RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11871141 \ CV EXPL 25-2693
Vonnis in kort geding van 23 maart 2026
in de zaak van
STICHTING WOONBEDRIJF IEDER1,
te Deventer,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Woonbedrijf Ieder1,
gemachtigde: mr. R.F.A. Rorink,
tegen
[partij A] ,
te [woonplaats],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A],
gemachtigde was mr. M. Raaijmakers maar zij heeft zich onttrokken, waarna [partij A] zonder gemachtigde verder heeft geprocedeerd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met de producties 1-21- de conclusie van antwoord en tevens eis in reconventie met de producties 1-8- de akte nadere stukken van [partij A] met de producties 9-14- de mondelinge behandeling van 3 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van Woonbedrijf Ieder1- de pleitnota van [partij A]
- de brief van 16 december 2025 van Woonbedrijf Ieder1 met de producties 22 en 23
- de akte wijziging van eis in conventie - de voortzetting van de mondelinge behandeling op 18 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- twee uiteenlopende versies van een pleitnota van [partij A], waarvan één met aangehechte producties
- de pleitnota van Woonbedrijf Ieder1
- het proces-verbaal met een afschrift van de regeling die partijen tijdens de voortgezette mondelinge behandeling hebben getroffen
- een groot aantal berichten en screenshots die de rechtbank tussen 15 januari 2025 en 30 januari 2025 van [partij A] heeft ontvangen
- de akte uitlating teven overlegging producties (24-30) van Woonbedrijf Ieder1
- de berichten en bijlagen die de rechtbank op 17 februari 2026 van [partij A] heeft ontvangen.
2. De feiten
Woonbedrijf Ieder1 verhuurt sinds 2000 aan [partij A] de woning aan het adres [adres 1] (hierna: het gehuurde). In 2023 heeft Woonbedrijf Ieder1 het gehuurde, net als meerdere woning in dezelfde straat, laten verduurzamen. Daarbij is onder andere purschuim aangebracht in de kruipruimte, tegen de onderkant van de vloer op de begane grond.
Op 28 oktober 2024 heeft [partij A] aan Woonbedrijf Ieder1 gemeld dat zij een sterke chemische lucht rook die vanuit de kruipruimte kwam.
Woonbedrijf Ieder1 heeft hierop contact opgenomen met [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]), die als aannemer betrokken was bij de verduurzaming. [bedrijf 1] heeft Isocoat een bezoek laten brengen aan het gehuurde. Naar aanleiding van dit bezoek heeft [naam 1], werkzaam bij [bedrijf 1], op 6 november 2024 per e-mail het volgende aan Woonbedrijf Ieder1 teruggekoppeld:
“Isocoat is vandaag bij [adres 1] geweest voor inspectie.
Het heeft alles onder de vloer nagekeken en heeft het volgende geconstateerd:
• De onderzijde van de vloer, het isolatiemateriaal, is droog. Hij heeft een stukje hiervan laten zien aan de bewoonster.
• De kruipruimte is ook droog;
Daarbij dient het volgende vermeld te worden:
• Het was 14 graden in huis en erg vochtig in de woning. Dus van een gezond leefklimaat was hier geen sprake;
De conclusie is eigenlijk dat het niet aan de vloerisolatie kan liggen.”
Op 25 november 2024 heeft [partij A] zich bij de huisarts gemeld met klachten aan haar luchtwegen en pijn op haar borst, waarbij zij heeft aangegeven dat dit wordt veroorzaakt door een hoge luchtvochtigheid en schimmel in haar woning. In 2025 is zij meermaals met deze klachten bij de huisarts geweest. De huisarts heeft haar doorverwezen naar een longarts. Ook is zij gezien door een dermatoloog.
Op 6 maart 2025 bezocht [partij A] het kantoor van Woonbedrijf Ieder1 om te melden dat zij een inspectie in het gehuurde had laten uitvoeren en dat daarbij een zwam is gevonden.
