ECLI:NL:RBOVE:2026:1515

ECLI:NL:RBOVE:2026:1515

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 18-03-2026
Datum publicatie 19-03-2026
Zaaknummer C/08/335095 / HA ZA 25-204
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Tussenvonnis: bewijsopdracht voor motorschade aan auto ontstaan door brand bij behandeling door garage.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: C/08/335095 / HA ZA 25-204

Vonnis van 18 maart 2026

in de zaak van

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

te Apeldoorn,

eisende partij,

hierna te noemen: Achmea,

advocaat: mr. I.I.P. Cuijpers,

tegen

[gedaagde] handelend onder de naam [gedaagde],

te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. C.A.D. Oomes.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 t/m 12;- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 20;

- de akte overlegging nadere producties 13 en 14 van mr. Cuijpers van 18 december 2025;

- de mondelinge behandeling van 22 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

[naam 1] , een verzekerde van Achmea, heeft zijn auto (een Audi A4 Avant, hierna: de Audi) naar [gedaagde] gebracht voor het uitvoeren van een reinigingsbehandeling van de inlaatkleppen en het inlaatkanaal (een zogenaamde Walnut Blasting).

Op 29 juni 2023 is tijdens het uitvoeren van de reinigingsbehandeling door [gedaagde] brand ontstaan in de motorruimte van de Audi.

[gedaagde] heeft de brand met een poederblusser geblust.

[naam 1] heeft de schade bij Achmea gemeld.

[gedaagde] heeft enige schoonmaakwerkzaamheden verricht aan de Audi voordat hij de auto naar [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) in [plaats] is gebracht.

Op 7 juli 2023 heeft de heer [naam 2] in opdracht van Achmea een onderzoek uitgevoerd naar de oorzaak en de omvang van de schade. In dat verband is op 21 juli 2023 een schaderapport opgesteld. In het rapport is onder meer het volgende opgenomen:

Door de heer [naam 2] is een schadebegroting opgesteld voor herstel van de Audi waarin een herstelbedrag is opgenomen van € 27.579,60.

[bedrijf 1] heeft op 19 juli 2023 een factuur opgesteld. In de factuur staat onder meer het volgende opgenomen:

Op 28 juli 2023 heeft Achmea uit hoofde van haar verzekeringsovereenkomst met [naam 1] een bedrag van € 49.700,- aan [naam 1] uitgekeerd. Dit betreft de door Achmea berekende dagwaarde van de auto van € 50.000,- -/- het eigen risico van [naam 1] van € 300,-.

De Audi is in juli 2023 door Achmea verkocht aan het [bedrijf 2] . Het autobedrijf heeft Achmea daar € 22.585,- voor betaald.

Op 28 juli 2023 heeft Achmea [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade, die zij begroot op € 27.115,- (€ 49.700,- -/- € 22.585,-).

Bij email van 22 september 2023 is aansprakelijkheid namens [gedaagde] afgewezen.

Achmea heeft op 29 november 2023 en op 14 februari 2024 brieven naar [gedaagde] verzonden met het verzoek het schadebedrag te betalen.

In de periode van juni 2024 tot februari 2025 is door de heer [naam 3] namens [gedaagde] gecorrespondeerd met Achmea en de heer [naam 2] .

Op enig moment is de Audi door [bedrijf 2] doorverkocht aan [bedrijf 3] .

[gedaagde] is niet tot betaling overgegaan.

3. Het geschil

Achmea vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 27.115,00, vermeerderd met rente en kosten. Zij stelt dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [naam 1] geleden schade als gevolg van de tijdens het uitvoeren van de reinigingsbehandeling ontstane brand in de Audi en het blussen van die brand.

Voor wat betreft de omvang van de schade stelt Achmea dat uit in opdracht van haar door [bedrijf 1] uitgevoerd endoscopisch onderzoek aan de motor van de auto is gebleken dat de schade dusdanig ernstig is dat onder meer een nieuw motorblok in de auto geplaatst moest worden. De heer [naam 2] heeft vervolgens in opdracht van Achmea een schaderapport opgesteld, waarbij hij de schade – uitgaande van vervanging van het motorblok – heeft begroot op € 27.579,60. Gezien de omvang van het schadeherstelbedrag heeft Achmea ervoor gekozen niet de auto te herstellen maar te verkopen aan [bedrijf 2] , die

