RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12064129 \ CV EXPL 26-218
Vonnis in kort geding van 17 maart 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap PROCESSIONALS B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende in Apeldoorn,
eisende partij, hierna te noemen: Processionals,
gemachtigde: mr. S. Coerts,
tegen
[gedaagde] ,
wonende in [woonplaats],
gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. A. Arslan.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van 11 februari 2026;
- het verweerschrift met producties;
- de aanvullende producties van de zijde van Processionals;
- de mondelinge behandeling van 3 maart 2026, waar beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd en waar de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat er is besproken.
2. De feiten
[gedaagde] is op 1 maart 2021 in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van Processionals. Omdat de verschillende ondernemingen waaruit Processionals bestond in 2023 in één vennootschap zijn ondergebracht, is [gedaagde] als gevolg van de overgang van de onderneming op 14 augustus 2023 bij Processionals in dienst gekomen.
In verband met het overgaan van de onderneming heeft [gedaagde] op verzoek van Processionals op 1 augustus 2023 een nieuw relatie-, concurrentie-, geheimhoudings-, antironsel- en boetebeding ondertekend. Deze luiden voor zover van belang als volgt:
“ARTIKEL 12 RELATIEBEDING EN CONCURRENTIEBEDING
Het is werknemer gedurende 12 maanden na het einde van het dienstverband, ongeacht de wijze waarop de arbeidsovereenkomst tot een einde is gekomen, niet toegestaan om zonder voorafgaande uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van werkgever, binnen een straal van 75 kilometer van de standplaats van de werknemer, direct of indirect en al dan niet om niet in dienst te treden bij of op enigerlei wijze werkzaamheden te verrichten voor een onderneming, persoon of organisatie die gelijke of soortgelijke diensten en/of producten aanbiedt/verleent als werkgever of aan werkgever gelieerde ondernemingen, dan wel op enigerlei andere wijze betrokken te zijn bij of belang te hebben bij/in een dergelijke onderneming, persoon of organisatie, of direct of indirect en al dan niet om niet voor eigen rekening gelijke of soortgelijke diensten en/of producten als werkgever of aan werkgever gelieerde ondernemingen aan te bieden/te verlenen, dan wel op enigerlei andere wijze betrokken te zijn bij of belang te hebben bij/in een dergelijke onderneming, persoon of organisatie.
Het is werknemer gedurende 24 maanden na het einde van het dienstverband, ongeacht de wijze waarop de arbeidsovereenkomst tot een einde is gekomen, niet toegestaan om zonder voorafgaande uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van werkgever klanten en relaties van werkgever of aan werkgever gelieerde ondernemingen, direct of indirect en al dan niet om niet, te benaderen, adviseren, bedienen of met hen zaken te doen in de ruimste zin des woords. Voor dit beding is niet relevant hoe lang het geleden is dat er zaken zijn gedaan met de klant of contact is geweest met de relatie.
Motivering zwaarwegende bedrijfsbelangen
Processionals werft en detacheert technische-, leidinggevende of ondersteunende functies op MBO, HBO & WO niveau die vallen onder afdeling productie, onderhoud, R&D en bedrijfsbureau bij procesindustriële bedrijven in Nederland. De recruitment en- detacheringsbranche waarin Processionals opereert is vanwege de schaarste in professionals en vele concurrerende partijen op dit gebied, zeer concurrentiegevoelig. Werknemer zal direct vanaf de aanvang van het dienstverband kennis verwerven van het door Processionals opgebouwde netwerk, het marktgebied, de behoeften en de werkwijze van Processionals. Werknemer is werkzaam bij Processionals in de functie van Recruitment Consultant bij Processionals B.V. In zijn/haar functie komt Werknemer in aanraking met gevoelige strategische informatie, (raam)overeenkomsten die met opdrachtgevers en kandidaten worden gesloten. Werknemer heeft uit hoofde van zijn/haar functie tevens inzicht in het klantenbestand en de specifieke behoeften van de opdrachtgevers. Werknemer is daarbij bekend met de vertrouwelijke tariefafspraken met opdrachtgevers en kandidaten, alsook met de margeafspraken binnen Processionals. Wanneer werknemer, na beëindiging van de arbeidsovereenkomst, gebruik maakt van deze specifieke kennis en/of bedrijfsinformatie ten behoeve van een Concurrent en/of Relaties van Processionals, zal Processionals daardoor onevenredig worden benadeeld. Omdat het belang van Processionals niet uitsluitend ziet op het voorkomen van openbaring van de informatie die Werknemer verkrijgt maar ook op het voorkomen van het gebruik en/of het inzetten van de kennis, kunde en vaardigheden die Werknemer opdoet, kan het belang van Processionals niet enkel door een geheimhoudingsbeding beschermd worden. Gelet op de zwaarwegende bedrijfs- en/of dienstbelangen van Processionals in samenhang met de zeer concurrentiegevoelige detacheringsbranche waarin Processionals opereert is het concurrentie- en relatiebeding zoals opgenomen in lid 1 en lid 2 van dit artikel dan ook noodzakelijk. Deze noodzaak wordt door werknemer erkend.
