ECLI:NL:RBOVE:2026:1499

ECLI:NL:RBOVE:2026:1499

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 19-03-2026
Zaaknummer 11774800 \ CV EXPL 25-2007
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Afwijzing vordering werknemer dat werkgever het hem moet toestaan om werkdagen van 9 uur te werken. Art. 2 lid 7 Wfw. Belangenafweging.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 11774800 \ CV EXPL 25-2007

Vonnis van 17 maart 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. M.A. Verboven,

tegen

[gedaagde] B.V.,

te [vestigingsplaats],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. L.W. Engelman.

1. De zaak en het oordeel in het kort

[eiser] heeft een arbeidsovereenkomst met [gedaagde] voor 40 uur per week. [eiser] heeft [gedaagde] verzocht om vermindering van zijn werkuren tot 36 uur per week en om spreiding van die uren over vier werkdagen van negen uur. [gedaagde] heeft ingestemd met het verzoek om vermindering van het aantal uren, maar heeft niet ingestemd met werkdagen van negen uur. [eiser] vindt dat zijn belang om vier werkdagen van negen uur te werken zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij een werkdag van maximaal acht uur. Hij vordert daarom in deze procedure dat [gedaagde] moet toestaan dat hij negen uur per dag werkt.

De kantonrechter zal de vordering van [eiser] afwijzen en zal hierna uitleggen waarom.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;- de conclusie van antwoord;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;

- de mondelinge behandeling van 16 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

[eiser] is op 4 december 2006 in dienst getreden bij [gedaagde] als medewerker Verkoop Industriële Toelevering, voor 40 uur per week. In artikel 7 van de arbeidsovereenkomst zijn de bepalingen uit het bedrijfshandboek van [gedaagde] van toepassing verklaard.

In het bedrijfshandboek is over de werktijden het volgende opgenomen:

Werktijden

De dagelijkse werktijden zijn als volgt vastgesteld:

Distributiecentrum: 8:00 uur -17:00 uur, inclusief 1 uur pauze (zie ook art. 5.12)

Kantoor: 8:30 uur - 17:00 uur, inclusief ½ uur pauze.

Werken buiten de vastgestelde werktijden

Buiten de vastgestelde werktijden mag alleen worden gewerkt met toestemming van de direct leidinggevende.

Op 4 maart 2025 heeft [eiser] [gedaagde] per e-mail verzocht om een werkweek van 36 uur verdeeld over vier dagen van negen uur, met donderdag als vaste vrije dag. [gedaagde] heeft per e-mail geantwoord dat een werkweek van 36 uur akkoord is, maar dat het verzoek om een werkdag van negen uur wordt afgewezen. Daarbij heeft [gedaagde] aangegeven dat [eiser] kan kiezen voor een werkweek van vier dagen van acht uur, gevolgd door een werkweek van vijf dagen van acht uur, of voor een werkweek van vier dagen van acht uur (32 uur in totaal), met donderdag als vaste vrije dag.

Partijen hebben vervolgens gecorrespondeerd over de aanvraag van [eiser] en de afwijzing daarvan, in het licht van De Wet Flexibel Werken.

4. Het geschil

[eiser] vordert - samengevat - uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen het [eiser] toe te staan om vier dagen van negen uur per week te werken, met daarbij de donderdag als vaste vrije dag, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat [gedaagde] niet aan de veroordeling voldoet, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

De kantonrechter overweegt vooropgesteld dat [gedaagde] heeft ingestemd met vermindering van het aantal uren per week en de donderdag als vaste vrije dag van [eiser]. In deze zaak moet daarom (alleen) de vraag beantwoord worden of [gedaagde] moet instemmen met werkdagen van negen uur.

Wet Flexibel Werken

De Wet Flexibel Werken (Wfw) is van toepassing op het verzoek van [eiser]. In artikel 2 van de Wfw is onder andere het volgende opgenomen:

“(…)

5. De werkgever willigt het verzoek van de werknemer om aanpassing van de arbeidsduur of de werktijd in, voor zover het betreft tijdstip van ingang en de omvang van de aanpassing, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.

(…)

7. De werkgever stelt de spreiding van de uren vast overeenkomstig de wensen van de werknemer. De werkgever kan de gewenste spreiding van de uren wijzigen, indien hij daarbij een zodanig belang heeft dat de wens van de werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.

