldoende verbetermogelijkheden heeft gehad ten aanzien van haar gedrag en de andere verwijten die haar gemaakt zijn.
Er is gezien het voorgaande dan ook geen sprake van een voldragen grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen.
g-grond; verstoorde arbeidsverhouding en herplaatsing
Subsidiair stelt de Provincie dat er sprake is van een ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsverhouding waardoor van de Provincie in redelijkheid niet kan worden gevergd om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Een vruchtbare samenwerking in de toekomst behoort, gelet op de aard en de ernst van de handelwijze van [verweerder] alsmede de grote hoeveelheid meldingen over haar handelen, niet meer tot de mogelijkheden. [verweerder] heeft geen enkel inzicht of zelfreflectie getoond, aldus de Provincie.
Volgens [verweerder] is de arbeidsrelatie niet ernstig en duurzaam verstoord. [verweerder] heeft alle haar gemaakte verwijten weersproken. [verweerder] voert aan dat zij altijd naar behoren heeft gefunctioneerd.
De kantonrechter is op dit punt van oordeel dat voldoende gebleken is dat de arbeidsverhouding tussen de Provincie en [verweerder] ernstig en duurzaam verstoord is. De kantonrechter stelt vast dat partijen elkaar over en weer ernstige verwijten maken waardoor terugkeer en afspraken over een verbeterde samenwerking niet (meer) mogelijk zijn. [verweerder] heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd ook verklaard dat zij er niet van overtuigd is dat zij terug wil keren bij de Provincie. Los hiervan maakt de Provincie [verweerder] inhoudelijk ook verwijten op basis van de (deels anonieme) meldingen die aanleiding waren voor het onderzoek. Partijen zijn het weliswaar oneens over de inhoud en het effect van de verwijten, maar vanwege de omvang van het aantal meldingen die aanleiding waren voor het onderzoek en de ontwijkende reactie daarop van [verweerder] zouden daarover wel verbeterafspraken moeten worden gemaakt. Niet goed valt in te zien hoe partijen in dit stadium nog tot goede afspraken tot werkhervatting of afspraken over het functioneren van [verweerder] zouden kunnen komen. Daarnaast is op de mondelinge behandeling onweersproken door de Provincie verklaard dat de verstoring van de arbeidsverhouding verder reikt dan alleen [naam 1] en het Team I&D. Uit de brief van [naam 1] aan [verweerder] van 12 maart 2025 volgt dat overigens ook met zoveel woorden. De verstoring speelt niet alleen tussen [naam 1] en [verweerder] maar ook anderen hebben via de vertrouwenspersoon en aan de onderzoekers zorgen geuit over hun samenwerking met [verweerder]. Dat [verweerder] met sommige andere medewerkers juist weer goed kan opschieten en samenwerkt zoals zij heeft betoogd, is niet genoeg voor een ander oordeel over de bredere verstoorde arbeidsverhouding. Gelet hierop komt de kantonrechter tot het oordeel dat de arbeidsverhouding tussen partijen duurzaam en onherstelbaar is verstoord.
Nu de verstoring breder is dan tussen [naam 1] en [verweerder], ligt herplaatsing van [verweerder] binnen de Provincie niet in de rede, zodat de Provincie niet tekortgeschoten is in haar verplichting tot herplaatsing zoals door [verweerder] is betoogd.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de door de Provincie naar voren gebrachte feiten en omstandigheden een (voldragen) grond opleveren voor ontbinding zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW. Het daartoe strekkende verzoek van de Provincie zal daarom worden toegewezen. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 mei 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd. Niet in geschil is immers dat de opzegtermijn voor [verweerder] één maand bedraagt. Daarmee komt de kantonrechter niet meer toe aan de beoordeling van de zogenaamde i-(cumulatie)grond.
Transitievergoeding
Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is indien de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever is ontbonden. Dat is alleen anders indien de werknemer ter zake van de ontbinding een ernstig verwijt kan worden gemaakt, maar daarvan is hier gelet op het voorgaande geen sprake. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:673 lid 2 BW stelt de kantonrechter de transitievergoeding vast op € 10.387,00 bruto.
