RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11865996 \ CV EXPL 25-2627
Vonnis van 17 maart 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VOLKSWAGEN PON FINANCIAL SERVICES B.V.,
gevestigd in Amersfoort,
eisende partij,
hierna te noemen: VPFS,
gemachtigde: H.J.M. Hofman (Jongejan & Wisseborn),
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HPL LOGISTICS B.V.,
gevestigd in Losser,
gedaagde partij,
hierna te noemen: HPL,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding d.d. 25 augustus 2025, met 5 producties;- de conclusie van antwoord d.d. 15 september 2025;
- de nadere conclusie van antwoord d.d. 9 oktober 2025, met bijlagen;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- het bericht van 29 januari 2026 van VPFS, met toelichting en producties;
- het bericht van 5 februari 2026 van HPL, met toelichting en producties;- de mondelinge behandeling van 16 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Aansluitend is vonnis bepaald.
2. De feiten
Tussen partijen zijn op 3 april 2023 twee overeenkomsten tot stand gekomen. De eerste overeenkomst is door partijen aangeduid als “Mantelovereenkomst” (hierna: ‘de Mantelovereenkomst’). De Mantelovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd.
In de considerans van de Mantelovereenkomst staat het volgende:
- dat Lessee door middel van leasing de beschikking wenst te krijgen over middelen van transport voor personen- en/of goederenvervoer, zijnde onder meer, maar niet uitdrukkelijk beperkt tot een personen-, bestel- of vrachtauto, dan wel getrokken of aangehangen materieel, hierna te noemen: “Object”;
- dat Lessor bereid is deze Objecten, nadat zij de eigendom ervan heeft verworven, op genoemde basis aan Lessee ter beschikking te stellen;
- dat voor ieder te leasen Object tussen Lessee en Lessor een separate lease-overeenkomst zal worden afgesloten (verder te noemen “Contract”) die door een Lessee aan te geven persoon rechtsgeldig moet worden getekend;”
In artikel 1 Mantelovereenkomst staat het volgende:
“Lessee verklaart bekend te zijn en akkoord te gaan met deze Mantelovereenkomst en de bijbehorende AVOL, die een onverbrekelijk geheel vormen met deze Mantelovereenkomst;
De AVOL alsmede de bepalingen van deze Mantelovereenkomst zelf zijn van toepassing op elk Contract dat na ondertekening van de Mantelovereenkomst tussen Partijen zal worden gesloten.”
In artikel 3 Mantelovereenkomst staat het volgende:
“Telkens wanneer Lessee tot leasing van een Object wenst over te gaan zal een Contract (lease-overeenkomst veelal in de vorm van een wederzijds getekende offerte en/of orderbevestiging) worden opgemaakt.”
In artikel 5.6 van de algemene voorwaarden behorend bij de Mantelovereenkomst (hierna: ‘de Algemene Voorwaarden’) staat het volgende:
“Op basis van de gereden kilometers passen wij de leaseprijs tussentijds aan.
Dit doen wij als we verwachten dat u minstens 10% meer of minder rijdt dan het aantal kilometers dat in het contract staat.
De aangepaste leaseprijs geldt vanaf de ingangsdatum van het leasecontract. Daarbij houden we rekening met wat u eerder aan ons heeft betaald. Door de leaseprijs tussentijds aan te passen, voorkomen we dat u aan het eind van het leasecontract voor verrassingen komt te staan.
Ook als de gereden meer of minder kilometers niet meer dan 10% afwijken, verrekenen we dit met u. We doen dit in principe alleen bij beëindiging van het contract, maar dit kan ook tussentijds gebeuren. De verrekenprijs (per kilometer) die we daarvoor gebruiken staat in uw leasecontract.”
De tweede overeenkomst die op 3 april 2023 tot stand is gekomen, is door partijen aangeduid als “Contract Full Operational Lease” (hierna: ‘de Leaseovereenkomst’). Op grond van de Leaseovereenkomst kreeg HPL van VPFS een Skoda Koriaq personenauto (hierna: ‘de Skoda’) ter beschikking, tegen betaling van een leaseprijs van € 796,01 per maand. De looptijd van de Leaseovereenkomst bedroeg 24 maanden. De berijder van de Skoda was de heer [naam] (hierna: ‘[naam]’), die op dat moment werkzaam was bij HPL.
[naam] is per 5 augustus 2024 vertrokken bij HPL. [naam] heeft de Skoda, na zijn vertrek bij HPL, niet ingeleverd bij VPFS.
Op 13 september 2024 heeft VPFS aan HPL een creditnota gestuurd, aangeduid als “Factuur Contractsaanpassing” (hierna: ‘de Creditnota’). Daarin staat – voor zover van belang – het volgende:
“ Oude Situatie Nieuwe situatie
Looptijd 24 24
Kilometrage 40.000 25.000
Tarief € 809,97 € 774,65”
VPFS heeft als eigenaar de Skoda – met behulp van een recherchebureau – op 11 november 2024 terug in bezit gekregen.