(…)”

Wfw-verzoek is rechtsgeldig

[gedaagde] voert primair aan dat [eiser] geen verzoek heeft gedaan zoals bedoeld in artikel 2 lid 3 Wfw, omdat hij in zijn verzoek geen tijdstip van ingang van de wijziging heeft vermeld en dat de vordering van [eiser] op die grond moet worden afgewezen. De kantonrechter volgt [gedaagde] daar niet in. In de e-mail van 4 maart 2025 heeft [eiser] gevraagd om vermindering van zijn aantal werkuren per week en om een andere spreiding daarvan (vier dagen van negen uur), en heeft tot slot aangegeven: “Hoor graag wat de vervolg stappen zijn. En vanaf wanneer het ingaat”. Daarmee is duidelijk dat [eiser] voor de ingangsdatum van de wijziging afstemming wilde met [gedaagde]. Bovendien heeft [gedaagde] het verzoek van [eiser], gelet op haar reactie, ook opgevat als een verzoek in de zin van artikel 2 lid 3 Wfw en is zij daar inhoudelijk op in gegaan. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan het primaire verweer van [gedaagde].

Tijdige reactie [gedaagde] en geen mondeling akkoord van leidinggevende

[eiser] stelt dat [gedaagde] te laat heeft gereageerd op zijn verzoek omdat zij niet binnen één maand voor de beoogde ingangsdatum van 5 april 2025 heeft gereageerd. Volgens [eiser] is zijn werktijd daarom op grond van artikel 2 lid 12 Wfw aangepast conform zijn verzoek. De kantonrechter volgt [eiser] niet in dat standpunt omdat vaststaat dat [gedaagde] op 7 maart 2025 per e-mail heeft gereageerd en zijn verzoek om dagen van negen uur te mogen werken heeft afgewezen.

De kantonrechter volgt [eiser] ook niet in zijn standpunt dat zijn direct leidinggevende de heer [naam 1] (hierna [naam 1]), mondeling akkoord heeft gegeven op zijn verzoek en [gedaagde] daar aan gebonden is. Zoals volgt uit de door [gedaagde] overgelegde verklaringen van [naam 1] en de heer [naam 2] (die ook bij dat gesprek aanwezig was) heeft [naam 1] geen onvoorwaardelijk akkoord gegeven en heeft hij [eiser] verwezen naar de HR-afdeling en de directie. [eiser] heeft in reactie hierop onvoldoende gesteld om aan te nemen dat er wel een toezegging is gedaan. Bovendien kon [naam 1], zoals [gedaagde] onbetwist heeft aangevoerd, geen onvoorwaardelijk akkoord geven omdat de direct leidinggevende volgens artikel 7.2 van het bedrijfshandboek bevoegd is toestemming te geven om buiten de vastgestelde werktijden te werken, maar niet om het maximale aantal uren per dag uit te breiden.

Belangenafweging

Zoals hiervoor onder 5.1. is overwogen, heeft [gedaagde] ingestemd met vermindering van het aantal werkuren van [eiser] op grond van artikel 2 lid 5 Wfw. Op de verzochte spreiding van de werkuren (vier dagen van negen uur) is lid 7 van dat artikel van toepassing. Daaruit volgt dat de werkgever de spreiding van de uren conform het verzoek van de werknemer toestaat, tenzij zij een zodanig belang heeft dat de wens van de werknemer daarvoor moet wijken. Dat betekent dat het belang van [eiser] bij (vier) werkdagen van negen uur, moet worden afgewogen tegen het belang van [gedaagde] bij werkdagen van maximaal acht uur.

[eiser] voert aan dat hij belang heeft bij een werkweek van vier dagen van negen uur omdat hij graag één dag per week vrij wil. Die dag is nodig voor een betere balans tussen werk en privé en zal hem meer mentale rust geven. Omdat het financieel niet haalbaar is om vier dagen van acht uur (32 uur per week) te werken en hij wel elke week één dag vrij wil om los te komen van het werk, wil hij graag vier dagen van negen uur (36 uur) per week werken.

