RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11861007 \ CV EXPL 25-2511
Vonnis van 17 maart 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij, hierna te noemen: [eiseres],
gemachtigde: mr. S.J. de Vries,
tegen
[gedaagde] , executeur in de nalatenschap van [erflater],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij, hierna respectievelijk – ook - te noemen: ‘de executeur’ en [erflater],
gemachtigde: mr. M.J. Wijtenhorst.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding;
de conclusie van antwoord;
het bericht van 12 januari 2026, waarin mr. M.J. Wijtenhorst meedeelt dat [erflater] is overleden en dat de executeur de procedure in die hoedanigheid wenst voort te zetten;
de mondelinge behandeling van 18 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De zaak in het kort
[erflater] heeft zijn woning verkocht aan [eiseres]. In de koopovereenkomst is een boetebeding opgenomen. [eiseres] heeft de woning niet afgenomen en daarom een contractuele boete van € 32.300,– betaald. [eiseres] heeft de kantonrechter gevraagd om de contractuele boete te matigen tot € 16.150,– en [erflater] te veroordelen tot het terugbetalen van dit bedrag en een bedrag van € 500,– omdat hij onrechtmatig is verrijkt.
De kantonrechter matigt de contractuele boete en veroordeelt [erflater] tot terugbetaling van een bedrag van € 16.150,–. Niet is gebleken dat [erflater] ongerechtvaardigd is verrijkt en daarom hoeft hij het bedrag van € 500,– niet te betalen.
3. De feiten
[eiseres] heeft op 11 juli 2024 een koopovereenkomst gesloten met [erflater]. Afgesproken werd dat [eiseres] de woning van [erflater] voor € 323.000,– zou afnemen. De beoogde leveringsdatum was 4 oktober 2024.
In de tussen partijen gesloten koopovereenkomst is onder meer het volgende bepaald:
‘5.1 Tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen van koper zal deze uiterlijk op 16 augustus 2024 een schriftelijke door een bankinstelling afgegeven bankgarantie doen stellen voor een bedrag van € 32.300,–, (…)
‘(…)
Ontbinding op grond van tekortkoming is slechts mogelijk na voorafgaande ingebrekestelling. Bij ontbinding van de koopovereenkomst op grond van toerekenbare tekortkoming zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij een zonder rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete van tien procent (10%) van de koopsom verbeuren, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding, indien de daadwerkelijke schade hoger is dan de onmiddellijk opeisbare boete, en onverminderd vergoeding van kosten van verhaal. (…)’
[eiseres] heeft – in lijn met artikel 5 van de koopovereenkomst – via Liberty Mutual Insurance Europe S.E. een bankgarantie gesteld voor een bedrag van € 32.300,–.
In artikel 20.6 van de koopovereenkomst is opgenomen dat [eiseres] de koopovereenkomst tot 19 juli 2024 zou kunnen ontbinden, indien zij er uiterlijk op deze datum niet in is geslaagd om haar woning (Knalhutteweg 255 te Enschede) te verkopen. Deze termijn is twee keer verlengd; eerst tot 16 augustus 2024 en vervolgens tot 20 augustus 2024. [eiseres] heeft geen beroep gedaan op ontbinding van de koopovereenkomst.
[eiseres] verkocht haar woning met als beoogde leveringsdatum 1 oktober 2024. De beoogd koper is niet komen opdagen. Vervolgens kon [eiseres] de koopovereenkomst op 4 oktober 2024 niet nakomen. Zij is daarom op 4 oktober in gebreke gesteld door de makelaar van [erflater].
Op 31 oktober 2024 deelt de makelaar van [erflater] aan [eiseres] mede:
‘Heel spijtig om te moeten meedelen, maar aangezien wij geen (positief) bericht van u hebben ontvangen met betrekking tot de overdracht van de woning aan de [adres] gaat verkoper nu over tot ontbinding van de koopovereenkomst en maakt derhalve aanspraak op de contractuele boete, alsmede de aanvullende schadevergoeding en kosten van verhaal.’
De notaris heeft Liberty Mutual Insurance Europe S.E. na 31 oktober 2024 aangeschreven met het verzoek om op grond van de bankgarantie de volledige contractuele boete van € 32.300,– te betalen.
[erflater] heeft op 10 januari 2025 de woning geleverd aan een andere koper voor een koopprijs van € 325.500,–.
