RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.058180.25 (P)
Datum vonnis: 12 maart 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 februari 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. K. Tunç, advocaat in Hengelo (O), naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de slachtofferverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer] en van wat namens hem als benadeelde partij door mr. M. Adolfs is aangevoerd.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
al dan niet samen met een ander of anderen, (onder bedreiging) met geweld goederen van
[slachtoffer] heeft gestolen (primair) dan wel (onder bedreiging) met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het afgeven van goederen (subsidiair).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 25 september 2024 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een scooter en/of een telefoon en/of een portemonnee (met inhoud) en/of een sleutelbos en/of een scootersleutel en/of een horloge, in elk geval enig(e)goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer], in elk geval aan een anderdan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen methet oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werdvoorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweldtegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden ofgemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of anderedeelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit vanhet gestolene te verzekeren, door- pepperspray, althans een (bijtende) vloeistof, in de ogen en/of het gezicht van die[slachtoffer] te spuiten en/of- die [slachtoffer] op de grond te leggen en/of te duwen en/of- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te stompen en/of- een taser, althans een soortgelijk voorwerp, op/tegen de zij van die [slachtoffer] te zetten en/of af te drukken en/of- die [slachtoffer] (daarbij) de woorden toe te voegen: "durf je wel met een 16 -jarig meisje, vieze pedofiel. Je sleutels van je scooter" en/of "we weten nu jouw naam, we weten waar je woont. De volgende keer zijn het geen vuisten maar kogels. Snap je dat, snap je dat?",althans handelingen en/of woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 25 september 2024 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een scooter en/of een telefoon en/of een portemonnee (met inhoud) en/of een sleutelbos en/of een scootersleutel en/of een horloge, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n)door- pepperspray, althans een (bijtende) vloeistof, in de ogen en/of het gezicht van die [slachtoffer] te spuiten en/of- die [slachtoffer] op de grond te leggen en/of te duwen en/of- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te stompen en/of- een taser, althans een soortgelijk voorwerp, op/tegen de zij van die [slachtoffer] te zetten en/of af te drukken en/of- die [slachtoffer] (daarbij) de woorden toe te voegen: "durf je wel met een 16 -jarig meisje, vieze pedofiel. Je sleutels van je scooter" en/of "we weten nu jouw naam, we weten waar je woont. De volgende keer zijn het geen vuisten maar kogels. Snap je dat, snap je dat?",althans handelingen en/of woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft een bewezenverklaring van het primair of subsidiair ten laste gelegde.
Het oordeel van de rechtbank
Vaststelling van de feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het behandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Verdachte heeft medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) benaderd om een afspraak te maken met [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]). [medeverdachte 1] heeft daarop met [slachtoffer] afgesproken om elkaar op 25 september 2024 in [plaats] te ontmoeten. Op verzoek van [medeverdachte 1] is [slachtoffer] vervolgens met haar een park ingelopen. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) waren ook in dit park. In het park heeft verdachte [slachtoffer] pepperspray in zijn gezicht gespoten, geslagen, een taser in de zij van [slachtoffer] gezet en hem uitgescholden en bedreigd met de woorden “we weten nu jouw naam, we weten waar je woont. De volgende keer zijn het geen vuisten maar kogels. Snap je dat, snap je dat?” en [medeverdachte 2] heeft [slachtoffer] naar de grond gebracht, nadat verdachte pepperspray in zijn ogen had gespoten. De scooter, sleutelbos, scootersleutel, portemonnee met pasjes, telefoon en het horloge van [slachtoffer] werden weggenomen. Verdachte en [medeverdachte 2] zijn samen op de scooter van [slachtoffer] weggereden.
Bewijsoverwegingen en conclusie
Verklaring van verdachte
Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaringen afgelegd. In de kern komt zijn verklaring erop neer dat hij bekent medeverdachte [medeverdachte 1] te hebben benaderd om een afspraak te maken met [slachtoffer]. Verdachte heeft medeverdachte [medeverdachte 2] gevraagd met hem mee te gaan naar de afspraak. Verdachte bekent de in de tenlastelegging genoemde geweldshandelingen tegen [slachtoffer] te hebben verricht, maar hij ontkent allerlei goederen van [slachtoffer] te hebben weggenomen. Hij heeft wel bekend samen met [medeverdachte 2] op de scooter van [slachtoffer] uit het park te zijn weggereden.
