ECLI:NL:RBOVE:2026:1587

ECLI:NL:RBOVE:2026:1587

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 26-03-2026
Datum publicatie 25-03-2026
Zaaknummer 08-300662-24, 05-069185-24 (gevoegd) (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Almelo

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaren, het betalen van schadevergoedingen, gelast dat hij ter beschikking wordt gesteld, legt aan hem op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking voor de duur van 5 jaren en legt een contactverbod op met het slachtoffer. De verdachte is schuldig bevonden aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid, verkrachting en een verkeersovertreding.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-300662-24, 05-069185-24 (gevoegd) (P)

Datum vonnis: 26 maart 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats],

nu verblijvende in de P.I. [locatie].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 20 maart 2025, 12 juni 2025, 4 september 2025, 30 oktober 2025, 8 januari 2026 en 5 maart 2026.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. R. Oude Breuil, advocaat in Enschede, naar voren is gebracht.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de door [slachtoffer] voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens de benadeelde partijen [slachtoffer] en [benadeelde] door mr. J. Klomp, advocaat in Enschede, is aangevoerd.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging van parketnummer 05-069185-24 van 20 maart 2025, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

parketnummer 08-300662-24

feit 1: in de periode van 1 maart 2019 tot en met 30 september 2019 [slachtoffer] (primair) heeft aangerand, dan wel (subsidiair) ontuchtige handelingen met haar heeft gepleegd terwijl zij de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt;

feit 2: in de periode van [datum] 2019 tot en met 30 september 2019 [slachtoffer] (primair) heeft verkracht, dan wel (subsidiair) seksueel bij haar is binnengedrongen terwijl zij de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt;

parketnummer 05-069185-24

als bestuurder van een personenauto (primair) opzettelijk de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was, dan wel (subsidiair) gevaar op de weg heeft veroorzaakt en/of het verkeer heeft gehinderd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

parketnummer 08-300662-24

1hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2019 tot en met 30 september 2019 te [plaats 1] en/of te [plaats 2], althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten- het door haar laten maken en naar hem, verdachte, sturen van foto’s en/of filmpjes waarin zij haar (deels) ontblote lichaam liet zien en/of seksuele/ontuchtige handelingen bij zichzelf verrichtte, te weten het brengen van haar vingers en/of diverse voorwerpen in haar vagina en tussen haar schaamlippen en/of het betasten van haar vulva met haar vingers en/of- het door haar laten videobellen met hem, verdachte, waarin zij haar (deels) ontblote lichaam liet zien en/of seksuele/ontuchtige handelingen bij zichzelf verrichtte, te weten het brengen van haar vingers en/of diverse voorwerpen in haar vagina en tussen haar schaamlippen en/of het betasten van haar vulva met haar vingers, waarbij dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of met die andere feitelijkheid er in heeft/hebben bestaan dat verdachte- tegen haar heeft gezegd dat hij seksueel getinte foto’s en/of filmpjes van haar zou verspreiden, indien zij niet mee zou werken en/of- zich dreigend en/of dwingend en/of gebiedend tegenover haar heeft opgesteld en/of- misbruik heeft gemaakt van haar jonge leeftijd en/of haar kwetsbaarheid en/of- voorbij is gegaan aan haar verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand en/of- (hierdoor) een zodanig beangstigende en/of bedreigende situatie heeft doen ontstaan dat zij zich niet, althans onvoldoende aan voornoemde ontuchtige handelingen kon onttrekken;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2019 tot en met 30 september 2019 te [plaats 1] en/of te [plaats 2], althans in Nederland, met [slachtoffer], geboren op [datum] 2005, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten- het door haar laten maken en naar hem, verdachte, sturen van foto’s en/of filmpjes waarin zij haar (deels) ontblote lichaam liet zien en/of seksuele/ontuchtige handelingen bij zichzelf verrichtte, te weten het brengen van haar vingers en/of diverse voorwerpen in haar vagina en tussen haar schaamlippen en/of het betasten van haar vulva met haar vingers en/of- het door haar laten videobellen met hem, verdachte, waarin zij haar (deels) ontblote lichaam liet zien en/of seksuele/ontuchtige handelingen bij zichzelf verrichtte, te weten het brengen van haar vingers en/of diverse voorwerpen in haar vagina en tussen haar schaamlippen en/of het betasten van haar vulva met haar vingers;

2hij in of omstreeks de periode van [datum] 2019 tot en met 30 september 2019 te [plaats 1], door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten het brengen van zijn penis in haar mond en/of haar vagina, waarbij dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of met die andere feitelijkheid er in heeft/hebben bestaan dat verdachte- tegen haar heeft gezegd dat hij seksueel getinte foto’s en/of filmpjes van haar zou verspreiden, indien zij niet met hem zou afspreken en/of mee zou werken en/of- haar heeft geslagen en/of aan haar haren heeft getrokken en/of haar handen heeft vastgehouden toen zij zich verzette en/of- zich dreigend en/of dwingend en/of gebiedend tegenover haar heeft opgesteld en/of- misbruik heeft gemaakt van haar jonge leeftijd en/of haar kwetsbaarheid en/of zijn fysieke overwicht op haar en/of- voorbij is gegaan aan haar verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand en/of- (hierdoor) een zodanig beangstigende en/of bedreigende situatie heeft doen ontstaan dat zij zich niet, althans onvoldoende aan voornoemde seksuele handelingen kon onttrekken;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van [datum] 2019 tot en met 30 september 2019 te [plaats 1], met [slachtoffer], geboren op [datum] 2005, die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten het brengen van zijn penis in haar mond en/of haar vagina;

parketnummer 05-069185-24

hij op of omstreeks 2 december 2023 te Lievelde, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Peugeot), daarmee rijdende op de weg, de Europaweg,

- heeft gereden met een snelheid van (ongeveer) 110 km/uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheid van 80 km/uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of

- met het door hem bestuurde voertuig een of meerdere slingerende bewegingen heeft gemaakt en/of daarbij een of meerdere keren een bijna-aanrijding heeft veroorzaakt en/of

- meermalen, althans eenmaal, tegen en/of in de richting van een ander voertuig heeft gestuurd en/of dat andere voertuig getracht heeft van de weg te rijden, althans van de weg (af) te drukken en/of

- een of meerdere malen geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij niet gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, maar is hij doorgereden en/of

- in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was het voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg (de Europaweg) kon overzien en waarover deze vrij was en/of

- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een voertuig (personenauto merk Toyota (met drie inzittenden)) die (rechts) naast danwel (dicht) achter hem, verdachte, reed,

en aldus in strijd met het in artikel 5a van de WVW94 gestelde verbod, zich opzettelijk zodanig in het verkeer heeft gedragen dat voormelde verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, waardoor daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 2 december 2023 te Lievelde, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Europaweg,

- heeft gereden met een snelheid van (ongeveer) 110 km/uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheid van 80 km/uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of

- met het door hem bestuurde voertuig een of meerdere slingerende bewegingen heeft gemaakt en/of daarbij een of meerdere keren een bijna-aanrijding heeft veroorzaakt en/of

- meermalen, althans eenmaal, tegen en/of in de richting van een ander voertuig heeft gestuurd en/of dat andere voertuig getracht heeft van de weg te rijden, althans van de weg (af) te drukken en/of

- een of meerdere malen geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij niet gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, maar is hij doorgereden en/of

- in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was het voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg (de Europaweg) kon overzien en waarover deze vrij was en/of

- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een voertuig (personenauto merk Toyota (met drie inzittenden)) die (rechts) naast danwel (dicht) achter hem, verdachte, reed,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

3. De bewijsmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde feiten onder beide parketnummers wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder parketnummer 08-300662-24 feit 1 en feit 2 primair ten laste gelegde. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de feiten zich in de ten laste gelegde periode hebben afgespeeld, dat verdachte pleger is van de feiten en dat de feiten daadwerkelijk zijn gepleegd. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat verdachte pleger is van de zedenfeiten, dan kunnen vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor de dwang slechts de subsidiaire varianten wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Ook van het onder parketnummer 05-069185-24 primair en subsidiair ten laste gelegde moet verdachte worden vrijgesproken. De gedragingen die wel bewezen kunnen worden verklaard – het rijden met een snelheid van 110 kilometer per uur, het slingeren op de weg en het door rood rijden – leveren samen nog geen overtreding van artikel 5a of 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw) op.

Het oordeel van de rechtbank

Parketnummer 08-300662-24

3.3.1.1 De beoordeling van bewijs in zedenzaken

Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door de omstandigheid dat slechts twee personen aanwezig waren bij de (gestelde) seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader.