Op 10 maart 2025 heeft [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2]) een bezoek gebracht aan het gehuurde. Daarbij trof zij een zwam in de kruipruimte aan. Woonbedrijf Ieder1 heeft [bedrijf 2] de opdracht gegeven om de zwam zo snel mogelijk te verwijderen. Op 13 maart 2025 heeft Woonbedrijf Ieder1 telefonisch contact gehad met [partij A] over het verwijderen van de zwam, waarbij zij [partij A] tijdelijk een logeerwoning aan de [adres 2] (hierna: de logeerwoning) heeft aangeboden, totdat de zwam verwijderd is. [partij A] heeft de volgende dag aan Woonbedrijf Ieder1 laten weten dat zij hiervan geen gebruik maakt en dat Woonbedrijf Ieder1 van haar advocaat zou horen.
[bedrijf 2] heeft voor de bestrijding van de zwam [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3]) ingeschakeld. [bedrijf 3] heeft op 19 maart 2025 het volgende aan [bedrijf 2] teruggekoppeld:
“Helaas is het niet gelukt om een afspraak te maken voor deze opdracht.
De bewoonster geeft aan dat ze niet wil laten behandelen zolang dat de PUR isolatie niet is verwijderd.
Ze geeft aan dat de zwam tussen de PUR en haar vloerbedekking zit, en ze twijfelt over de uitvoerbaarheid.
Svp medewerking verkrijgen van bewoonster, zodat we kunnen behandelen.”
[bedrijf 2] heeft dit doorgegeven aan Woonbedrijf Ieder1.
Op 17 april 2025 heeft een dochter van [partij A] contact opgenomen met Woonbedrijf Ieder1 en gevraagd naar de stand van zaken van de werkzaamheden en of [partij A] nog op het adres van het gehuurde staat ingeschreven. [partij A] verbleef op dat moment bij deze dochter.
Op 9 mei 2025 heeft [partij A] het kantoor van Woonbedrijf Ieder1 bezocht, waarbij zij haar dossier heeft opgevraagd. Op 12 mei 2025 heeft Woonbedrijf Ieder1 per e-mail een kopie van de huurovereenkomst aan [partij A] gestuurd. Diezelfde dag heeft [partij A] per e-mail verzocht om inzage in haar dossier met betrekking tot haar contactgegevens, waarbij zij heeft aangegeven dat zij de gegevens wil ontvangen vanaf augustus 2024 tot het laatste contactmoment.
Op 13 mei 2025 heeft [partij A] opnieuw het kantoor van Woonbedrijf Ieder1 bezocht, waarbij partijen een aantal afspraken hebben gemaakt. Die afspraken heeft Woonbedrijf Ieder1 op 14 mei 2025 per e-mail aan [partij A] bevestigd. Hierin staat onder meer dat partijen hebben afgesproken dat [partij A] van 13 mei 2024 tot 2 juni 2025 in de logeerwoning verblijft, dat Woonbedrijf Ieder1 een gasmeting gaat doen in het gehuurde en dat Woonbedrijf Ieder1 de zwam in de kruipruimte gaat bestrijden. Partijen hebben voor het gebruik van de logeerwoning een gebruiksovereenkomst getekend. Artikel 2 van de gebruiksovereenkomst gaat over de gebruikstermijn. Hierin staat:
“2.1 De overeenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd, te weten 13-05-2025 en eindigt op 02-06-2025.
Na beëindiging van deze termijn eindigt deze overeenkomst van rechtswege, tenzij partijen schriftelijk
verlenging overeenkomen.
Gebruiker dient de logeerwoning voor beëindiging van deze overeenkomst op te
leveren op een manier zoals hierna aangegeven. Doet gebruiker dit niet dan moet zij een
boete betalen van €100,- per dag tot het moment waarop de tijdelijke woning correct is
opgeleverd.”