De rechtbank heeft geen enkele reden te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [slachtoffer] over de tegen hem uitgeoefende (gewelds)handelingen, de daarbij gebruikte bewoordingen en het feit dat van hem – naast zijn scooter – een telefoon, een portemonnee (met inhoud), een sleutelbos, een scootersleutel en een horloge zijn weggenomen.
Op grond van voornoemde overwegingen acht de rechtbank bewezen dat de in de tenlastelegging genoemde goederen van [slachtoffer] zijn weggenomen en dat het geweld en de bedreigingen tegen [slachtoffer] zijn gebruikt om deze diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken. Verdachte sprak af met [medeverdachte 2] om naar het park te gaan, naar een door hem georkestreerde ontmoeting tussen [medeverdachte 1] en [slachtoffer], en hield er voorafgaand aan de ontmoeting rekening mee dat er ‘klappen’ zouden vallen. Hij vroeg mede daarom [medeverdachte 2] met zich mee. Hij had pepperspray en een taser bij zich. Direct na de diefstal zijn verdachte en [medeverdachte 2] op de weggenomen scooter van [slachtoffer] weggereden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn hiermee de bijdragen van verdachte en [medeverdachte 2] aan de gezamenlijke uitgevoerde diefstal met geweld van voldoende gewicht geweest om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking en dus van medeplegen.
De rechtbank acht aldus het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 25 september 2024 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander, een scooter en een telefoon en een portemonnee (met inhoud) en een sleutelbos en een scootersleutel en een horloge, die geheel aan [slachtoffer], toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- pepperspray in de ogen en het gezicht van die [slachtoffer] te spuiten en- die [slachtoffer] op de grond te leggen en- die [slachtoffer] meermalen in het gezicht en tegen het hoofd en het lichaam te slaan en- een taser, op/tegen de zij van die [slachtoffer] te zetten en af te drukken en- die [slachtoffer] (daarbij) de woorden toe te voegen: "durf je wel met een 16-jarig meisje, vieze pedofiel. Je sleutels van je scooter" en "we weten nu jouw naam, we weten waar je woont. De volgende keer zijn het geen vuisten maar kogels. Snap je dat, snap je dat?”.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47 en 312 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
primair
het misdrijf: medeplegen van diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd tegen personen, met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een taakstraf voor de duur van 160 uur, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 80 dagen hechtenis, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, en een proeftijd van twee jaar. Als bijzondere voorwaarden dienen de voorwaarden te gelden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. Verder heeft de officier van justitie een contactverbod met [slachtoffer] gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De gevorderde straf van de officier van justitie is een passende straf.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft samen met zijn mededader [medeverdachte 2] fors geweld gepleegd tegen het slachtoffer en spullen van het slachtoffer weggenomen. Verdachte heeft, uitgaande van een onjuiste veronderstelling, als initiator het slachtoffer onder misleidende omstandigheden naar een locatie laten komen om “wraak” te nemen, waarna de situatie volledig is geëscaleerd. Verdachte en zijn mededader [medeverdachte 2] kenden het slachtoffer niet. Het slachtoffer was zich er niet van bewust dat hij door verdachte en mededaders in een hinderlaag werd gelokt. Zonder enige aanleiding is het slachtoffer overrompeld door hem pepperspray in het gezicht te spuiten. Het slachtoffer is vervolgens door de mededader [medeverdachte 2] naar de grond gewerkt. Toen hij op de grond lag is hij tegen het hoofd, gezicht en lichaam geslagen en er is een taser tegen hem gebruikt. Het buitensporig geweld heeft een grote impact gehad op het slachtoffer. Door zijn handelen heeft verdachte het slachtoffer ernstig aangetast in zijn lichamelijke integriteit. Slachtoffers van feiten als deze ondervinden niet alleen pijn en letsel, maar gaan vaak nog lang gebukt onder de (psychische) gevolgen daarvan, wat in deze zaak ook blijkt uit de door het slachtoffer ter terechtzitting afgelegde verklaring en het verzoek tot schadevergoeding. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.
De rechtbank heeft verder rekening gehouden met:
- het uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 8 januari 2026;
- het reclasseringsadvies van 12 februari 2026, opgemaakt door [naam], reclasseringswerker bij Reclassering Nederland.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij vaker met politie en justitie in aanraking is gekomen, maar niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.