ARTIKEL 13 GEHEIMHOUDING EN “VERBOD OM WERKNEMERS MEE TE NEMEN
(…)
ARTIKEL 14 BOETEBEDING
1. In geval van schending door werknemer van artikel 12 en 13 van deze overeenkomst verbeurt werknemer aan werkgever, voor zover vereist in afwijking van artikel 7:650 BW, lid 3 en lid 5 in het bijzonder, een onmiddellijk opeisbare boete van € 15.000,00 voor iedere overtreding, vermeerderd met een bedrag van € 2.000,00 voor elke dag dat de overtreding voortduurt, zonder dat daartoe een sommatie of ingebrekestelling is vereist.
(…)”
In februari 2025 zijn partijen een beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 april 2025 overeengekomen. Partijen hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin in artikel 6 staat vermeld dat “alle postcontractuele verplichtingen, zoals onder meer het geheimhoudingsbeding, het non-concurrentie- en het relatiebeding met inbegrip van het boetebeding na de einddatum onverminderd van kracht blijven”.
Ten aanzien van het concurrentiebeding en het relatiebeding is een aparte bijlage bij de vaststellingsovereenkomst opgenomen, die door beide partijen is ondertekend, waarin het volgende is vermeld:
“[Partijen]
VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN DAT:
Alle postcontractuele verplichtingen die voortvloeien uit de meest recente bevestiging betreffende de herstructurering, d.d. 1 juni 2023 die op 1 augustus 2023 door jou ondertekend is, zoals onder meer het geheimhoudingsbeding en het relatiebeding met inbegrip van het boetebeding onverminderd van kracht blijven na de Einddatum.
Het in de recente bevestiging betreffende herstructurering d.d. 1 juni 2023 getekend op 1 augustus 2023, met medewerker overeengekomen non-concurrentiebeding blijft van kracht met toevoeging dat beding gericht is op de Procesindustrie.
Tussen partijen onderstaande relatie- en functielijst als toevoeging hebben opgesteld waarop de postcontractuele verplichtingen van toepassing zijn.”
Partijen hebben in deze bijlage een lijst met klanten en functies opgenomen waarvoor het relatiebeding voor [gedaagde] van toepassing blijft.
Op 19 februari 2025 heeft [naam 1] , manager HR bij Processionals, het volgende aan [gedaagde] gemaild:
“Naar aanleiding van het gesprek dat je vandaag hebt gevoerd met [naam 2], stuur ik je deze e-mail met een aanvullende toelichting op de vaststellingsovereenkomst.
Indien je een nieuwe baan vindt bij een organisatie binnen de recruitment- of uitzendbranche die uit verschillende labels bestaat, waarbij de Procesindustrie er één van is, krijg je toestemming om voor deze organisatie te werken. Het concurrentie- en relatiebeding blijft echter van kracht voor het label dat actief is binnen de Procesindustrie, indien je werkzaamheden gaat verrichten binnen dit specifieke label.
Wij willen benadrukken dat overleg met ons wenselijk is om eventuele onduidelijkheden te voorkomen, zoals over de organisatie, het label waarvoor je zou gaan werken of andere relevante aspecten.”