Bij een ontkennende verdachte, zoals in deze zaak het geval is, brengt dit in veel gevallen met zich dat de verklaring van het vermeende slachtoffer als belangrijkste bewijsmiddel voorhanden is. Op grond van artikel 342, tweede lid, Sv kan het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend worden aangenomen op grond van enkel de verklaring van het vermeende slachtoffer.

Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, dient sprake te zijn van voldoende steunbewijs. Die ondersteuning hoeft niet te zien op alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat erom dat de verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat die verklaring “niet op zichzelf staat”, maar als het ware is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron. De vraag of aan dit zogenaamde bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.

Nu verdachte de ten laste gelegde feiten ontkent, ziet de rechtbank zich dus gesteld voor de vragen of (1) de verklaring van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) betrouwbaar is en (2) of deze verklaring voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen.

3.3.1.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De verklaring van verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij in 2023 chatcontact heeft gehad met [slachtoffer] via het Instagram account [accountnaam] (de rechtbank begrijpt: het account [accountnaam] met de weergavenaam [accountnaam]). Alle berichten die hij haar heeft gestuurd – dus ook die met verwijzingen naar het verleden, voorwerpen of plekken – stuurde hij om het gesprek gaande te houden. De inhoud van de chats en de keuze voor bepaalde bewoordingen van verdachte berust op toeval. Verdachte weet zeker dat hij vóór 2023 niet eerder contact heeft gehad met [slachtoffer] en dat hij geen seks met haar heeft gehad in 2019.

De verklaring van [slachtoffer]

heeft verklaard dat zij ongeveer vier jaar vóór medio 2023 chatcontact had via Instagram met een (toen nog) onbekende persoon. Die persoon ging haar steeds meer uitdagen en op enig moment liep dit uit tot het vragen van naaktfoto’s en -video’s van [slachtoffer]. Die heeft zij verzonden. [slachtoffer] werd gebeld als zij naakt was en moest haar camera aanzetten. Ook moest zij zichzelf vingeren, verschillende voorwerpen zoals bananen enijsblokjes in haar poes stoppen en zichzelf bevredigen met een haarborstel. Als [slachtoffer] probeerde te stoppen dreigde de persoon alle foto’s en video’s naar haar ouders te sturen. [slachtoffer] durfde niet te stoppen omdat zij bang was voor de consequenties. Het chatcontact heeft vier à vijf maanden geduurd tot de persoon met haar wilde afspreken. Hoewel [slachtoffer] dit niet wilde, deed ze dit toch vanwege het herhaalde dreigement om de beelden te verspreiden. Er is een afspraak gemaakt bij de voetbalclub [club]. [slachtoffer] was op dat moment veertien jaar oud en droeg – omdat dit moest van de persoon – een jurkje zonder ondergoed. Dit moest zij bewijzen door tijdens het videobellen haar jurkje omhoog te trekken. [slachtoffer] was bij de voetbalclub toen de persoon in een witte auto, vermoedelijk een Kia Picanto, kwam aanrijden. Hij wilde eerst bij een muurtje, maar zag dat daar een camera hing. Hij nam haar vervolgens mee naar een boom en duwde haar op haar knieën naar beneden. De persoon haalde zijn lul uit zijn broek en [slachtoffer] moest hem pijpen. Toen ze dit niet deed en haar mond niet wilde openen kreeg ze met een vlakke hand een harde klap op haar wang omdat hij niet tevreden was en zei hij: “je bent toch een sletje, doe wat ik je heb geleerd”. Volgens [slachtoffer] verwees de persoon hiermee naar onder andere de momenten waarop zij met bananen moest voordoen hoe zij zou pijpen. Hierna tilde de persoon [slachtoffer] aan haar kin omhoog en draaide hij haar om tegen de boom. [slachtoffer] probeerde hem weg te duwen, maar de persoon pakte haar beide handen en hield deze vast op haar rug. [slachtoffer] kreeg haar handen niet meer los. Hij trok haar jurkje omhoog en stopte zijn lul in haar poes. Hij neukte haar een aantal minuten. Ze werd daarbij ook aan haar haren getrokken en haar handen werden vastgehouden. De persoon kwam in haar klaar, haalde zijn lul uit haar en is weggelopen naar zijn auto.

Eind 2023 werd [slachtoffer] opnieuw benaderd door een persoon op Instagram met de gebruikersnaam [accountnaam]. Door de inhoud van de berichten van die persoon en zijn stem uit een enkel gesprek, wist ze dat ze met dezelfde persoon sprak als een aantal jaren daarvoor en met wie ze had afgesproken toen ze veertien jaar was. Ze besluit (onder begeleiding van haar moeder en oom) met hem af te spreken om erachter te komen wie hij is. Ze hebben twee weken gechat voor het tot een afspraak kwam op 2 december 2023. Op die dag herkende [slachtoffer] de persoon – verdachte – als degene met wie zij een afspraak had toen zij veertien was.

De betrouwbaarheid van de verklaring

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar is en daarmee bruikbaar is voor het bewijs.

De rechtbank is van oordeel dat de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen tijdens het informatief gesprek zeden op 28 juni 2023 en de aangifte op 16 januari 2024 in grote lijnen met elkaar overeenkomen. De rechtbank merkt daarbij op dat [slachtoffer] tijdens het informatief gesprek zeden nog geen gegevens had van een mogelijke dader, maar al wel informatie over de dader noemt, wat bijdraagt aan de authenticiteit en geloofwaardigheid van de verklaring. [slachtoffer] heeft consistent, uitgebreid en gedetailleerd verklaard. Het handelen van verdachte in de chats en tijdens de ontmoeting beschrijft zij steeds op dezelfde wijze. Daarnaast weet zij zich details te herinneren die bijdragen aan de authenticiteit van haar verklaring. Zo verklaart zij dat het warm was toen zij en verdachte afspraken, dat zij een jurkje droeg, dat zij rond het moment van de afspraak jarig was, dat er een camera hing bij een muurtje waardoor ze uiteindelijk bij een boom gingen staan en dat zij het sperma van verdachte in haar voelde lopen. Ook verklaart [slachtoffer] dat verdachte in een witte auto, vermoedelijk een Kia Picanto, bij de voetbalclub kwam in 2019, welk detail steun vindt in de verklaring van de vriendin van verdachte inhoudende dat zij in 2019 een witte Kia Picanto op haar naam had staan waarvan verdachte ook gebruik maakte. Deze herinnering van [slachtoffer] kan niet zijn ingegeven door de ontmoeting op 2 december 2023 omdat verdachte toen in een donkere Peugeot reed. Ook beschrijft [slachtoffer] dat zij in eerste instantie vrijwillig seksuele handelingen voor de camera verrichtte, omdat dit nieuw en spannend voor haar was, maar dat zij dit achteraf dom vindt van zichzelf. Ook dit draagt bij aan de authenticiteit en betrouwbaarheid van haar verklaring. Tot slot beschrijft [slachtoffer] niet alleen wat haar fysiek is overkomen, maar ook wat haar gevoel was op momenten zoals de angst die ontstond door de dreigementen van verdachte om de beelden te verspreiden.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar en geloofwaardig is en zal deze verklaring (als uitgangspunt) voor het bewijs gebruiken.

Het steunbewijs

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of de verklaring van [slachtoffer] ook voldoende is ingebed in een concrete context die bovendien bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal. De rechtbank overweegt daarover met inachtneming van het onder 3.3.1.1 geschetste kader over het bewijsminimum het volgende.

Uit de verklaring van verdachte volgt dat hij de gebruiker was van het Instagram account [accountnaam] en dat de chats uit 2023 die zich in het dossier bevinden door hem naar [slachtoffer] zijn verzonden. Datagegevens van deze chats, zoals een verzenddatum, kennen in deze zaak geen bewijswaarde en zijn niet van belang voor de beantwoording van de bewijsvraag, omdat de rechtbank uitgaat van de verklaring van [slachtoffer] dat deze chats zijn gestuurd in 2023. Dat deze datagegevens ontbreken en dat mogelijk niet alle chats uit het gesprek in het dossier zijn opgenomen is daarom niet van belang.