In het reclasseringsadvies wordt onder meer beschreven, zakelijk weergegeven, dat het in de periode van de tenlastelegging bij verdachte ontbrak aan stabiliteit. Verdachte had geen vaste
verblijfplaats, ging om met mensen uit het criminele netwerk, had geen zinvolle dagbesteding, had financiële problemen en gebruikte dagelijks overmatige hoeveelheden softdrugs. Sinds de start van het schorsingstoezicht in juni 2025 is er sprake van een gestage maar positieve ontwikkeling ten aanzien van gedragsverandering. Verdachte woont sinds het toezicht begeleid bij Stichting Zekere Basis, staat onder bewind, heeft zelfstandig werk gevonden, heeft een (nieuwe) partnerrelatie en staat onder behandeling van de forensische verslavingspolikliniek. Verdachte was in het begin van het toezicht wantrouwend naar de reclassering, maar heeft zich uiteindelijk open en meewerkend opgesteld en lijkt baat te hebben bij het plan van aanpak dat door de reclassering is opgesteld. Hij is zich bewust van een mogelijke rechtsvervolging en neemt daarin ook zijn verantwoordelijkheid. Er is nog winst te behalen zoals op het gebied van psychosociaal functioneren. In het verleden is bij verdachte ADHD vastgesteld. Vanuit de impulsiviteit kan sneller interpersoonlijke instabiliteit en onaangepast gedrag ontstaan. Het is van belang dat verdachte een kader wordt geboden waarin hij de gevolgen van zijn acties kan ondervinden, maar tegelijkertijd de mogelijkheden krijgt om toe te werken naar blijvende gedragsverandering. Het risico op recidive en letsel wordt ingeschat als gemiddeld. Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag. Geadviseerd wordt om het volwassenenstrafrecht toe te passen. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen. Een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf zal zwaarwegende negatieve consequenties hebben.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmodaliteit en de hoogte daarvan rekening gehouden met het advies van de reclassering. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken doorgaans wordt opgelegd. Gelet op de ernst van de feiten, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel een forse straf, hoger dan de 32 dagen die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en nodig is. Gezien de persoon van verdachte is ook behandeling nodig die bijdraagt aan zijn ontwikkeling. Verdachte heeft langdurige begeleiding en verdere hulpverlening nodig om de kans op recidive te doen verminderen. Een deel van de straf zal dan ook voorwaardelijk worden opgelegd om begeleiding en hulpverlening binnen een voorwaardelijk kader van gevangenisstraf te bieden en ook om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Gelet op het gegeven advies ziet de rechtbank aanleiding om de geformuleerde bijzondere voorwaarden op te leggen.
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het feit onvoldoende tot uitdrukking komt in de eis van de officier van justitie en zal daarom een hogere straf opleggen. Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 200 uur, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 100 dagen gevangenisstraf passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur 212 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met een proeftijd van twee jaren.
De rechtbank zal geen contactverbod, zoals namens de benadeelde partij [slachtoffer] verzocht, opleggen. Niet is gebleken dat verdachte op enig moment ongewenst toenadering of contact heeft gezocht met [slachtoffer] sinds het bewezenverklaarde plaatsvond.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
7. De schade van benadeelde
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 4601,03, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
-eigen risico zorgkosten 2024, 2025 en 2026 € 921,72;
-kosten slaapmedicatie € 441,66;
-kosten openbaar vervoer € 159,71;
-reiskosten € 77,94.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 3.000,-- gevorderd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade en de gevorderde immateriële schade, kunnen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de gevorderde materiële schade heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft verzocht de gevorderde immateriële schade te matigen.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten kosten slaapmedicatie, kosten openbaar vervoer en reiskosten (bezoek Mediant Enschede) zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. Voor zover de zorgkosten (eigen risico 2024, 2025 en 2026) zijn betwist wegens het ontbreken van facturen over 2025 en 2026, heeft de benadeelde partij daartegenover voldoende onderbouwd gesteld dat hij zorgkosten in die periode heeft gemaakt die ten laste van zijn eigen risico zijn gekomen. Dat het slachtoffer nog geen afrekening eigen risico heeft betaald over 2025 en 2026, betekent niet dat hij die schade (nog) niet heeft geleden.
De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 1.597,91 te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
De rechtbank zal de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de schadepost zorgkosten eigen risico 2024 bepalen op 25 september 2024, eigen risico 2025 op 31 december 2025 en eigen risico 2025 op 12 maart 2026.
De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de reiskosten naar het politiebureau af. Uit vaste jurisprudentie volgt dat deze reiskosten niet onder vermogensschade in de zin van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek vallen.