Billijke vergoeding
[verweerder] heeft verzocht om toekenning van een billijke vergoeding van
€ 1.116.544,76 bruto. Dat bedrag bestaat uit € 891.464,76 bruto aan inkomensschade en een bedrag van € 225.080,00, dan wel € 199.180,00, bruto aan pensioenschade. Volgens [verweerder] is het, gelet op haar medische klachten, onmogelijk om gedurende 18 maanden aan het arbeidsproces deel te nemen. Ook acht [verweerder] het uitgesloten dat zij op termijn een functie op een gelijkwaardig inkomensniveau kan vinden. Voor wat betreft de pensioenschade stelt [verweerder] dat zij er van uitgaat dat haar arbeidsovereenkomst pas per 1 maart 2035 tot een einde zou zijn gekomen. Met het wegvallen van het dienstverband zal voor haar pensioenschade ontstaan van € 225.080,00. Subsidiair stelt [verweerder] dat als gevolg van de handelwijze van de Provincie gedurende haar hele verdere werkzame leven tot aan haar pensioengerechtigde leeftijd een 25% lager inkomen zou genieten.
De Provincie heeft aangevoerd dat geen grond bestaat voor een billijke vergoeding. Als al tot een billijke vergoeding zou worden besloten, dan is de gestelde schade niet reëel volgens de Provincie. De door [verweerder] genoemde scenario’s zijn niet onderbouwd en niet aannemelijk. Ook zijn de uitgangspunten voor de berekening van de pensioenschade onjuist. De door [verweerder] genoemde datum van 1 maart 2035 is willekeurig gekozen. Ook is er in de berekeningen geen rekening gehouden met de invoering van de Wet Toekomst Pensioenen. Volgens de Provincie moet bij het vaststellen van de billijke vergoeding rekening worden gehouden met het feit dat [verweerder] nog maar kort in dienst is en dat zij een goed arbeidsmarktperspectief heeft met gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden. Ook moet volgens de Provincie rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat [verweerder] recht kan hebben op een WW-uitkering, alsmede een bovenwettelijke- en/of nawettelijke WW-uitkering.
De kantonrechter acht een billijke vergoeding van € 45.000,00 bruto in dit geval passend. Hierna wordt uitgelegd waarom.
In het geval van een ontbinding van een arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever is in artikel 7:671b lid 9 aanhef en sub c BW bepaald dat een billijke vergoeding kan worden toegekend "indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever". Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld indien als gevolg van laakbaar gedrag van de werkgever een verstoorde arbeidsrelatie is ontstaan of als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat. In dit geval is sprake van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Dat wordt als volgt toegelicht
De Provincie heeft onvoldoende rekening gehouden met de belangen van [verweerder], die ook haar werknemer is en wiens functioneren zij in ieder geval tot in het najaar van 2024 als goed heeft beoordeeld. De kantonrechter neemt aan dat de Provincie haar vertrouwen in [verweerder] als werknemer is verloren, maar duidelijk is dat de Provincie vooral oog heeft gehad voor een beëindiging van de arbeidsovereenkomst op grond van de bij haar binnengekomen “signalen” van de werkvloer over het handelen van [verweerder]. Niet gebleken is dat de Provincie daarbij de belangen van [verweerder] afdoende heeft gewaarborgd of haar op enig moment concreet op haar handelen heeft aangesproken of gewaarschuwd. Voorts heeft de Provincie niets ondernomen om de inmiddels ontstane vertrouwensbreuk te proberen te herstellen. De Provincie heeft [verweerder] daarentegen op 12 maart 2025 met anonieme klachten op haar functioneren