De chats die in het dossier voorhanden zijn en door verdachte zijn verzonden, ondersteunen de aangifte van [slachtoffer] – en daarmee de gebeurtenissen uit 2019 – op gedetailleerd niveau en bevatten veel verwijzingen naar het verleden. Verdachte vraagt bijvoorbeeld of [slachtoffer] nog weet wat ze er allemaal voor hem in haar heeft gestopt (de rechtbank begrijpt: in haar vagina). Als [slachtoffer] verdachte hierop vraagt wat de rest was, noemt verdachte zeer specifiek de voorwerpen borstel, deo en een “banaan die er helemaal in ging”. Verder vraagt hij of [slachtoffer] nog weet dat ze zich vroeger voor verdachte ging vingeren op school. Wanneer [slachtoffer] laat merken dat zij geen beeldmateriaal wil sturen naar verdachte reageert hij dat hij de Do van vroeger wil. Ook de ontmoeting bij de voetbalclub vindt steun in de door verdachte gestuurde chats. Zo vraagt verdachte waarom ze niet bij de voetbalclub afspreken, wat [slachtoffer] deed toen hij drie seconden binnen was (de rechtbank begrijpt: in haar vagina) en of zij met pijpen nog steeds probeert hem helemaal in haar mond te laten verdwijnen. Chats waarin [slachtoffer] zelf specifiek verwijst naar de gebeurtenissen uit het verleden worden door verdachte niet weersproken. Evenmin stelt verdachte hier vragen over. Als [slachtoffer] erop wijst dat verdachte erop kickte dat ze zo jong was en dat hij het zo leuk vond, ontkent verdachte dit niet maar vraagt hij “jij niet?”. Daarnaast omschrijft verdachte het als zijn fantasie om [slachtoffer] aan haar haren naar zich toe trekken wanneer hij haar “doggy neemt”, wat overeenkomt met de manier waarop [slachtoffer] de verkrachting bij de voetbalclub heeft beschreven. Ook wanneer [slachtoffer] erop wijst dat zij bang is dat verdachte net als vroeger screenshots zal maken van beelden en deze zal verspreiden zegt hij wel dat hij dit nu niet zal doen, maar weerspreekt hij niet dat dit ooit gebeurd is. De rechtbank acht de verklaring van verdachte inhoudende dat hij het gesprek alleen maar gaande hield en zijn berichten toevallig specifieke verwijzingen bevatten die ook in de aangifte benoemd worden ongeloofwaardig. Het veelvoud van verwijzingen naar het verleden en de specifiek benoemde plekken en voorwerpen laten geen ruimte voor deze verklaring.

Tussenconclusie

De rechtbank is op basis van hetgeen hiervoor is uiteengezet van oordeel dat de betrouwbare en geloofwaardige verklaring van [slachtoffer] in voldoende mate en op wezenlijke onderdelen wordt ondersteund.

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank niet alleen vast dat de gebeurtenissen zoals ten laste gelegd onder feit 1 en feit 2 (primair dan wel subsidiair) hebben plaatsgevonden, maar ook dat verdachte – gezien de gedetailleerde daderkennis – hierbij betrokken was.

Dwang

Voor een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde onder feit 1 en feit 2 is dwang vereist. De dwangmiddelen opgenomen in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) (oud) en 246 Sr (oud) zijn: (bedreiging met) geweld of (bedreiging met) een andere feitelijkheid. Van een door feitelijkheid dwingen kan sprake zijn indien de verdachte het slachtoffer heeft gebracht in een zodanige door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie dat het slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken. Of zulk een dwang zich heeft voorgedaan, laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.

Verdachte gaf op dwingende toon opdrachten aan [slachtoffer] en heeft meermalen gedreigd met het verspreiden van haar naaktfoto’s en -video’s. Dit heeft ertoe geleid dat [slachtoffer] telkens meer expliciete beelden aan verdachte verstrekte en dat er een ontmoeting heeft plaatsgevonden waarbij zij oraal en vaginaal door verdachte is gepenetreerd. [slachtoffer] heeft geprobeerd geen gehoor te geven aan de verzoeken van verdachte, maar ze was bang voor de consequenties. Door zo te handelen heeft verdachte en afhankelijkheidsrelatie gecreëerd en is hij hiervan blijven gebruikmaken. De dwang was zodanig dat [slachtoffer] zich naar redelijke verwachting, alleen al gezien het aanzienlijk leeftijdsverschil tussen verdachte en de jonge leeftijd van [slachtoffer], niet tegen de seksuele handelingen heeft kunnen verzetten en waardoor zij door toedoen van de verdachte in zodanig bedreigende situaties is gebracht dat [slachtoffer] zich hieraan naar redelijke verwachting niet kon onttrekken. Naar het oordeel van de rechtbank was sprake van dwang door een andere feitelijkheid. Tijdens de ontmoeting heeft verdachte [slachtoffer] in haar gezicht geslagen, aan haar haren getrokken en bij haar handen vastgepakt toen zij zich verzette, waardoor ten aanzien van feit 2 bovendien sprake is van dwang door geweld.

De pleegperiode

De raadsman heeft verweer gevoerd over de ten laste gelegde pleegperiodes. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt dat de pleegperiodes navolgbaar voortvloeien uit de verklaring van [slachtoffer]. Zij heeft verklaard dat zij ten tijde van de ontmoeting veertien jaar oud was en dat het augustus of september was. De pleegperiode van feit 2 is daarom vastgesteld op [datum] 2019 (de dag dat [slachtoffer] veertien werd) tot 30 september 2019. Voorafgaand aan de ontmoeting hadden zij en verdachte vier tot vijf maanden contact, waardoor de pleegperiode van feit 1 is bepaald op 1 maart 2019 tot en met 30 september 2019.

Conclusie

De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 primair en laste gelegde heeft begaan.

Parketnummer 05-069185-24

3.3.2.1 De redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op grond van het dossier en de behandeling ter terechtzitting het volgende vast.

Op 2 december 2023 rijdt verdachte met een snelheid van (ongeveer) 110 kilometer per uur, als bestuurder van een personenauto, op de Europaweg (ook wel de N18) ter hoogte van Lievelde. De maximumsnelheid bedraagt daar 80 kilometer per uur. Verdachte wordt op dat moment achtervolgd door een auto met daarin [slachtoffer], haar moeder en haar oom. Om te voorkomen dat hij wordt ingehaald maakt verdachte slingerende bewegingen met zijn auto, waarbij hij rakelings langs de auto van zijn achtervolgers rijdt. Over en weer halen de auto’s elkaar een aantal keer in. Op een moment dat verdachte voorop rijdt, ziet hij dat het verkeerslicht op oranje en rood springt, maar rijdt hij toch door. Terwijl verdachte op enig moment links op de weg rijdt en zijn achtervolgers rechts op de weg, stuurt verdachte zijn auto naar rechts waarbij hij de auto van zijn achtervolgers raakt. [slachtoffer], haar moeder en haar oom belanden met hun auto in de berm. Als verbalisanten verdachte uiteindelijk een stopteken hebben gegeven zien zij schade over de gehele lengte aan de bijrijderskant van de auto van verdachte.

3.3.2.2 De overwegingen van de rechtbank

Primair is overtreding van artikel 5a WVW94 ten laste gelegd. De rechtbank dient te beoordelen of verdachte met zijn rijgedrag (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of dat hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.

Gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden overweegt de rechtbank hierover als volgt. Verdachte heeft voor een langere duur dan een enkel moment een reeks aan verkeersovertredingen begaan. Het gevaarlijk inhalen en door rood licht rijden zijn daarbij specifieke gevaarzettende verkeersgedragingen die zijn neergelegd in onderdeel a tot en met m van artikel 5a, eerste lid, WVW94. Het voorgaande maakt dat sprake is van een ernstige schending van de verkeersregels. Uit de verklaring van verdachte – inhoudende dat hij wilde voorkomen dat hij werd ingehaald en dat hij probeerde te ontkomen aan zijn achtervolgers – blijkt dat hij welbewust en opzettelijk heeft gehandeld. In zijn algemeenheid acht de rechtbank het voorzienbaar dat er levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is door het hiervoor beschreven rijgedrag op een openbare weg. Meer specifiek weegt de rechtbank mee dat verdachte niet alleen [slachtoffer], haar moeder en haar oom in direct gevaar heeft gebracht door tegen hun auto aan te rijden waarbij zij in de berm zijn beland, maar ook overige weggebruikers in gevaar heeft gebracht, met name op het moment dat hij het rode verkeerslicht negeerde en een kruising overstak.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

parketnummer 08-300662-24

1hij op meer tijdstippen in de periode van 1 maart 2019 tot en met

30 september 2019 te [plaats 1] en/of te [plaats 2], door bedreiging met een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen van ontuchtige handelingen, te weten- het door haar laten maken en naar hem, verdachte, sturen van foto’s en filmpjes waarin zij haar (deels) ontblote lichaam liet zien en seksuele/ontuchtige handelingen bij zichzelf verrichtte, te weten het brengen van haar vingers en diverse voorwerpen in haar vagina en tussen haar schaamlippen en het betasten van haar vulva met haar vingers en - het door haar laten videobellen met hem, verdachte, waarin zij haar (deels) ontblote lichaam liet zien en seksuele/ontuchtige handelingen bij zichzelf verrichtte, te weten het brengen van haar vingers en diverse voorwerpen in haar vagina en tussen haar schaamlippen en het betasten van haar vulva met haar vingers,

waarbij die bedreiging met die andere feitelijkheid er in heeft bestaan dat verdachte- tegen haar heeft gezegd dat hij seksueel getinte foto’s en filmpjes van haar zou verspreiden, indien zij niet mee zou werken en - zich dreigend en dwingend en gebiedend tegenover haar heeft opgesteld en - misbruik heeft gemaakt van haar jonge leeftijd en haar kwetsbaarheid en - voorbij is gegaan aan haar verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand en - (hierdoor) een zodanig beangstigende en bedreigende situatie heeft doen ontstaan dat zij zich niet aan voornoemde ontuchtige handelingen kon onttrekken;