€ 22.585,- voor de Audi heeft betaald. Hierdoor is de schade beperkter dan als de auto hersteld had moeten worden. Achmea is vanwege de uitkering die in het kader van de verzekeringsovereenkomst door haar aan [naam 1] is gedaan gesubrogeerd in de rechten van [naam 1] , zodat [gedaagde] de schade die [naam 1] heeft geleden, aan Achmea moet vergoeden.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Achmea, dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Achmea in de kosten van deze procedure. Hij voert aan dat de schade die is ontstaan door de brand niet dusdanig ernstig is dat de Audi total loss was. Na de brand is de motor door [gedaagde] namelijk deels gereinigd. Bovendien heeft [bedrijf 3] bij navraag door de heer [naam 3] laten weten dat van catastrofale motorschade aan de Audi geen sprake was Van belang daarbij is dat [bedrijf 3] heeft laten weten zelf nog een endoscopisch onderzoek aan de motor te hebben uitgevoerd, aldus [gedaagde] . Nu er geen rapport beschikbaar is van de door [bedrijf 1] beweerdelijk uitgevoerde endoscopie kan niet vastgesteld worden dat de schade aan de motor dusdanig ernstig was dat deze vervangen moest worden. De schade-omvang wordt dan ook betwist. Bovendien is [gedaagde] niet in de gelegenheid gesteld de schade zelf te herstellen. Als hij daartoe in de gelegenheid was gesteld, was de schade aanzienlijk minder geweest dan nu wordt gevorderd.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Overeenkomst / aansprakelijkheid

[naam 1] heeft met [gedaagde] een overeenkomst gesloten inhoudende dat [gedaagde] zich verplichtte tot het uitvoeren van een reinigingsbehandeling van de inlaatkleppen en het inlaatkanaal (een zogenaamde Walnut Blasting) aan de Audi van [naam 1] en [naam 1] daarvoor een prijs zou betalen. Tussen partijen is niet in geschil dat indien bij de uitvoering van de overeenkomst schade ontstaat, [gedaagde] in beginsel tegenover [naam 1] gehouden is deze schade te vergoeden. [gedaagde] heeft erkend aansprakelijk te zijn voor de schade die is ontstaan aan de Audi.

Subrogatie

Verder is tussen partijen niet in geschil dat, gelet op de verzekeringsovereenkomst tussen [naam 1] en Achmea, de vordering van [naam 1] bij wijze van subrogatie overgegaan op Achmea voor zover zij de schade heeft vergoed. Nu Achmea het bedrag ad € 49.700,- aan [naam 1] heeft uitgekeerd zijn deze rechten op Achmea overgegaan.

Schade: begroting

Ingevolge artikel 6:97 BW dient de rechter de schade te begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Indien dit met de aard van de schade in overeenstemming is, heeft de rechter bij de toepassing van dit artikel de vrijheid de schade abstract te berekenen. In gevallen van zaaksbeschadiging is uitgangspunt dat de eigenaar door die beschadiging een nadeel in zijn vermogen lijdt dat gelijk is aan de waardevermindering die de zaak heeft ondergaan.

Uit vaste rechtspraak volgt dat indien het een zaak betreft waarvan herstel mogelijk en verantwoord is, het geldbedrag waarin deze waardevermindering kan worden uitgedrukt, in het algemeen gelijk zal zijn aan de — naar objectieve maatstaven berekende — met het herstel gemoeide kosten.

Uit de door [gedaagde] ingenomen standpunten leidt de rechtbank af dat hij van oordeel is dat de schade aan de Audi op de voornoemde wijze moet worden begroot. Volgens [gedaagde] is immers opgemerkt dat niet is komen vast te staan dat het motorblok vervangen moest worden, zodat de schade aanzienlijk lager uitvalt dan is opgenomen in de schadebegroting van de heer [naam 2] .

Uit vaste rechtspraak volgt eveneens dat wanneer een zaak geheel en al verloren gaat doordat herstel niet mogelijk of economisch onverantwoord is, de rechthebbende door dit verlies een nadeel in zijn vermogen lijdt dat gelijk is aan de waarde van de zaak. Daarbij geldt dat indien de desbetreffende, verloren gegane zaak een exemplaar is zonder eigen, individueel bepaalde kenmerken, van een soort waarvoor een voor het publiek toegankelijke markt bestaat, de rechthebbende door dit verlies een nadeel in zijn vermogen zal lijden dat in het algemeen kan worden gesteld op de waarde in het economisch verkeer van de zaak ten tijde van het verlies, ook marktwaarde of dagwaarde genoemd.

Achmea stelt zich op het standpunt stelt dat kennelijk sprake is van een totaalverlies van de auto, althans dat herstel van de auto economisch onverantwoord is zodat zij recht heeft op vergoeding van de dagwaarde van de Audi ten tijde van het verlies (onweersproken gesteld op € 50.000,-) verminderd met het eigen risico van [naam 1] (€ 300,-) en de verkoopopbrengst van de Audi (het van [bedrijf 2] ontvangen bedrag van

€ 22.585,-).

Om de omvang van de schade en daaruit voortvloeiend de wijze van begroting van de schade te kunnen vaststellen, is het voor de rechtbank van belang om te weten met welke schadeposten rekening gehouden moet worden en welke kosten daarmee gemoeid zijn.

Partijen verschillen met name van mening over de vraag of de motor van de Audi door de brand en het bluspoeder dusdanig beschadigd is geraakt dat deze vervangen moest worden. Uit de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat het op de weg van Achmea ligt om te stellen en bij gemotiveerde betwisting door [gedaagde] te bewijzen dat de motor dusdanig ernstig beschadigd was dat hij vervangen moest worden.