geconfronteerd. [verweerder] heeft bovendien gemotiveerd gesteld dat [naam 1] tijdens de bijeenkomst op 13 maart 2025 al aan het team van [verweerder] heeft meegedeeld dat zij niet meer zou terugkeren. De Provincie heeft dit niet voldoende weersproken. Dat voor die mededeling op dat moment zwaarwegende gronden bestonden of dat daarnaar op dat moment enig onderzoek is gedaan, laat staan dat die gronden met [verweerder] in het kader van hoor en wederhoor zijn besproken, is niet gebleken. Daarmee heeft de Provincie een terugkeer van [verweerder] nog voor het onderzoek feitelijk onmogelijk gemaakt en de belangen van [verweerder] veronachtzaamd. Op zich is voorstelbaar dat de Provincie gezien de “signalen” en anonieme meldingen moest handelen maar zij had [verweerder] een eerlijke kans moeten bieden om zich daartegen te verweren en haar (leidinggevende) gedrag te verbeteren. De Provincie had op dat moment ook kunnen volstaan met een gesprek met de vertrouwenspersoon of een verbetertraject. Ook in het (vervolg)gesprek dat op 2 april 2025 plaatsvond is [verweerder] door de Provincie geconfronteerd met verwijten die in dat gesprek niet (voldoende) concreet zijn geworden. Uit het van dat gesprek opgemaakte verslag – en de wijzigingen daarop van de zijde van [verweerder] – blijkt immers dat [naam 1] geen antwoord wilde geven op de, op zich relevante, vragen van [verweerder] om de verwijten meer te kunnen duiden. [verweerder] heeft zich ook tijdens dat gesprek niet voldoende kunnen verweren tegen de verwijten. Op basis van dat gesprek heeft de Provincie dezelfde dag nog besloten om [verweerder] op non-actief te stellen. De Provincie heeft gezien haar handelwijze op 12 maart en op 2 april 2025 onvoldoende oog gehad voor de belangen van [verweerder] en zodoende niet gehandeld zoals van een zorgvuldig werkgeefster had mogen worden verwacht. Eerst tijdens het gesprek met de onderzoekers in juni 2025 werd voor [verweerder] concreter welke verwijten de Provincie haar maakte. Op dat moment had zij geen reële mogelijkheid meer haar gedrag te verbeteren of om terug te keren. Dat kan de Provincie in ernstige mate kan worden verweten.
Bij de billijke vergoeding gaat het uiteindelijk erom dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de rechter de billijke vergoeding moet bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. Relevante gezichtspunten voor de bepaling van de hoogte zijn de mate waarin de werkgever van de ontbinding een verwijt valt te maken, of de redenen die de werknemer heeft om af te zien van afwijzing van het ontbindingsverzoek aan de werkgever zijn toe te rekenen, of de werknemer inmiddels ander werk heeft gevonden en welke inkomsten hij daaruit geniet, welke andere inkomsten de werknemer in redelijkheid in de toekomst kan verwerven en de hoogte van de aan de werknemer toekomende transitievergoeding. Ook geldt dat de rechter de gevolgen voor de werknemer van het verlies van de arbeidsovereenkomst, voor zover deze zijn toe te rekenen aan het ernstig verwijtbare gedrag van de werkgever, kenbaar dient te betrekken bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding. Bij het bepalen van de vergoeding moet verder worden ingeschat hoe lang de arbeidsovereenkomst naar verwachting zou hebben voortgeduurd als de werkgever niet door ernstig verwijtbaar handelen de verstoring van de arbeidsverhouding en daardoor de ontbinding van de overeenkomst zou hebben veroorzaakt. Tot slot wordt opgemerkt dat, aangezien bij de bepaling van de billijke vergoeding alle omstandigheden moeten worden meegenomen, ook de rol die de werknemer heeft gespeeld, van betekenis is.