[gedaagde] stelt dat zij belang heeft bij een werkdag van (maximaal) acht uur en dat het belang van [eiser] daarvoor moet wijken. Zij voert daartoe samengevat aan dat binnen de groep Deli Home (waarvan [gedaagde] onderdeel is) de hoofdregel geldt dat een werkdag van meer dan acht uur niet wenselijk is. Dat beleid is ter voorkoming van organisatorische en roostertechnische problemen die zullen ontstaan wanneer meerdere werknemers werkdagen van negen uur willen om zo een dag vrij te kunnen zijn. Ook is dat beleid bedoeld om mentale en fysieke overbelasting van de werknemers te voorkomen. Ook zijn langere werkdagen volgens [gedaagde] niet wenselijk omdat dit leidt tot verminderde productiviteit en kwaliteit. Verder voert zij aan dat zij precedentwerking wil voorkomen en dat het onrust binnen het team zal veroorzaken wanneer [gedaagde] het [eiser] toestaat negen uur per dag te werken. Tot slot voert [gedaagde] aan dat de werknemer bij een voorstel tot een andere spreiding van de werkuren, binnen de voor de werkgever gebruikelijke arbeidstijden moet blijven, en dat de gebruikelijke arbeidstijden volgens het artikel 7.1 van het bedrijfshandboek, uitgaan van een werkdag van acht uur.

Naar het oordeel van de kantonrechter weegt het gestelde belang van [eiser] om één dag per week vrij te zijn (en niet te veel terug te gaan in salaris) niet zwaarder dan het belang van [gedaagde] van een werkdag van acht uur. Daarvoor is het volgende redengevend. [gedaagde] erkent het belang van [eiser] om een dag per week vrij te zijn en los te komen van het werk. Zij heeft hem daarom ook alternatieven geboden om minder te gaan werken zonder terug te gaan in salaris, zoals een werkweek van viereneenhalve dag of een werkweek van afwisselend vier en vijf dagen van acht uur. Daarbij komt dat [gedaagde] voldoende heeft onderbouwd dat zij belang heeft bij een beleid van werkdagen van (in beginsel) acht uur en dat het precedentwerking heeft wanneer zij het [eiser] toestaat negen uur per dag te werken. Ook heeft zij voldoende toegelicht dat, indien meerdere werknemers negen uur per dag willen werken (waardoor zij op andere dagen vrij zijn) er roostertechnische problemen zullen ontstaan en er gevaar is voor onderbezetting.

Anders dan [eiser] aanvoert is het beleid van [gedaagde] om in beginsel geen werkdagen van langer dan acht uur toe te staan, niet in algemene zin in strijd met de Wfw. Zoals [gedaagde] heeft toegelicht doet zij bij elk verzoek een individuele belangenafweging en, indien het gelet op de zwaarwegende belangen van de werknemer noodzakelijk is, staat zij een afwijkende spreiding van uren wel toe. Ook leidt het feit dat [gedaagde] het een collega van [eiser] enkele jaren geleden wel heeft toegestaan om negen uur per dag te werken, er niet toe dat het verzoek van [eiser] nu ook moet worden toegestaan. Zoals [gedaagde] heeft aangevoerd, heeft er ook in dat geval een individuele belangenafweging plaatsgevonden en is het die werknemer, vanwege zwaarwegende persoonlijke omstandigheden, toegestaan negen uur per dag te werken.

[eiser] heeft, anders dan dat het voor de balans tussen werk en privé fijn is één dag per week minder te werken zonder terug te gaan in loon, geen zwaarwegende persoonlijke belangen bij vier werkdagen van negen uur aangevoerd. Mede gelet op de alternatieven die [gedaagde] [eiser] heeft geboden, weegt het belang van [eiser] niet zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij werkdagen van in beginsel (maximaal) acht uur. [eiser] heeft niet voldoende toegelicht waarom bijvoorbeeld het alternatief om één dag in de veertien dagen vrij te zijn, niet voor voldoende balans zal zorgen en waarom daarvoor het (organisatorische) belang van [gedaagde] moet wijken. De stelling van [eiser] tijdens de mondelinge behandeling dat het overzichtelijker is om elke week één dag vrij te zijn, is daarvoor niet genoeg. De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] gelet op het voorgaande af.

Proceskosten

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

288,00

(2 punten × € 144,00)

- nakosten

72,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

360,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6. De beslissing

De kantonrechter

wijst de vorderingen van [eiser] af,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 360,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.(mb)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?