[gedaagde] heeft op 16 april 2025 samen met zijn zwager de vennootschap onder firma “[bedrijf]” opgericht. [gedaagde] is een van de vennoten. Volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel richt [bedrijf] zich op recruitment voor de procesindustrie en het vastgoedonderhoud.
Eind november 2025 heeft Processionals [gedaagde] aangeschreven en aanspraak gemaakt op betaling van tot op dat moment verbeurde boetes.
3. Het geschil
Processionals vordert dat de kantonrechter:
I. [gedaagde] zal gebieden om per direct geen inbreuk te maken op het geheimhoudingsbeding, het “verbod om werknemers mee te nemen”-beding, het concurrentiebeding en het relatiebeding en iedere gemaakte inbreuk per direct te staken en gestaakt te houden, zulks op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag dat [gedaagde] geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 500.000,00;
II. [gedaagde] zal gebieden om per direct de activiteiten van de vennootschap onder firma [bedrijf] die zien op de procesindustrie te staken en gestaakt te houden tot 31 maart 2026, dan wel [gedaagde] te gebieden om per direct als vennoot uit te treden uit de vennootschap [bedrijf] en het bewijs van de staking, dan wel van de uittreding aan Processionals te verstrekken binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, zulks op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag dat [gedaagde] geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 500.000,00;
III. [gedaagde] zal veroordelen om € 100.000,00 aan voorschot op de verbeurde boetes aan Processionals te betalen;
IV. [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Processionals, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Processionals, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Processionals in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4. De beoordeling
Toetsingskader
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing van de vorderingen is nodig dat Processionals bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Daarnaast moet de kantonrechter een voorlopig oordeel over de vorderingen vormen. Vereist is dat met voldoende mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat de vorderingen in een bodemprocedure voor toewijzing in aanmerking komen. Verder is voor bewijslevering in een kort geding in beginsel geen plaats.
Spoedeisend belang
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Processionals voldoende onderbouwd dat zij een spoedeisend belang bij haar vorderingen heeft. Processionals vordert een gebod om de post-contractuele bedingen uit de arbeids- en vaststellingsovereenkomst na te komen en stelt dat [gedaagde] die bedingen op dit moment schendt, waardoor Processionals schade lijdt. Daarmee heeft Processionals het spoedeisend belang voldoende aannemelijk gemaakt.
Geen dwaling
[gedaagde] heeft ten eerste aangevoerd dat het nieuwe relatiebeding, concurrentiebeding en boetebeding, dat hij op 1 augustus 2023 heeft ondertekend, onder invloed van dwaling tot stand zijn gekomen, omdat hij op het moment van tekenen niet wist dat de bedingen ten opzichte van de eerdere bedingen in de arbeidsovereenkomst gewijzigd waren. De kantonrechter verwerpt dat verweer. De begeleidende brief bij de nieuwe bedingen maakt uitdrukkelijk melding van een nieuw concurrentiebeding en van de wijzingen die in het beding zijn doorgevoerd. Dat Processionals [gedaagde] op een ongepaste manier heeft laten tekenen voor een beding dat hem in zijn rechten beperkt, blijkt nergens uit en dat heeft [gedaagde] dan ook onvoldoende onderbouwd.
Het geheimhoudings- en anti-ronselbeding
Voor zover de vordering van Processionals ziet op het geheimhoudingsbeding en het “verbod om werknemers mee te nemen”-beding zal het worden afgewezen. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] zijn verplichtingen uit deze bedingen heeft geschonden of dreigt te schenden.
Uitleg van het concurrentie- en relatiebeding
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] na zijn uitdiensttreding bij Processionals met zijn zwager de vof [bedrijf] heeft opgericht en dat hij daarvan op 16 april 2025 vennoot is geworden. Vast staat dat deze vof zich richt op recruitment voor de procesindustrie en het vastgoedonderhoud.