Anders dan [verweerder] gaat de kantonrechter er niet van uit dat de arbeidsovereenkomst zou hebben voortgeduurd tot aan de door haar genoemde datum van 1 maart 2035 als de Provincie niet ernstig verwijtbaar had gehandeld. Waarom [verweerder] voor deze datum heeft gekozen is door haar ook niet voldoende concreet toegelicht. Bovendien blijkt uit het voorgaande dat er voorafgaand aan het onderzoek meerdere meldingen waren over het gedrag van [verweerder] als leidinggevende, die na het onderzoek in aantal zijn toegenomen. Weliswaar heeft de Provincie gelet op het voorgaande te voortvarend gehandeld met de time-out en de schorsing, maar aannemelijk is dat die meldingen anders aanleiding waren geweest voor een verbetertraject of andere werkafspraken. Bovendien zouden ook de verwijten met betrekking tot de werkplek van de archiefmedewerkers en de niet passende afspraken over de vakantie uren die tijdens en na het onderzoek aan het licht zijn gekomen, reden zijn geweest voor de Provincie om [verweerder] aan te spreken en verbeterafspraken te maken mede omdat die verwijten betrekking hebben op integriteit. In algemene zin is onzeker hoe een dergelijk traject zou verlopen. De kantonrechter acht het redelijk dat dit in ieder geval een aantal maanden zou hebben geduurd. De billijke vergoeding sluit daar bij aan, waarbij ook rekening is gehouden met het feit dat [verweerder] andere vergoedingen ontvangt. [verweerder] heeft na de ontbinding van de arbeidsovereenkomst recht op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet vermeerderd met de bovenwettelijke aanspraken uit hoofde van de cao, waarover hierna meer. De inkomensschade als gevolg van het wegvallen van het salaris wordt daarmee ook reeds deels gecompenseerd. Bovendien heeft [verweerder] gedurende het afgelopen jaar wel salaris ontvangen, terwijl daar geen arbeidsprestatie van [verweerder] tegenover heeft gestaan. Ten slotte heeft de kantonrechter bij het bepalen van de billijke vergoeding ook de relatief korte periode die de arbeidsovereenkomst heeft geduurd betrokken. Ook is aannemelijk dat [verweerder] gelet op haar leeftijd en arbeidservaring een andere dienstbetrekking kan vinden. [verweerder] heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat er geen andere arbeidsmogelijkheden zijn. Deze omstandigheden leiden tot het oordeel dat een billijke vergoeding van € 45.000,00 aangewezen is.
[verweerder] heeft nog gesteld dat zij PTSS lijdt als gevolg van het handelen van de provincie. Op grond van de door haar overgelegde documentatie kan echter niet worden vastgesteld dat die diagnose is gesteld. Er is wel een behandelplan opgesteld voor behandeling van psychische klachten die volgens [verweerder] het gevolg zijn van de houding van de Provincie, maar op basis van de stukken kan dit verband niet in objectieve zin worden vastgesteld. De stelling van [verweerder] dat zij pensioenschade lijdt omdat zij haar hele verdere werkzame leven tot aan haar pensioengerechtigde leeftijd een 25% lager inkomen zal genieten is evenmin door haar onderbouwd. Nu dit niet tot een ander oordeel leidt, hoeft de Provincie op dit punt geen gelegenheid te krijgen voor een akte, zoals zij heeft gevraagd.
Aanvullende WW-voorzieningen conform cao
[verweerder] stelt dat zij op grond van de toepasselijke cao, in het geval de werkgever voornemens is om te verzoeken de arbeidsovereenkomst op grond van een verstoorde arbeidsverhouding te ontbinden, recht heeft op aanvullende voorzieningen bij werkloosheid. Eén en ander voor zover er recht bestaat op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.
De Provincie voert aan dat geen recht op de aanvullende voorzieningen in de cao bestaat als de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens verwijtbaar handelen of de cumulatiegrond. De aanspraak bestaat voorts alleen voor zover er recht bestaat op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.
Nu wordt ontbonden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding, doen de door de Provincie aangevoerde uitzonderingen zich hier niet voor. [verweerder] heeft daarom in beginsel recht op de bovenwettelijke en nawettelijke voorzieningen uit hoofde van de cao. De Provincie heeft alleen nog betoogd dat het recht op uitkering uitsluitend bestaat als ook het UWV heeft vastgesteld dat aanspraken bestaan. Voor het overige heeft de Provincie geen verweer gevoerd tegen dit deel van de vordering. De kantonrechter zal dit verzoek dan ook toewijzen onder de voorwaarde dat die aanspraken slechts bestaan indien en voor zover het UWV heeft vastgesteld dat [verweerder] recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.