2hij in de periode van [datum] 2019 tot en met 30 september 2019 te [plaats 1], door geweld en bedreiging met een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten het brengen van zijn penis in haar mond en haar vagina, waarbij dat geweld en die bedreiging met die andere feitelijkheid er in hebben bestaan dat verdachte- tegen haar heeft gezegd dat hij seksueel getinte foto’s en filmpjes van haar zou verspreiden indien zij niet met hem zou afspreken en mee zou werken en - haar heeft geslagen en aan haar haren heeft getrokken en haar handen heeft vastgehouden toen zij zich verzette en - zich dreigend en dwingend en gebiedend tegenover haar heeft opgesteld en

- misbruik heeft gemaakt van haar jonge leeftijd en haar kwetsbaarheid en zijn fysieke overwicht op haar en - voorbij is gegaan aan haar non-verbale signalen van verzet/weerstand en - (hierdoor) een zodanig beangstigende en bedreigende situatie heeft doen ontstaan dat zij zich niet aan voornoemde seksuele handelingen kon onttrekken;

parketnummer 05-069185-24

hij op 2 december 2023 te Lievelde, als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Peugeot), daarmee rijdende op de Europaweg,

- heeft gereden met een snelheid van (ongeveer) 110 km/uur en

- met het door hem bestuurde voertuig slingerende bewegingen heeft gemaakt en daarbij een bijna-aanrijding heeft veroorzaakt en

- in de richting van een ander voertuig heeft gestuurd en dat andere voertuig getracht heeft van de weg te rijden en

- geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij niet gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, maar is hij doorgereden en

- in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was het voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg (de Europaweg) kon overzien en waarover deze vrij was en

- in aanrijding is gekomen met een voertuig (personenauto merk Toyota (met drie inzittenden)) dat (rechts) naast hem, verdachte, reed

en aldus in strijd met het in artikel 5a van de WVW94 gestelde verbod, zich opzettelijk zodanig in het verkeer heeft gedragen dat voormelde verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, waardoor daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Noodweer (05-069185-24)

De standpunten van de verdediging en de officier van justitie

De raadsman heeft bij bewezenverklaring en het primair dan wel subsidiair ten laste gelegde verkeersfeit een beroep gedaan op noodweer. Verdachte wilde zich onttrekken aan de situatie terwijl hij met hoge snelheid werd achtervolgd door [slachtoffer], haar moeder en haar oom. Verdachte moet voor dit feit worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het noodweerverweer.

Juridisch kader noodweer

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat aannemelijk is geworden dat het feit is begaan, geboden door de noodzakelijke verdediging tegen een (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van iemands eigen of een anders lijf, eerbaarheid of goed.

De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de feiten en de omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, geen beroep op noodweer rechtvaardigen. Verdachte heeft onvoldoende openheid van zaken gegeven en een verklaring gegeven die slechts beperkt inzicht geeft in de (aanleiding van de) gebeurtenis, waardoor het bestaan van een noodweersituatie de rechtbank niet is gebleken. [slachtoffer] is door toedoen van verdachte slachtoffer van ontucht en verkrachting. Verdachte heeft jaren later opnieuw contact gezocht met [slachtoffer] en met haar afgesproken. Door opnieuw met [slachtoffer] af te spreken, heeft verdachte een ontmoeting georganiseerd tussen hem als verkrachter en [slachtoffer] als slachtoffer. Onder die omstandigheid is voorspelbaar dat het slachtoffer met hulp van anderen verdachte wil ontmaskeren, confronteren en aanhouden. Bij onttrekking daaraan moet verdachte verwacht hebben dat enig geweld richting hem zou worden gebruikt, waarbij geldt dat er geen geweld is gevolgd anders dan de wilde achtervolging. Nu verdachte zichzelf in deze situatie heeft gebracht kan een beroep op noodweer niet slagen. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

Conclusie: strafbaarheid feit

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 242 Sr (oud) en 246 Sr (oud) en in artikel 5a WVW94. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

parketnummer 08-300662-24

feit 1 primair

het misdrijf: feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

feit 2 primair

het misdrijf: verkrachting;

parketnummer 05-069185-24

het misdrijf: overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6. De op te leggen straf of maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft primair gevorderd om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren op te leggen met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en oplegging van een maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren op te leggen met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

In aanvulling op zowel de primaire als de subsidiaire eis is gevorderd om een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden en de maatregelen ex artikel 38z Sr en artikel 38v Sr op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat geen stoornis kan worden vastgesteld ten tijde van de feiten en daarom geen tbs-maatregel kan volgen. Hij heeft primair verzocht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarde een klinische opname. Als de rechtbank komt tot vaststelling van een stoornis, dan is verzocht om geen tbs met dwangverpleging, maar tbs met voorwaarden op te leggen. Oplegging van een maatregel ex artikel 38z Sr en een ontzegging van de rijbevoegdheid hebben geen toegevoegde waarde. De raadsman heeft zich niet verzet tegen oplegging van een contactverbod met [slachtoffer] in de zin van een maatregel ex artikel 38v Sr.

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Ernst van de feiten

Het onmiskenbare zwaartepunt van deze strafzaak is gelegen bij de zedenfeiten die zich in 2019 hebben afgespeeld. Verdachte heeft contact gezocht met de destijds dertienjarige [slachtoffer] en is op berekenende wijze in haar leven binnengedrongen. Toen verdachte [slachtoffer] zo ver had gekregen om expliciete beelden van haarzelf aan hem te versturen, heeft hij hier lange tijd misbruik van gemaakt. Onder dreiging van het verspreiden van het beeldmateriaal werd [slachtoffer] ertoe gedwongen om onder meer met verschillende voorwerpen verregaande seksuele handelingen bij zichzelf te verrichten en ook hiervan beeldmateriaal te maken. Uiteindelijk hebben de dreigementen van verdachte geleid tot een ontmoeting, waarbij de toen veertienjarige [slachtoffer] oraal en vaginaal is verkracht. Verdachte heeft hierbij geen condoom gebruikt en heeft [slachtoffer] na de daad alleen achtergelaten, waarna zij zichzelf moest zien te redden. Jaren later neemt verdachte opnieuw contact op met [slachtoffer], wat bij haar opnieuw gevoelens van angst en paniek opriep. Ondanks de door haar ervaren weerstand om contact met verdachte te hebben na de ontucht en verkrachting in 2019, is zij over haar gevoel heengestapt met als doel de identiteit van verdachte te achterhalen. Samen met haar moeder besluit zij opnieuw een afspraak te maken met verdachte, om zo achter zijn identiteit te komen. Dit heeft geleid tot de achtervolging op 2 december 2023, waarbij verdachte zeer gevaarlijk rijgedrag heeft vertoond. Verdachte heeft bij dit alles op geen enkel moment rekening gehouden met de gevoelens van [slachtoffer] en heeft alleen gedacht aan het vervullen van zijn seksuele behoeftes.