Immateriële schade
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van verdachte immateriële schade heeft geleden. Op grond van artikel 6:106, aanhef en
sub b, BW heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, anders dan vermogensschade, als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, zoals in deze zaak het geval is. Voor zover lichamelijk letsel ook bepaalde psychische gevolgen met zich brengt, kunnen ook deze gevolgen tot op zekere hoogte meegewogen worden bij de bepaling van de omvang van het smartengeld. Gelet op de aard van het letsel en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, acht de rechtbank de toekenning van een bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 2.000,-- billijk. De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf het moment dat de schade is toegebracht.
Voor het overige zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij afwijzen.
Hoofdelijkheid
De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat de verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is.
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 35 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d Sr.
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair
het misdrijf: medeplegen van diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd tegen personen, met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
212 (tweehonderdtwaalf) dagen;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 180 (honderdtachtig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de
proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden
niet is nagekomen:
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door JusTact of een soortgelijke
zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.
- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in
Stichting Zekere Basis of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- zich in spant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of
vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delict gedrag;
- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen,
ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik
en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 200 (tweehonderd) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen;
schadevergoeding
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 3.597,91 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 september 2024 ten aanzien van de zorgkosten 2024, kosten slaapmedicatie, kosten openbaar vervoer, reiskosten; wettelijke rente vanaf 31 december 2025 ten aanzien van zorgkosten 2025; wettelijke rente van 12 maart 2026 ten aanzien van zorgkosten 2026) met dien verstande dat als en voor zover al door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3.597,91, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 september 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 35 dagen kan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij af tot een bedrag van €1.003,12;
opheffing bevel voorlopige hechtenis
- heft het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. H. Stam en
mr. H.H. de Boef, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2024451803. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 februari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:
Op 25 september 2024 was ik in [plaats]. Ik heb [medeverdachte 1] gevraagd om een afspraak met [slachtoffer] te maken. Ze waren in het park en ik ben samen met [medeverdachte 2] naar toe gegaan. Ik heb pepperspray in het gezicht van [slachtoffer] gespoten en een taser gebruikt. Toen [slachtoffer] op de grond was heb ik hem geschopt, geslagen en uitgescholden. Na de mishandeling ben ik samen met [medeverdachte 2] op de scooter van [slachtoffer] weggereden.
2.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], van 25 september 2024, pagina’s 156, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:
Op een gegeven moment zag ik plotseling twee personen aan komen lopen. Ze liepen langs ons heen en gingen vlak bij mij staan. Ik voelde ineens iets in mijn gezicht gespoten worden. Ik kneep gelijk mijn ogen dicht. Ik had het meisje vast en ik voelde dat er iemand met
mij meeging naar de grond. Ik ging namelijk door mijn knieën. Ik ging met mijn armen
naar mijn gezicht toe om in mijn ogen te wrijven. Ik deed mijn armen over mijn hoofd heen om mij te beschermen. Ik voelde een aantal keer een vuist op mijn achterhoofd en kaak. Ik werd ook geslagen in mijn zij. Ik hoorde het tikken van een handtaser in mijn zij. Ik hoorde een jongen zeggen: "durf je wel met een 16 jarig meisje, vieze pedofiel. Je sleutels van je scooter." Ik deed mijn handen omhoog en zei: "pak alles maar wat je wilt". Ik voelde handen in mijn zakken gaan en ik had mijn horloge om mijn linker pols. Ik voelde dat mijn horloge werd afgedaan. Ik hoorde een van de jongens zeggen: "we weten nu jouw naam, we weten waar je woont. De volgende keer zijn het geen vuisten maar kogels. Snap je dat, snap je dat?". Toen ik later mijn zakken naging zag ik dat ik mijn sleutelbos, scootersleutel,
portemonnee met pasjes en mijn telefoon kwijt was. Ik zag ook dat mijn scooter weg was.
3.
Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2], van 24 februari 2025, pagina’s 106 en 107,voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:
Een persoon zei tegen mij: Ik wil alleen dat je mee gaat voor het geval dat daar 10 man staat en hij juist klappen zou krijgen.
Toen heb ik die jongen vast gehouden omdat hij helemaal wild werd. Toen heb ik hem voorzichtig op de grond neergelegd. Toen kreeg ik een scootersleutel in de handen
gedrukt. Die volgens mij op de grond was gevallen uit die jongen zijn zak. Toen ben ik weg
gereden.