Rectificatie
Het verzoek van [verweerder] om de Provincie te veroordelen een rectificatie te plaatsen zal worden afgewezen. [verweerder] heeft bij toewijzing van dat verzoek niet voldoende belang omdat de mededeling dat [verweerder] niet zou terugkeren alleen binnen de Provincie is verspreid. Daar komt bij dat in deze beschikking gemotiveerd is beslist over de standpunten van partijen. Daarmee zijn de door de Provincie aan [verweerder] gemaakte verwijten reeds inhoudelijk beoordeeld. Ten slotte overweegt de kantonrechter dat terugkeer van [verweerder] binnen de Provincie niet aan de orde is hetgeen ook het belang tot rectificatie bij [verweerder] weg neemt. [verweerder] heeft wel gesteld dat zij ook bij een ontbinding op de g-grond belang heeft bij rectificatie, maar dat belang is gelet op het voorgaande onvoldoende gebleken.
Mogelijkheid tot intrekking verzoek
De Provincie krijgt gelet op artikel 7:686a lid 6 BW de gelegenheid om het verzoek in te trekken, binnen de in het dictum genoemde termijn, omdat aan de ontbinding een billijke vergoeding wordt verbonden.
Proceskosten
[verweerder] heeft primair verzocht om een vergoeding van haar werkelijke advocaatkosten. Dit verzoek wordt afgewezen. Het gaat hier om kosten die vallen onder de proceskosten van artikel 237 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Doorgaans worden die berekend op grond van het liquidatietarief. Alleen in bijzondere omstandigheden, in het geval van misbruik van procesrecht of van onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure door één van de partijen, worden werkelijke proceskosten toegewezen. Daarbij past terughoudendheid. De kantonrechter volgt [verweerder] niet in haar stelling dat er sprake is van misbruik van procesrecht omdat de Provincie haar verzoek alleen heeft gebaseerd op het rapport van Strated dat volgens [verweerder] uitermate gekleurd en éénzijdig opgesteld is. Wat er ook zij van het rapport van Strated, niet kan worden gezegd dat de Provincie van het indienen van het verzoek had behoren af te zien. De kantonrechter is van oordeel dat er ook anderszins geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de Provincie misbruik heeft gemaakt van procesrecht of anderszins onrechtmatig heeft gehandeld. Het enkele feit dat sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan haar zijde is daarvoor onvoldoende.
De kantonrechter zal de Provincie, zowel voor het geval zij haar verzoekt intrekt als voor het geval zij dat verzoek handhaaft, veroordelen in de forfaitaire kosten volgens het liquidatietarief omdat er sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan haar zijde. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden vastgesteld op € 1.298,00 (€ 1.154,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
6. De beslissing
De kantonrechter
stelt de Provincie in de gelegenheid om het verzoek uiterlijk 27 maart 2026 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de gemachtigde van [verweerder];
voor het geval de Provincie het verzoek niet binnen die termijn intrekt:
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 mei 2026;
veroordeelt de Provincie om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van
€ 10.387,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening;
kent aan [verweerder] een billijke vergoeding toe die begroot wordt op € 45.000,00 (vijfenveertig duizend euro) bruto en veroordeelt de Provincie tot betaling daarvan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden tot aan de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt de Provincie, onder de voorwaarde dat het UWV heeft vastgesteld dat [verweerder] recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, tot uitvoering van de aanvullende voorzieningen, bestaande uit een bovenwettelijke uitkering op de WW, zoals bedoeld in paragraaf 10.5 van de cao en een nawettelijke uitkering, zoals bedoeld in paragraaf 10.6 van de cao;
zowel ingeval van intrekking als bij handhaving van het verzoek
veroordeelt de Provincie in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de Provincie niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.