Slachtoffers van zedenmisdrijven ondervinden daarvan nog lange tijd nadelige psychische gevolgen. In 2019 bevond [slachtoffer] zich in een kwetsbare levensfase en de gebeurtenissen hebben diepe indruk op haar gemaakt. Zeker Pubermeisjes zijn uitermate kwetsbaar, omdat zij zich in een periode van hun leven bevinden waarin zij hun seksualiteit ontdekken. Hoewel verdachte wist dat [slachtoffer] jong was, is hij – als destijds een 32-jarige – aan die kwetsbare positie van haar voorbijgegaan en heeft zich niet bekommerd om de schadelijke gevolgen van zijn handelen. Dat het handelen van verdachte nog steeds enorme impact heeft op [slachtoffer] blijkt ook uit de ter zitting van

20 maart 2025 voorgelezen slachtofferverklaring. Daarin heeft [slachtoffer] op indrukwekkende wijze verwoord hoe zij de periode ten tijde van het ten laste gelegde en daarna heeft beleefd en met welke gevoelens en gedachten zij kampte. Nog altijd ondervindt zij de negatieve gevolgen van het handelen van verdachte. [slachtoffer] heeft angsten ontwikkeld, ervaart moeilijkheden als zij wordt omringd door mannen en heeft last van paniekaanvallen en herbelevingen van de traumatische gebeurtenissen. [slachtoffer] heeft vele therapiesessie ondergaan en hoewel enige verbetering merkbaar is, heeft zij ter zitting van 5 maart 2026 verklaard dat dit in kleine stappen gaat.

Verdachte heeft op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden.

Persoon van verdachte

Over verdachte zijn zowel door de reclassering als door Pro Justitia rapporteurs meerdere rapporten opgemaakt. Reden hiervoor is gelegen in het (lange) verloop van de strafzaak en de opdracht van de rechtbank van 30 oktober 2025 om stukken over de persoon van verdachte uit het verleden te laten toevoegen aan het dossier, dan wel te verstrekken aan deskundigen om hierover aanvullend te rapporteren. De rechtbank heeft van alle rapporten die zich in het dossier bevinden kennisgenomen. Hierna vindt een bespreking plaats van in ieder geval de meest recente rapporten. Oudere rapporten zullen voor zover van belang besproken worden.

Justitiële documentatie

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 27 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte in 2010 is veroordeeld voor zeven zedenfeiten (pogingen tot aanranding, aanranding en het verspreiden of vervaardigen van een afbeelding van een seksuele gedraging van een minderjarige). Aan hem is een maximale taakstraf en een gevangenisstraf van 270 dagen waarvan 162 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden opgelegd. In het kader van de bijzondere voorwaarden heeft verdachte een behandeling gevolgd bij De Waag.

Oude rapportages

Uit een over verdachte in het kader van de oude strafzaak opgesteld reclasseringsrapport van 26 april 2010, volgt dat verdachte chatte met minderjarige meisjes en de gesprekken seksueel getint waren. Door middel van dreiging heeft verdachte geprobeerd de meisjes te bewegen tot het plegen van ontuchtige handelingen voor de webcam. Als de reclassering aan verdachte vraagt of hij zou zijn gestopt met zijn gedrag wanneer er geen aangifte was gedaan, dan antwoordt hij dat hij dan waarschijnlijk door zou zijn gegaan. Het risico op recidive is destijds ingeschat als hoog gemiddeld. Verdachte weet niet wat de reden is geweest voor zijn delictgedrag en wil hulp om hier inzicht in te krijgen. De reclassering heeft twijfels over het inlevingsvermogen van verdachte. De reclassering denkt dat verdachte zijn voordeel kan en zal doen met een behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling.

De Pro Justitia deskundigen in het huidige strafdossier hebben beschikking gekregen over een Pro Justitia rapportage van 13 augustus 2010 dat over verdachte is opgemaakt door R.A.R. Bullens, psycholoog. In een citaat uit dat rapport staat onder meer het volgende beschreven. Bij verdachte is sprake van alexithymie, waardoor hij onvoldoende in staat is om gevoelens te identificeren en te lezen. Daarnaast is sprake van een geringe frustratietolerantie en impulscontrole en onvoldoende beheersing van agressiegevoelens. Verdachte accepteert geen nee en de enige manier om zijn gevoelens van onvrede op te heffen, is door net zolang door te gaan tot hij zijn zin krijgt. Al met al is bij verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en kan hij als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar worden aangemerkt. Geadviseerd wordt om een ambulante behandeling op te leggen bij De Waag.

Ook hebben de Pro Justitia deskundigen beschikking gekregen over de afsluitbrief van 6 juni 2012, opgesteld door J.M. van Schooten, klinisch psycholoog bij De Waag. Verdachte heeft hier na zijn veroordeling een ambulante behandeling gevolgd. In de afsluitbrief staat beschreven dat verdachte een dubbelleven leidde. Hij had een ‘perfect’ leven maar vloog ondertussen flink uit de bocht terwijl niemand dit in de gaten had. Verder staat vermeld dat er heel weinig ontwikkeling zichtbaar is. Inzichten van verdachte zijn rationeel en weinig doorleeft. Als einddiagnose werd gesteld dat bij verdachte sprake is van parafilie (niet anders omschreven) in combinatie met trekken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis.

Pro Justitia rapportage

In de Pro Justitia rapportage van 18 februari 2025, opgesteld door D.R. van der Velden, GZ-psycholoog, en J. Marx, psychiater, staat zakelijk weergegeven het volgende beschreven. Verdachte heeft zich feitelijk meewerkend opgesteld. Het valt onderzoekers op dat het zeer beperkt mogelijk is om met verdachte in gesprek te komen over relevante thema’s, in het bijzonder met betrekking tot seksualiteit. Door de ontkennende proceshouding is het niet mogelijk gebleken een beeld te verkrijgen van de beweegredenen, de lustbelevingen en het driftleven van verdachte, alsmede de wijze waarop dit is ingebed in het (disfunctioneel) persoonlijkheidsfunctioneren. Het is voor onderzoekers dan ook niet mogelijk om op basis van eigenstandig onderzoek met voldoende zekerheid een parafiele stoornis vast te stellen, maar de stoornis kan evenmin worden uitgesloten. De bestaande aanwijzingen voor parafilie zijn de eerdere veroordeling uit 2010, de diagnose van klinische psycholoog J.M. van Schooten en indien bewezen, het ten laste gelegde. De aard, specificatie en omvang van de seksuele problematiek blijven in het geïntegreerde onderzoek echter ongewis. Diagnostisch gezien kleurt zijn alexithymie zijn (disfunctioneel) persoonlijkheids-functioneren, maar niet dusdanig beperkend dat vanuit huidig onderzoek de aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis (volgens de classificatie van de DSM-5-TR) kan worden aangetoond.

Bij een bewezenverklaring kan gesteld worden dat verdachte onvoldoende heeft kunnen profiteren van de in 2010 ingezette zedenbehandeling. Verdachte kan zich naar eigen zeggen niet veel herinneren van zijn behandeling bij De Waag en zegt over het effect van de behandeling het volgende: “Ik heb er niets van meegenomen.”, “Het heeft vast wel geholpen, maar kan niet zeggen wat het is geweest”. Verdachte kan niet vertellen hoe de behandeling verliep of welke risicofactoren voor terugval destijds werden geïndiceerd.

Een bewezenverklaring is – bezien vanuit een logische gevolgtrekking en niet zozeer als gedragskundige analyse – een sterke aanwijzing voor een stoornis in de seksualiteitsbeleving. Ook kan dan verondersteld worden dat verdachte goed op de hoogte is van de strafbaarheid van zijn gedrag, maar opnieuw onvoldoende in staat blijkt zijn deviantie lustgevoelens te remmen. Uit de risicotaxatieinstrumenten komt naar voren dat verdachte bij bewezenverklaring in de risicogroep met een bovengemiddeld risico op verglijkbaar seksueel delictgedrag valt, waardoor behandelnoodzaak bestaat om dit risico te verminderen.