Processionals heeft gesteld dat [gedaagde] betrokken is en belang heeft in een organisatie die in de procesindustrie actief is. Voor zover Processionals zich (ook) op het standpunt stelt dat [gedaagde] binnen de vof zelf werkzaamheden uitvoert die zich op de procesindustrie richten, heeft Processionals dat onvoldoende (nader) onderbouwd. [gedaagde] heeft betwist dat hij zich bezighoudt met de procesindustrie. Zijn zwager richt zich op die tak, aldus [gedaagde], en hij heeft er zelf geen enkele bemoeienis mee. Processionals heeft betoogd dat dat ongeloofwaardig is, maar heeft haar stellingen inhoudelijk niet nader toegelicht. Processionals erkent ook dat zij dat nog niet kan bewijzen. Bij die stand van zaken kan niet worden aangenomen dat [gedaagde] werkzaamheden ook zijn gericht op de procesindustrie.
De vraag die overblijft is de vraag of het feit dat [gedaagde] vennoot is in een door [gedaagde] en zijn zwager opgerichte vof die zich mede richt op de procesindustrie een schending van het concurrentie- en relatiebeding oplevert. Daarbij is van belang wat partijen daarover hebben afgesproken.
Bij de uitleg van het concurrentiebeding en van wat partijen in het addendum hebben afgesproken is niet alleen de tekst van hetgeen is overeengekomen van belang, maar vooral wat partijen redelijkerwijs van elkaar mochten begrijpen en verwachten. Daarbij zijn de feiten en de omstandigheden waaronder de afspraken tot stand zijn gekomen van belang (de Haviltex-norm).
Vast staat dat partijen tegen het einde van de arbeidsovereenkomst met elkaar hebben gesproken en hebben afgesproken in hoeverre de post-contractuele bedingen van kracht zouden blijven. Naar aanleiding van die onderhandelingen hebben partijen op of rond 17 februari 2025 (maar in ieder geval voor 19 februari 2025) het addendum op de vaststellingsovereenkomst opgesteld (zie 2.4.). Omdat inhoud van de gemaakte afspraken – in ieder geval voor [gedaagde] – (nog) niet helemaal duidelijk was, hebben partijen nogmaals met elkaar gesproken. Daarna heeft Processionals de e-mail van 19 februari 2025 verzonden (zie 2.5.). Daarna heeft [gedaagde] het addendum ondertekend.
Processionals stelt dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] mocht werken voor een onderneming die (ook) een label heeft in de procesindustrie, zolang [gedaagde] niet voor dat label zou gaan werken. [gedaagde] mocht niet zelf een onderneming in de recruitment starten als die zich mede zou richten op de procesindustrie. Het concurrentiebeding en addendum verbieden [gedaagde] immers om op enigerlei wijze betrokken te zijn bij of belang te hebben in een onderneming die zich bezighoudt met de procesindustrie. In de e-mail van 19 februari 2025 heeft Processionals bevestigd wat [gedaagde] wel mocht en dat ziet volgens Processionals duidelijk op het in dienst treden bij een bestaande onderneming. [gedaagde] had geen toestemming om zelf een onderneming te starten die recruitment voor de procesindustrie zou verzorgen, ook niet als hij zich niet met de procesindustrie zou bezighouden, aldus Processionals.
Volgens [gedaagde] hebben partijen op 19 februari 2025 gesproken over wat [gedaagde] wel en niet zou mogen en is daarbij ook het opstarten van een eigen onderneming besproken. Processionals heeft [gedaagde] toestemming gegeven om te gaan werken of betrokken te zijn bij een bedrijf of organisatie waar ook recruitment voor de procesindustrie zou worden verzorgd, zolang hij zich daar zelf niet mee bezig zou houden. Het is volgens [gedaagde] dus toegestaan dat zijn mede-vennoot zich richt op de recruitment voor de procesindustrie. Volgens [gedaagde] heeft Processionals – juist vanwege haar toestemming op het vlak van het concurrentiebeding – het relatiebeding daarom aangescherpt.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Bij de uitleg van het concurrentie- en relatiebeding en het addendum zijn ook hetgeen partijen op 19 februari 2025 hebben besproken en de e-mail van 19 februari 2025 van belang. Dat gesprek en die e-mail zeggen namelijk iets over de bedoeling die partijen met het addendum hebben gehad.