Op 27 mei 2025 heeft de gemachtigde van [eiseres] aan [erflater] verzocht een gedeelte van de contractuele boete terug te betalen. [erflater] was daartoe niet bereid; reden voor [eiseres] om deze procedure te starten.
4. Het geschil
De vordering
[eiseres] vordert veroordeling van [erflater] tot betaling van € 16.650,–, vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten en met veroordeling van [erflater] in de proceskosten.
[eiseres] legt daaraan het volgende ten grondslag. De contractuele boete dient te worden gematigd op grond van art. 6:94 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), omdat de boete tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat leidt. [eiseres] heeft er alles aan gedaan om de overdracht van de woning doorgang te laten vinden. Door omstandigheden die niet aan [eiseres] te wijten zijn, is dit niet gelukt.
Op grond van ongerechtvaardigde verrijking komt zij in aanmerking voor vergoeding van de door haar gemaakte kosten voor het repareren van de parketvloer in de woning.
Het verweer
Volgens [erflater] dient er terughoudend worden omgegaan met het matigen van het boetebeding, en is er in deze situatie geen reden om de boete te matigen. Verder meent [erflater] dat er sprake is van rechtsverwerking.
5. De beoordeling
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] tekort is geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst door de woning niet af te nemen. Op grond van artikel 11 van de koopovereenkomst mocht [erflater] de koopovereenkomst daarom rechtsgeldig ontbinden en was [eiseres] de contractuele boete verschuldigd. [eiseres] doet een beroep op matiging van de contractuele boete tot € 16.150,–.
Uitgangspunten matiging contractuele boete
Op grond van artikel 6:94 BW kan de kantonrechter een overeengekomen boete matigen als de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. De kantonrechter kan pas gebruik maken van die bevoegdheid als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij wordt rekening gehouden met de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het boetebeding en de omstandigheden waaronder het beding is ingeroepen.
Aard overeenkomst en inhoud en strekking boetebeding
Uit vaste rechtspraak volgt dat een contractuele boete niet alleen is bedoeld om de door de verkoper geleden schade – door het tekortschieten van koper – te dekken, maar ook om een koper tot nakoming van zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst te prikkelen. Het in de koopovereenkomst opgenomen boetebeding is ook gebruikelijk en maatschappelijk aanvaard als vooraf overeengekomen wijze van schadevergoeding.
[eiseres] stelt dat zij gesprekken over de contractuele boete heeft gehad met [erflater] en zijn makelaar, die zouden hebben gezegd dat mild zou worden omgegaan met inning van de contractuele boete. Ook zou [eiseres] de gevolgen van het overeenkomen van een contractuele boete bij niet-nakoming van de koopovereenkomst niet hebben overzien. [erflater] betwist dat er afspraken in deze zin over het boetebeding zouden zijn gemaakt.
De kantonrechter is van oordeel dat het de eigen keuze is van [eiseres] om de koopovereenkomst aan te gaan en de daarin opgenomen verplichtingen op zich te nemen. Het boetebeding in de koopovereenkomst is een vrij “standaard” boetebeding en [eiseres] had openbare bronnen kunnen raadplegen om informatie te vinden over de gevolgen van de ondertekening van de koopovereenkomst inclusief boetebeding. Dat [erflater] in de praktijk mild zou omgaan met het innen van de contractuele boete is na betwisting niet verder en daarmee onvoldoende onderbouwd.
De aard van de overeenkomst en de inhoud en strekking van het boetebeding zijn niet als buitensporig of niet billijk aan te merken. Deze omstandigheden leiden dus op zichzelf niet tot matiging van de boete.
Wanverhouding schade en boetebeding
Volgens [erflater] is geen sprake van een wanverhouding tussen de schade en de hoogte van de boete. [erflater] stelt dat hij langer de hypotheeklasten en overige kosten van de woning moest betalen als gevolg van de tekortkoming van [eiseres]. Daardoor heeft hij € 4.737,22 schade geleden: € 2.255,– aan renteverlies en € 2.482,22 voor het betalen van onroerendgoedbelasting en het betalen van nutsvoorzieningen. Ook heeft [erflater] advocaatkosten gemaakt: € 3.748,40.