Het schetsen van behandelmogelijkheden en het advies geven over de strafrechtelijke kaders is complex. Gezien het verloop van de ambulante behandeling bij De Waag en het ontbrekende behandeleffect is een therapievorm waarbij eigen inbreng van verdachte is vereist weinig hoopvol en de ontkennende houding heeft een negatieve invloed op de behandelresponsiviteit. Er wordt gedacht aan een klinische forensische zedenbehandeling om het recidiverisico op vergelijkbaar seksueel delictgedrag te verminderen. Bij oplegging van die behandeling als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel bestaan er twijfels of verdachte zich aan voorwaarden kan committeren. Mogelijk kiest verdachte ervoor om detentie uit te zitten, waardoor hij onbehandeld terugkeert in de maatschappij. Wanneer een forensische klinische behandeling wordt ingezet als voorwaarde bij een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna GVM) na een gevangenisstraf moet daarbij worden opgemerkt dat een GVM geen behandelmaatregel is en vooral gericht is op toezicht. Indien de rechtbank komt tot vaststelling van een parafiele stoornis en het noodzakelijk acht dat de maatschappij beschermd wordt tegen verdachte kan het opleggen van een tbs-maatregel worden overwogen. Tbs met voorwaarden kent kanttekeningen. Door de ontkennende proceshouding zal het moeilijk zijn om tot overeenstemming te komen over de behandeldoelen, terwijl die overeenstemming zeer wenselijk is als tbs met voorwaarden wordt overwogen. Daar komt bij dat verdachte geneigd is tot heimelijk gedrag waardoor het lastig is daarop controle uit te oefenen. Tbs met dwangverpleging kan worden overwogen. Voordeel hierbij is dat verdachte lang en intensief kan worden behandeld en gevolgd. Ook krijgt hij dan, ondanks de ontkennende proceshouding, toch de noodzakelijke behandeling en kan aan behandeldoelen gewerkt worden om het recidiverisico effectief te verminderen. Het nadeel is dat gezien de proceshouding van verdachte mogelijk minimale effecten zullen optreden en er een kans is op langdurig verblijf in dit gedwongen kader, waarbij beschermende factoren als werk en woning verloren kunnen gaan.

Reclasseringsrapportage

De reclassering rapporteert in het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van

18 februari 2026 (waarin ook het rapport van 9 oktober 2025 is opgenomen) het volgende. Verdachte heeft op praktisch gebied zijn zaken op orde. Hij beschikt over huisvesting, heeft een vaste baan en genereert voldoende inkomsten. De reclassering ziet met betrekking tot de seksualiteit van verdachte een mogelijke behoefte naar het uitoefenen van macht en controle. Bij een bewezenverklaring maakt verdachte een egoïstische en meedogenloze indruk. Niet kan worden uitgesloten dat sprake is van seksuele deviantie en/of seksuele preoccupatie. Naasten beschrijven verdachten als een normale man die zijn leven op orde heeft. Als de feiten bewezen worden verklaard, betekent dit dat verdachte zeer heimelijk heeft gehandeld. Er zijn grote zorgen over herhaling van soortgelijk (delict)gedrag. In het rapport staat omschreven dat het risico op recidive laag is en het risico op letsel hoog is. Tegelijkertijd komt na afname van de Static-99R en de Stable-2007 een matig-hoog risico op herhaling van een seksueel gemotiveerd delict naar voren. Ter zitting heeft [naam], reclasseringswerker, hierover opgemerkt dat het risico op zedenrecidive wordt geschaald onder het risico op letsel. Geconcludeerd kan worden dat er een hoger dan gemiddeld risico is op recidive van een seksueel delict, maar niet op algemene recidive.

Ondanks de zorgen biedt verdachte – vanwege zijn ontkennende proceshouding – geen aanknopingspunten aan de reclassering om met hem te werken aan gedragsverandering. Een forensische zedenbehandeling zal zich onder andere richten op het opstellen van een delictanalyse, om risicofactoren in kaart te brengen en om vervolgens een preventieplan te maken om de kans op recidive te doen verminderen. In het geval van een volledig ontkennende verdachte zal dit niet mogelijk zijn, omdat er niet over het delictgedrag gesproken kan worden. De reclassering acht toezicht op bijzondere voorwaarden of tbs met voorwaarden niet uitvoerbaar. Wel wordt geadviseerd om een GVM-maatregel ex 38z Sr op te leggen, zodat na afloop van een straf of maatregel alsnog voorwaarden kunnen worden opgelegd gericht op risicomanagement en (bij een veranderde houding) behandeling.

Overwegingen van de rechtbank

Tbs-maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd om tbs met dwangverpleging op te leggen. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

- Stoornis

De rechtbank stelt voorop dat de maatregel van terbeschikkingstelling kan worden opgelegd, indien is voldaan aan de in artikel 37a Sr gestelde voorwaarden. Eén van die voorwaarden houdt in dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Bij het vaststellen hiervan heeft de rechter een eigen verantwoordelijkheid en is deze niet gebonden aan door deskundigen uitgebrachte adviezen. Het betreft derhalve een juridisch oordeel. Ook bij een (deels) weigerende observandus kunnen stoornissen worden vastgesteld. Een stoornis kan bijvoorbeeld blijken uit eerdere diagnoses, delictpatronen uit het verleden en/of de manier waarop verdachte zich gedraagt in detentie en daarbuiten.

De rechtbank heeft ter zitting eenzelfde beeld van verdachte gekregen als uit de hiervoor besproken rapportages naar voren komt. Verdachte ontkent de feiten, toont geen openheid en geeft vaak als antwoord dat hij zich dingen niet kan herinneren. Opvallend hierin is dat verdachte desgevraagd ter zitting verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat in 2010 een parafiele stoornis (NAO) in combinatie met trekken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis bij hem is gediagnosticeerd. Hij heeft een behandeling bij De Waag gevolgd, maar heeft desgevraagd niet kunnen vertellen wat deze behandeling heeft opgeleverd. Niet gebleken is dat verdachte zich nadien hiervoor nog heeft laten behandelen. De rechtbank is van oordeel, beredeneerd vanuit die diagnose in 2010 en het hoog-gemiddelde risico op recidive dat toen is vastgesteld, dat er voldoende gronden zijn om vast te stellen dat bij verdachte ook ten tijde van het plegen van de feiten in 2019 sprake was van een parafiele stoornis. De stoornis is destijds vastgesteld door een klinisch psycholoog, werkzaam bij De Waag, zijnde een instelling met onder andere expertise op het gebied van seksueel overschrijdend gedrag. Uitgangspunt is dat een stoornis niet zomaar door enkel tijdsverloop overgaat. In de DSM-5 wordt parafilie omschreven als ‘een intense en aanhoudende seksuele interesse die afwijkt van de seksuele belangstelling voor genitale stimulatie of het voorspel van fenotypische normale, lichamelijk volgroeide en instemmende menselijke partners.' In het algemeen kan gesteld worden dat een adequate, voltooide en geslaagde behandeling eraan kan bijdragen dat met een stoornis kan worden omgegaan zonder dat de betrokkene zelf of anderen daarvan schade ondervinden. Bij verdachte is geen sprake geweest van een adequate, voltooide en geslaagde behandeling. De enige behandeling die verdachte heeft gevolgd heeft niet het beoogde effect gehad. Allereerst blijkt dit uit het feit dat verdachte zich naar eigen zeggen niets kan herinneren van de behandeling, die in totaliteit drie jaren heeft geduurd. Verder wordt het uitgebleven effect bevestigd door het feit dat verdachte zich in 2019 schuldig heeft gemaakt aan eenzelfde soort feit als waarvoor hij in 2010 is veroordeeld, wederom gericht op een minderjarig slachtoffer, en zijn strafbare gedrag bovendien in ernst is toegenomen, nu ook een hands-on delict, de verkrachting, bewezen is verklaard.

De rechtbank stelt, gelet op de hiervoor aangehaalde bevindingen en conclusies van de deskundigen, het huidige strafdossier en hetgeen zij zelf ter zitting over verdachte heeft waargenomen in combinatie met de aard van het bewezenverklaarde feit, vast dat bij verdachte ten tijde van het plegen van de delicten een geestelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond, waaronder de in 2010 vastgestelde parafiele stoornis.

- Gevaarscriterium

De rechtbank is van oordeel dat zonder adequate behandeling een reële kans op herhaling aanwezig is, waarbij gevaar voor de veiligheid van anderen bestaat. Het gevaar voor recidive wordt allereerst onderstreept door het strafblad van verdachte dat niet langer enkel bestaat uit de veroordeling voor zeven zedenfeiten uit 2010, maar nu ook uit onderhavige veroordeling voor twee zedenfeiten waarvan (voor het eerst) een ernstig hands-on feit, namelijk een verkrachting. Daarnaast betrekt de rechtbank in dit oordeel dat dat de telefoon van verdachte na zijn aanhouding in 2024 in beslag is genomen. Uit digitaal onderzoek is gebleken dat op 24 april 2024 met het telefoonnummer van verdachte binnen een tijdsbestek van een half uur is gebeld naar in ieder geval vijf minderjarige meisjes (13 – 15 jaar). En in hetzelfde tijdsbestek is naar een jonge meerderjarige vrouw (20 jaar) gebeld en zijn seksuele uitlatingen gedaan. Conform zijn eigen uitspraak in 2010 stopt verdachte kennelijk niet met strafbaar handelen tenzij hij gepakt wordt. Verdachte zegt dat hij hetgeen in 2010 is gebeurd achter zich heeft gelaten, maar het dubbelleven waar psycholoog Van Schooten in 2012 over spreekt, blijkt nog altijd aanwezig te zijn. Tot slot betrekt de rechtbank de hiervoor besproken in de rapporten opgenomen risico’s op recidive in haar oordeel.