Tussen partijen is niet in geschil dat partijen in het addendum hebben afgesproken dat het geldende concurrentiebeding van kracht blijft en dus zowel van toepassing blijft in geval van betrokkenheid bij een onderneming als in geval van het hebben van belang bij of in een onderneming, maar dat dit enkel zal gelden voor de procesindustrie. Uit de e-mail van 19 februari 2025 kan worden afgeleid dat partijen op die dag nog hebben gesproken over dat addendum en dat Processionals vervolgens aan [gedaagde] heeft bericht dat “als [gedaagde] een nieuwe baan vindt bij een organisatie binnen de recruitment- of uitzendbranche die uit verschillende labels bestaat, waarbij de Procesindustrie er één van is, hij toestemming krijgt om voor deze organisatie te werken”.
Partijen verschillen van mening over hoe “een nieuwe baan vinden” en “voor een organisatie werken” moet begrepen. Door Processionals is dat opgevat als (beperkt tot) “in dienst treden” van een werkgever en door [gedaagde] is opgevat als dat daaronder ook kan worden begrepen het worden van een vennoot van een vennootschap onder firma (met meerdere labels waaronder procesindustrie). De vraag die voorligt is of aannemelijk is geworden dat [gedaagde] de e-mail niet in die zin redelijkerwijs heeft mogen opvatten. Naar voorlopig oordeel van de kantonrechter is dat niet aannemelijk geworden. Daartoe overweegt de kantonrechter dat een tekstuele uitleg niet dwingt tot de conclusie dat onder ‘een nieuwe baan vinden’ en ‘voor een organisatie werken’ alleen “in dienst treden” wordt verstaan. Gesteld noch gebleken is dat partijen dit in het gesprek op 19 februari 2025 op die manier hebben besproken. Processionals heeft bovendien niet weersproken dat partijen op 19 februari 2025 hebben gesproken over het starten van een eigen onderneming door [gedaagde]. Niet gesteld of gebleken is dat Processionals toen heeft benoemd dat [gedaagde] alleen een eigen onderneming mocht starten indien deze geen enkel label in de procesindustrie zou hebben. Gelet op de aanmerkelijke nadelige gevolgen voor [gedaagde] bij overtreding van het concurrentiebeding, had het daarbij eerder op de weg van Processionals als werkgever en penvoerder van de e-mail van 19 februari 2025 gelegen om (als zij aanleiding zag om het beding per e-mail toe te lichten) die e-mail van een voldoende precieze toelichting te voorzien. Het ligt dan ook niet voor de hand een eventuele onduidelijkheid in het nadeel van [gedaagde] uit te leggen. Alles overziende heeft Processionals naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter dus niet aannemelijk gemaakt dat dat [gedaagde] redelijkerwijs de gemaakte afspraken zo moest opvatten dat hij wel in dienst mocht treden bij een recruitmentbedrijf dat zich (mede) richt op de procesindustrie, maar dat hij geen vennoot in zo’n onderneming mocht worden. De email die Processionals als productie 14 heeft overgelegd, maakt dat niet anders. Daaruit volgt immers eveneens dat [gedaagde] mocht gaan werken bij een bedrijf dat (ook) een label in de procesindustrie heeft.
De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling dat uit de omstandigheid dat [gedaagde] zijn LinkedIn-profiel niet heeft aangepast, volgt dat [gedaagde] wist dat hij het concurrentiebeding overtrad. Deze stelling betreft een vermoeden van Processionals en is niet nader onderbouwd.
Processionals heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] het – in het addendum geconcretiseerde – relatiebeding heeft geschonden. Het overgelegde Whatasppgesprek met de door Processionals geplaatste kandidaat bij Urenco is daarvoor onvoldoende, want Urenco staat niet vermeld in de lijst met klanten waar [gedaagde] geen contact mee mocht opnemen.
Gelet op het voorgaande is niet met voldoende mate van waarschijnlijkheid vast te stellen dat de vorderingen van Processionals in een bodemprocedure voor toewijzing in aanmerking zullen komen. Bij deze stand van zaken zullen de vorderingen van Processionals worden afgewezen.
De proceskosten
Processionals wordt in deze procedure in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [gedaagde] betalen. Deze worden begroot op:
salaris gemachtigde € 865,00
nakosten € 144,00
totaal € 1.009,00
De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling.
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van Processionals af;
veroordeelt Processionals in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 1.009,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.(SB)