Achmea stelt dat de motor door de brand en het bluspoeder, dat bestaat uit fijngemalen zouten die metalen en elektronica aantast, onherstelbaar beschadigd is geraakt zodat deze vervangen moest worden. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst Achmea naar het rapport met de schadebegroting van de heer [naam 2] , dat mede is gebaseerd op de bevindingen uit een door [bedrijf 1] aan de Audi uitgevoerd endoscopisch onderzoek waaruit blijkt dat de motor vervangen moest worden. Er is geen rapport opgesteld van dit onderzoek maar uit de omschrijving van de door [bedrijf 1] aan Achmea verzonden factuur van 19 juli 2023 blijkt volgens Achmea wat de uitkomst van het onderzoek is, namelijk dat de motor vervangen moest worden. Dat de motor onherstelbaar beschadigd is geraakt blijkt volgens Achmea ook uit de door haar ingebrachte foto’s van de geopende motorkap van de Audi.

De rechtbank is van oordeel dat Achmea, in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] , (nog) niet is geslaagd in het leveren van het bewijs dat de motor dusdanig ernstig beschadigd was dat deze vervangen moest worden en licht dat als volgt toe. Naar het oordeel van de rechtbank volgt bewijs van een noodzaak tot vervanging van het motorblok niet al uit het rapport met de schadebegroting van de heer [naam 2] en uit de overgelegde foto’s van de motor van de auto. Door [gedaagde] is onweersproken aangevoerd dat door de heer [naam 2] bij het opstellen van de schadebegroting enkel informatie is gebruikt die mondeling door een medewerker van [bedrijf 1] aan de heer [naam 2] is verstrekt. Niet duidelijk is of de betreffende medewerker betrokken is geweest bij het onderzoek. Wel duidelijk is dat de heer [naam 2] enkel is uitgegaan van deze mededeling bij het opstellen van het schaderapport en niet zelf onderzoek heeft verricht naar de motor. Hoewel naar het oordeel van de rechtbank uit de omschrijving van de door [bedrijf 1] aan Achmea verzonden factuur van 19 juli 2023 weliswaar voldoende blijkt dat door [bedrijf 1] een endoscopisch onderzoek aan de Audi is verricht, kan daaruit zonder nadere toelichting – die ontbreekt – niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat noodzaak tot vervanging van de motor bestond. Daarbij komt dat [gedaagde] heeft aangevoerd dat [bedrijf 3] aan de heer [naam 3] heeft medegedeeld dat er geen sprake was van catastrofale motorschade aan de Audi en [bedrijf 3] zelf een endoscopisch onderzoek heeft uitgevoerd aan de Audi. Verder is van belang dat uit de door Achmea overgelegde foto’s van de geopende motorkap van de Audi zonder nadere toelichting evenmin valt vast te stellen waaruit blijkt dat vervanging van de motor noodzakelijk was.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank Achmea opdragen bewijs te leveren van haar stelling dat de schade aan het motorblok van de Audi als gevolg van de fout van [gedaagde] onherstelbaar is en deze daardoor vervangen moest worden.

Indien Achmea in de bewijsopdracht slaagt, dan zal de rechtbank bij de schadebegroting in beginsel rekening houden met de kosten van vervanging van de motor en de schade begroten op de wijze zoals beschreven in rechtsoverweging 4.6

Indien Achmea niet in de bewijsopdracht slaagt, dan zal de rechter bij de schadebegroting in beginsel geen rekening houden noodzaak tot vervanging van de motor. In dat geval zullen partijen nog in de gelegenheid worden gesteld om zich uit te laten over het gevolg hiervan voor schadeomvang, waarbij een wijze van schadebegroting als beschreven in rechtsoverweging 4.4. voor de hand ligt.

Gelegenheid herstel

Voor zover [gedaagde] aanvoert dat hij na de brand en het blussen van de auto ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om herstelwerkzaamheden aan de auto te verrichten zodat hij de schade had kunnen beperken, geldt dat niet gesteld of gebleken is dat Achmea een verplichting had [gedaagde] hiertoe in staat te stellen. Vaststaat immers dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door Achmea geleden schade en [gedaagde] gehouden is die schade te vergoeden. Bovendien is door Achmea gemotiveerd weersproken dat de kosten van herstel in dat geval veel lager uit zouden vallen.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

draagt Achmea op te bewijzen dat het motorblok van de Audi op 7 juli 2023 dusdanig beschadigd was dat het noodzakelijk was om deze te vervangen;

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 1 april 2026 voor uitlating door Achmea of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

bepaalt dat, als Achmea geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, zij die stukken – voor zover zij daar al over beschikt –dan direct in het geding moet brengen,

bepaalt dat, als Achmea getuigen wil laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden april tot en met juli 2026 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank, in het gerechtsgebouw te Zwolle, Schuurmanstraat 2,

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Hermsen en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?