- Conclusie: Tbs dwangverpleging

De rechtbank acht het onverantwoord om verdachte na een op te leggen straf onbehandeld terug te laten keren in de samenleving, gelet op de ernst en de aard van het bewezenverklaarde en vanwege wat is gebleken over de persoon van verdachte. De gegevens die over verdachte bekend zijn laten over het huidig en toekomstig functioneren een zorgelijk beeld zien. Om het risico op zedenrecidive tot maatschappelijk verantwoorde proporties terug te dringen, is het noodzakelijk dat verdachte langdurig klinisch wordt behandeld. De vervolgvraag is in welk kader deze behandeling moet plaatsvinden. Van de eerdere behandeling kan verdachte zich niets herinneren en de rechtbank ziet daarom geen heil in behandeling in een vergelijkbaar kader. De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van bijzondere voorwaarden is uitgesloten omdat verdachte dan een keuze zou kunnen maken zijn straf uit te zitten en onbehandeld terug te keren in de maatschappij. In zowel het Pro Justitia rapport als in het reclasseringsrapport leest de rechtbank de onmogelijkheid om verdachte (adequaat) te behandelen als deze behandeling plaatsvindt in een voorwaardelijk kader. Verdachte toont geen zelfinzicht, wil niet meewerken aan een behandeling en handelt bovendien heimelijk waardoor toezicht niet uitvoerbaar is. Hiermee is voor de rechtbank oplegging van tbs met voorwaarden eveneens uitgesloten. Naar het oordeel van de rechtbank is de maatregel van tbs met dwangverpleging het enige kader waarbij verdachte zich niet kan onttrekken aan behandeling. De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, vereist dan ook dat de behandeling zal plaatsvinden in een forensische psychiatrische setting op grond van een maatregel van tbs met dwangverpleging. Aan alle wettelijke eisen als genoemd in de artikelen 37a en 37b, eerste lid, Sr is voldaan.

Nu de maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, is de tbs-maatregel niet gemaximeerd.

De op te leggen straf

De rechtbank is van oordeel dat niet enkel met het opleggen van de tbs-maatregel kan worden volstaan, maar dat daarnaast een straf moet worden opgelegd. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt voor een verkrachting met geweld of met een daarmee vergelijkbare mate van dwang, een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden als uitgangspunt van denken genoemd. Rekening houdend met de eveneens bewezenverklaarde ontucht en het verkeersfeit en met wat eerder is overwogen over de aard en ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte moet worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

- Een maatregel ex artikel 38z Sr (GVM)

Gelet op de conclusies van de deskundigen en het advies van de reclassering acht de rechtbank het van belang dat wordt voorkomen dat na het aflopen van de tbs-maatregel het toezicht op verdachte eindigt, terwijl hier mogelijk nog wel noodzaak toe bestaat. De rechtbank zal daarom overgaan tot oplegging van een maatregel op grond van artikel 38z Sr, die strekt tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking. De rechtbank acht de oplegging van deze maatregel noodzakelijk ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. Aan alle wettelijke vereisten voor oplegging van deze maatregel is voldaan.

- Een maatregel ex artikel 38v Sr

Daarnaast acht de rechtbank oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer], noodzakelijk zodat verdachte op geen enkele wijze, direct of indirect, met haar contact zal opnemen, zoeken of hebben. [slachtoffer] heeft om dit contactverbod verzocht en de raadsman van verdachte heeft geen bezwaar gemaakt. De noodzaak voor oplegging van dit contactverbod blijkt uit het feit dat verdachte jaren na de gepleegde feiten uit het niets opnieuw contact zocht met [slachtoffer]. De rechtbank zal dit contactverbod opleggen voor de duur van 5 jaren en beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, waarbij de totale duur van de vervangende hechtenis zes maanden kan bedragen.

De rechtbank ziet geen noodzaak tot het opleggen van een locatieverbod en zal hiertoe niet overgaan.

- Ontzegging van de rijbevoegdheid

De rechtbank acht het – gelet op de hiervoor bepaalde afdoening in deze zaak – niet opportuun om aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen en zal hiertoe niet overgaan.

- Voorlopige hechtenis

De rechtbank zal vanwege het hiervoor overwogene – in het bijzonder ten aanzien van de ernst van het feit, de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf en de oplegging van een tbs-maatregel – het door de raadsman gedane verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afwijzen. Hieruit blijkt immers dat er sprake is van ernstige bezwaren en dat de grote recidivegrond onverkort aanwezig is. Er is gelet op de opgelegde straf en maatregel evenmin sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 67a, lid 3, Sv.

7. De schade van benadeelden

De vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 17.063,90, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- reparatiekosten auto € 1.658,90

- zorgkosten eigen risico 2024 € 385,00

- verloren kleding € 20,00

Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 15.000,00 gevorderd.

[benadeelde]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 1.658,90 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde schade bestaat uit de schadepost reparatiekosten auto.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde bedragen kunnen worden toegewezen met toepassing van de wettelijke rente, met dien verstande dat de schadepost reparatiekosten auto bij een van de twee benadeelde partijen kan worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich vanwege de bepleite vrijspraak primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de vorderingen.

Subsidiair heeft hij ten aanzien van de vordering van [slachtoffer] verzocht om de immateriële schade te matigen. De schadepost reparatiekosten auto moet niet-ontvankelijk worden verklaard omdat de schade niet door [slachtoffer] is geleden. De schadeposten verloren kleding en eigen risico 2024 kunnen worden toegewezen.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde] heeft de raadsman subsidiair verzocht om de materiële schade vast te stellen op de restwaarde van auto van € 500,00 en daarnaast rekening te houden met een eigen aandeel in de schade van de benadeelde.

Het oordeel van de rechtbank

[slachtoffer]

Materiële schade

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten verloren kleding en eigen risico 2024 zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 405,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Nu de auto niet op naam van [slachtoffer] staat, maar op naam van [benadeelde] en daarover anderszins niets is aangevoerd, is onvoldoende onderbouwd dat [slachtoffer] deze schade heeft geleden. De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer] in dat deel van de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren.

Immateriële schade

De rechtbank stelt vast dat de aard en de ernst van de normschending in dit geval met zich meebrengen dat de gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106, sub b, Burgerlijk Wetboek (BW) kan worden aangenomen. Daarbij is van belang dat uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer], de onderbouwing van de vordering en uit hetgeen ter terechtzitting namens haar is verklaard blijkt dat [slachtoffer] nog altijd last heeft van angsten, herbelevingen en paniekaanvallen waarvoor zij ook nu nog onder behandeling van een psycholoog staat. Verdachte heeft zich op meerdere momenten ongewenst in het leven van [slachtoffer] binnengedrongen en de feiten zijn gepleegd over een langere periode. De rechtbank acht het billijk, gelet op de aard en de ernst van de normschending, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en gelet op wat in vergelijkbare gevallen in andere zaken is toegewezen om het gevorderde bedrag van € 15.000,00 aan immateriële schadevergoeding toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

[benadeelde]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is door de verdediging gemotiveerd betwist. Door de raadsman is het verweer gevoerd dat de restwaarde van de auto niet meer van € 500,00 bedraagt en dit dus de geleden schade is. Door of namens de benadeelde partij is dit niet weersproken. De rechtbank zal daarom het gevorderde toewijzen tot een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. De rechtbank wijst de vordering voor het overige af.

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.

Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 102 dagen (ten aanzien van de schadevergoeding aan [slachtoffer]) en 5 dagen (ten aanzien van de schadevergoeding aan [benadeelde]) gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 38w en 57 Sr.

9. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 08-300662-24 feit 1 primair, feit 2 primair en 05-069185-24 primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

parketnummer 08-300662-24

feit 1 primair

het misdrijf: feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

feit 2 primair

het misdrijf: verkrachting;

parketnummer 05-069185-24

het misdrijf: overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

- gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;

- legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr;

- legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid als

bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van 5 jaren;

- beveelt dat de verdachte gedurende 5 jaren op geen enkele wijze – direct of

indirect – contact op zal nemen, zoeken of hebben met [slachtoffer], geboren op [datum] 2005;

- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door 2 weken hechtenis en bepaalt daarbij dat de maximale hechtenis zes maanden bedraagt;

- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;

Schadevergoeding [slachtoffer]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 15.405,00 bestaande uit € 405,00 materiële schade en € 15.000,00 immateriële schade. Voormeld bedrag is te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2019;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 15.405,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2019 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 102 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

Schadevergoeding [benadeelde]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 500,00 bestaande uit materiële schade. Voormeld bedrag is te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 december 2023;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 december 2023 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 5 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- wijst de vordering voor het overige af;

voorlopige hechtenis

- wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en

mr. H.H. de Boef, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A.B. Kroeze, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2023257599 (parketnummer 08-300662-24) en nummer PL0600-2023557031 (parketnummer 05-069185-24). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Parketnummer 08-300662-24

t.a.v feit 1 primair en feit 2 primair

1. het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 maart 2025, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte:

Het klopt dat de gebruikersnaam van mijn Instagram account [accountnaam] (de rechtbank begrijpt: [accountnaam] met weergavenaam [accountnaam]) is. U houdt mij voor dat ik meer sturend dan meegaand lijk in het gesprek door bijvoorbeeld chats te sturen als “Weet je nog wat je er allemaal voor me in je hebt gestopt? ” en “noem de twee geilste dingen”. Het klopt dat ik dit gevraagd heb. Ik stuurde chats over een borstel en deodorant.

2. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 16 januari 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 19-23):

V: Tegen wie wil je aangifte doen?

A: zijn naam is [verdachte]

V: Wanneer heeft de verkrachting plaatsgevonden?

A: Dat was in 2019 of 2020. Ik was 14 jaar en ben nu 18 jaar.

V: Waar heeft dit plaatsgevonden?

A: Bij de voetbalclub [club]

V: Op welke wijze is de verkrachting gebeurd, vertel je verhaal.

A: Dat begon op Instagram. Hij ging mij steeds meer uitdagen wat uiteindelijk uitliep op naaktfoto’s en naaktvideo’s aan mij vragen. Hij ging doorvragen en ik moest dingen voor hem doen. En hij belde mij als ik naakt was. Ik moest altijd mijn video aanzetten. De dingen die hij mij liet doen waren onder andere: Mijzelf vingeren in beeld, bananen halen van de winkel, waarmee ik mijzelf ook moest bevredigen. Grote frisdrankflessen vanaf de dop in mijn poes steken en daarmee mijzelf bevredigen. Mijn eigen ondergoed in mijzelf stoppen. IJsblokjes in mijn poes stoppen. Met mijn haarborstel mijzelf bevredigen. Ik heb meerdere malen geprobeerd om ermee te stoppen, maar dat lukte niet. Als ik dat deed was het van: "Als je stopt dat stuur ik alle foto's en video's naar je ouders." Ik durfde ook niet te stoppen en was bang voor de consequenties. Hij gaf aan dat hij met mij wilde afspreken. Dat was niet wat ik wilde, maar als ik dat niet zou doen dan zou hij alles naar mijn ouders sturen. Toen heeft hij met mij afgesproken bij voetbalclub [club] in [plaats 1]. Het was in ieder geval warm genoeg om een jurkje te dragen die ik ook droeg. Ik ben zelf in augustus jarig, dus volgens mij was de afspraak in augustus of september. Ik was 14 jaar. Toen ik wegging uit huis belde hij mij eerst. Ik moest eerst bewijzen dat ik geen ondergoed aanhad door mij jurkje omhoog te trekken. Dat deed ik ook terwijl ik hem aan de telefoon had via beeldbellen.

Hij duwde mij op mijn knieën naar beneden. Hij haalde zijn lul uit zijn broek en ik moest hem pijpen. Als ik dat niet deed kreeg ik een klap op mijn hoofd, omdat hij niet tevreden was. Hij zei: "Je bent toch een sletje, doe wat ik je heb geleerd."

V: En toen?

A: Nadat ik hem nat genoeg had gemaakt tilde hij mij aan mijn kin omhoog. Hij draaide mij om tegen de boom. Hij trok mijn jurk omhoog en hij stopte zijn lul in mijn poes.

Dat is een aantal minuten doorgegaan dat hij mij neukte. Ik werd daarbij ook aan mijn haren getrokken en mijn handen werden vastgehouden. Hij is in mij klaargekomen.

V: Hoe ging dat met die klap op het hoofd?

A: Ik zat op mijn knieën en hij zei dat ik mijn mond moest opendoen. Dat deed ik eerst niet en toen kreeg ik met de vlakke hand een harde klap op mijn wang.

V: Je zei dat je hij zei: "Je bent toch een sletje, doe wat ik je heb geleerd." Wat bedoelde hij hiermee?

A: Alle dingen die ik moest halen in de winkel zoals met die haarborstel en de bananen moest ik van hem ook leren pijpen en aan hem voordoen hoe ik dat deed.

V: Hoe lang hadden jullie contact voordat je met elkaar afgesproken had?

A: Ik denk vier of vijf maanden.

V: Je vertelde in het informatieve gesprek dat je je verzet hebt en hebt aangegeven dat je dit niet wilde. Hoe heb je dat precies gedaan?

A: Ik heb geprobeerd om mijzelf weg te duwen van hem. Via de telefoon heb ik ook aangegeven dat ik niet met hem wilde afspreken en dat ik ook niet door wilde gaan met het sturen van foto's en video's naar hem. Ik zei dat ik het genoeg vond en dat ik er klaar mee was.

V: Hoe ging dat wegduwen?

A: Hij haalde mij omhoog bij mijn kin. Hij draaide mij om en toen heb ik hem geprobeerd weg te duwen, van mij af, maar hij pakte toen mijn beide handen. Hij heeft toen mijn beide handen om mijn rug vastgepakt. Ik kreeg deze niet meer los.

V: Heb je nog iets aangegeven met betrekking tot de seksuele handelingen, dat je dat niet wilde?

A: Ja, ik had van tevoren aangegeven dat ik dat niet wilde. Maar toen kwam hij er weer mee dat als ik dat niet wilde hij foto's en video's naar mijn ouders zou sturen. Dat ik dus gewoon moest doen wat hij zei.

3. Het proces-verbaal van bevindingen van 20 februari 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 45-84):

In de gesprekken is te zien dat Dominique [slachtoffer] contact heeft met een persoon die zich [accountnaam] noemt. En tevens staat er als gebruikersnaam onder: [accountnaam].

[Afbeelding]

[Afbeelding]

[Afbeelding]

[Afbeelding]

[Afbeelding]

[Afbeelding]

[Afbeelding]

[Afbeelding]

[Afbeelding]

[Afbeelding]

[Afbeelding]

[Afbeelding]

[Afbeelding]

[Afbeelding]

Parketnummer 05-069185-24

1. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 3 december 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 45, 48):

A: Ik denk dat ik 110 km/uur reed op een 80 weg totdat ik uiteindelijk bij een N-weg uitkwam. Ik besloot de N-weg op te rijden. Ik kwam bij stoplichten. Ik zag dat het oranje en rood werd en ik reed hier doorheen.

V: Waarom was jij aan het slingeren?

A: Om te zorgen dat ze mij niet gingen inhalen.

2. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 2 december 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 5-6):

Plaats delict: Europaweg, Lievelde

Plaatdatum: 2 december 2023

Op 2 december 2023 reed ik met mijn moeder en mijn oom achter hem (de rechtbank begrijpt: verdachte) aan richting Eibergen. Hij reed ontzettend snel en wij moesten echt wel 100 km/uur rijden om een beetje in de buurt de komen. We kwamen uit op de oude N18 (de rechtbank begrijpt: de Europaweg) tussen Haaksbergen en Eibergen. Hij botste tegen ons aan en drukte ons de berm in. Hij reed iets verder dan wij reden op de linker weghelft. Ik zag dat de auto dichterbij kwam en ons afsneed.

3. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 2 december 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 10):

We hebben een achtervolging gehad. We reden grotendeels tussen de 80 en 100 km/uur. De dader begon ontzettend te slingeren. Hij rijdt rakelings langs mijn deur heen. Hij benutte het hele wegdek zodat wij niet meer voor hem konden rijden. Wij probeerden hem links in te halen maar dit weigerde hij door zijn auto er weer voor te gooien. Wij hebben geprobeerd hem rechts in te halen. Hierop heeft hij zijn auto tegen die van ons gegooid. Het kwam op mij over dat het zijn intentie was om ons van de weg af te drukken.

4. Het proces-verbaal van bevindingen van 2 december 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 16)

Wij, verbalisanten, liepen naar het voertuig van de verdachte. Wij zagen aan de bijrijderskant schade aan het voertuig over de gehele lengte van het voertuig.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?