De kantonrechter overweegt als volgt. Bij het vaststellen van de schade, dient slechts – zoals [eiseres] terecht stelt – rekening te worden gehouden met de schade die [erflater] heeft geleden als gevolg van de verlate verkoop van de woning. Hieronder vallen derhalve niet de advocaatkosten, wat betekent dat [erflater] in ieder geval niet meer dan € 4.737,22 aan – voor deze beoordeling relevante - schade heeft geleden. Nu de woning ongeveer drie maanden later is verkocht en geleverd – en tegen een hoger bedrag – heeft het schadebedrag slechts betrekking op renteverlies (over de oorspronkelijke koopsom) en het langer moeten betalen van onroerendgoedbelasting en nutsvoorzieningen. De kantonrechter schat de schade in ieder geval op € 2.500,– want wat [erflater] heeft – gelet op de hogere verkoopprijs – geen andere schade geleden door de verlate overdracht.
De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van een wanverhouding tussen de werkelijke schade van [erflater] en de hoogte van de boete, en ziet daarin aanleiding de boete te matigen.
De omstandigheden waaronder het beding is ingeroepen
De omstandigheden waaronder het boetebeding is ingeroepen spelen ook een rol bij een eventuele matiging. [eiseres] heeft onbetwist gesteld dat zij de woning niet kon financieren, omdat de verkoop van haar woning onverwacht niet plaatsvond. De koper die niet kwam opdagen en biedt naar zeggen van [eiseres] hoogstwaarschijnlijk geen verhaal voor het betalen van een contractuele boete. [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling verteld dat de woning nog steeds niet is verkocht en zij dus ook geen nieuwe woning kan kopen. [eiseres] heeft door de hele situatie bedragen moeten lenen en dus veel schulden gemaakt. De kantonrechter ziet ook in deze omstandigheden aanleiding om de boete te matigen.
Rechtsverwerking
[erflater] beroept zich nog op rechtsverwerking. Dat beroep slaagt niet. De enkele omstandigheid dat [eiseres] de contractuele boete (zonder protest) heeft laten uitbetalen en vervolgens “pas” op 27 mei 2025 om matiging vraagt, is daarvoor onvoldoende.
Conclusie matiging boete
Het verschil tussen de werkelijke schade en het contractuele boetebedrag leidt in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat. De billijkheid eist in dit geval daarom matiging van de contractuele boete. Op grond van alle voornoemde omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat een matiging van de boete naar een bedrag van € 16.150,– redelijk is.
Herstel parketvloer
De kantonrechter overweegt als volgt. Voor een geslaagd beroep op ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW), is vereist dat [erflater] is verrijkt en dat [eiseres] is verarmd. Dat [eiseres] is verarmd door het laten herstellen van de parketvloer staat wel vast: [eiseres] heeft immers € 500,– betaald voor het herstellen van de vloer waarvan zij geen gebruik maakt noch heeft gemaakt. Dat [erflater] zou zijn verrijkt is echter niet gebleken. Dat de woning € 500,– meer waard is geworden door louter het herstellen van de parketvloer, is niet gebleken en acht de kantonrechter ook niet aannemelijk. Dit onderdeel van het gevorderde wordt dus afgewezen.
Incassokosten en wettelijke rente
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [erflater] verweert zich tegen de gevorderde incassokosten omdat een beroep op matiging van de contractuele boete niet onder een van de posten uit de Bik-Staffel valt. Dit gaat echter voorbij aan de grondslag van de buitengerechtelijke kosten: schadevergoeding voor door schuldeiser gemaakte kosten die de schuldenaar had kunnen voorkomen door in een eerder stadium buitengerechtelijk aan de verplichting te voldoen waartoe hij nu in rechte wordt veroordeeld.
[eiseres] heeft aan [erflater] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal het gevorderde bedrag van € 941,50 worden toegewezen. Ook moet [erflater] de wettelijke rente vanaf 10 juni 2025 betalen over de toegewezen hoofdsom.
Proceskosten
[erflater] krijgt vrijwel geheel ongelijk en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
732,–
- salaris gemachtigde
€
864,–
(2 punten × € 432,–)
- nakosten
€
144,–
Totaal
€
1.886,14
6. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [erflater] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 16.150,–, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 10 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [erflater] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 941,50 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [erflater] in de proceskosten van € 1.886,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [erflater] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.B. de Groot en in het openbaar uitgesproken door
mr. A.M.S. Kuipers op 17 maart 2026.