3. Het geschil
VPFS vordert - samengevat - veroordeling van HPL tot betaling van € 5.842,13, vermeerderd met rente en kosten.
Het standpunt van VPFS is dat HPL is tekortgeschoten in de nakoming van verbintenissen die voortvloeien uit de Leaseovereenkomst. VPFS vordert in deze procedure nakoming, waarbij het gevorderde bedrag kan worden uitgesplitst in (i) drie maanden huur van de Skoda (ii) een eindafrekening (iii) schoonmaakkosten (iv) schade aan de Skoda bij inname (v) innamekosten (vi) transportkosten (vii) kosten verbonden aan een verkeersovertreding die met de Skoda was begaan.
HPL voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van VPFS. HPL betwist niet dat zij de onder rechtsoverweging 3.2 genoemde bedragen niet heeft betaald. Het standpunt van HPL is dat zij niet gehouden is om die bedragen te betalen. HPL is van mening dat VPFS de Leaseovereenkomst in september 2024 op een niet rechtsgeldige wijze eenzijdig heeft gewijzigd. HPL meent dat zij, als gevolg van die niet rechtsgeldige wijziging, niet gebonden is aan de gewijzigde Leaseovereenkomst. HPL meent in het verlengde daarvan dat zij evenmin nog gebonden is aan de oorspronkelijke Leaseovereenkomst. HPL betoogt dat zij gelet daarop aan al haar verplichtingen ten opzichte van VPFS heeft voldaan.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Het verweer van HPL is onderbouwd aan de hand van de Creditnota van VPFS. HPL betoogt dat zij nooit opdracht heeft gegeven voor de aanpassing van de Leaseovereenkomst zoals daarop is vermeld. HPL voert aan dat zij niet akkoord is gegaan met de wijziging van de Leaseovereenkomst en er daarom ook niet aan gebonden is. HPL meent dat de oorspronkelijke Leaseovereenkomst nietig is als gevolg van de niet rechtsgeldige wijziging.
In reactie op dit verweer heeft VPFS aangevoerd dat de wijziging van de Leaseovereenkomst was gegrond op artikel 5.6 Algemene Voorwaarden. Toen VPFS bleek dat met de Skoda minder kilometers werden gereden dan waar de Leaseovereenkomst voor was afgesloten, was zij op grond van artikel 5.6 Algemene Voorwaarden bevoegd om de Leaseovereenkomst eenzijdig te wijzigen, aldus VPFS.
Het verweer van HPL wordt door de kantonrechter verworpen. Hoewel de kantonrechter het met HPL eens is dat de informatievoorziening vanuit VPFS rondom de wijziging van de Leaseovereenkomst in september 2024 zorgvuldiger had gekund, doet dit niet af aan de juridische juistheid van het standpunt van VPFS.
VPFS ontleent aan artikel 5.6 Algemene Voorwaarden een bevoegdheid om de Leaseovereenkomst eenzijdig tussentijds te wijzigen, indien daar op basis van het aantal gereden kilometers aanleiding voor is. De eenzijdig doorgevoerde wijziging van de Leaseovereenkomst van de zijde van VPFS is dus rechtsgeldig. HPL is juridisch aan die wijziging gebonden. De wijziging van de Leaseovereenkomst was overigens in het voordeel van HPL, niet in het nadeel.
Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat, als zou zijn geoordeeld dat de wijziging van de Leaseovereenkomst door VPFS niet rechtsgeldig was, dit niet zou hebben betekend dat HPL geheel van de Leaseovereenkomst af was. Een niet-rechtsgeldige wijziging van de Leaseovereenkomst zou immers hebben geleid tot een continuering van de oorspronkelijke (ongewijzigde) Leaseovereenkomst. De positie van HPL zou in dat geval niet beter – eerder slechter – zijn geweest dan nu het geval is.
De conclusie is dat HPL – door het niet betalen van de in rechtsoverweging 3.2 van dit vonnis omschreven bedragen – tekort is geschoten in de nakoming van verbintenissen uit de Leaseovereenkomst. HPL heeft geen verweer gevoerd tegen de omvang van de nakomingsvordering van VPFS. Deze zal daarom worden toegewezen zoals gevorderd.
HPL is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VPFS worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,35
- griffierecht
€
543,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.529,35
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt HPL om aan VPFS te betalen een bedrag van € 5.842,13, te vermeerderen met de contractueel overeengekomen rente van 16,725% per jaar over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 juli 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt HPL in de proceskosten van € 1.529,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als HPL niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Marsman en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.