Op 16 mei 2025 heeft [bedrijf 2] aan Woonbedrijf Ieder1 bericht dat het door haar ingeschakelde onderzoeksbureau niet gelukt is om een afspraak met [partij A] in te plannen.
Op 3 juni 2025 heeft [partij A] het kantoor van Woonbedrijf Ieder1 bezocht. Diezelfde dag heeft zij per e-mail aan Woonbedrijf Ieder1 kenbaar gemaakt dat zij het niet eens is met de gang van zaken. Zij schrijft dat de oorspronkelijke afspraak was dat er een bouwkundig specialist op het gebied van isolatie en pur zou worden ingeschakeld en dat in plaats daarvan, zonder overleg, de brandweer is ingeschakeld voor een luchtmeting. Zij schrijft verder onder meer:
“(…) Wij maken ons ernstige zorgen over de gezondheidssituatie in de woning. Het PUR-schuim is inmiddels verkleurd en vochtig geworden, wat kan wijzen op een verhoogde emissie van schadelijke stoffen. Het risico op blijvende gezondheidsschade achten wij op basis van informatie en professioneel advies (o.a. van toxicologen en bouwkundigen) als reëel.(…)”
In de e-mail verzoekt [partij A] Woonbedrijf Ieder1 dringend om het gebruik van de logeerwoning te verlengen, om een onafhankelijke, bouwkundige inspectie ten aanzien van de pur-isolatie te laten uitvoeren en om de communicatie voortaan uitsluitend schriftelijk te voeren.
Woonbedrijf Ieder1 heeft hierop per brief van 5 juni 2025 gereageerd, waarbij zij heeft gerefereerd aan de afspraken die zij in de e-mail van 14 mei 2025 aan [partij A] had bevestigd. Woonbedrijf Ieder1 heeft [partij A] erop gewezen dat zij als huurder verplicht is om mee te werken aan de gasmeting en de werkzaamheden ter bestrijding van de zwam. Zij heeft [partij A] gesommeerd om uiterlijk 6 juni 2025 aan [bedrijf 2] te bevestigen dat deze op 10 juni 2025 werkzaamheden in het gehuurde kan uitvoeren. Verder heeft zij laten weten dat [partij A] tot 20 juni 2025 in de woning mag verblijven, onder de voorwaarde dat zij medewerking verleent aan de werkzaamheden die in het gehuurde verricht moeten worden.
Op 10 juni 2025 heeft een gasmeting in het gehuurde plaatsgevonden. Daarvoor had [bedrijf 2] [naam 2] (hierna: [naam 2]) ingeschakeld. Volgens zijn rapport heeft
[naam 2] zes reguliere metingen uitgevoerd waarbij is gemeten op zuurstof, koolmonoxide, kooldioxide, explosiegevaar, waterstofsulfide, vluchtige organische componenten en fosfine. Ook is er specifiek gemeten op isocynaten. Isocynaat is, zo schrijft [naam 2] in zijn rapport, een vloeibare component van pur spuitisolatie. Tijdens de metingen zijn de stoffen dodecamethylcyclohexasiloxane (D6) en octamethylcyclotetrasiloxane (D4) aangetroffen, die onder andere voorkomen in cosmetica en industriële siliconentoepassingen. [naam 2] concludeert in zijn rapport dat stoffen, al dan niet in lage concentraties, zijn waargenomen waar men overgevoelig voor kan raken en dat de woning op basis van de gemeten waarden veilig te bewonen is.
Per brief van 16 juni 2025 heeft Woonbedrijf Ieder1 de bevindingen van [naam 2] met [partij A] gedeeld en haar laten weten dat het gehuurde veilig te bewonen is. Zij heeft [partij A] verzocht om op uiterlijk 19 juni 2025 de sleutel van de logeerwoning in te leveren en om voor 2 juni 2025 een afspraak te maken met [bedrijf 2] voor het verwijderen van de zwam. Omdat [partij A] geen gehoor gaf aan deze verzoeken, is Woonbedrijf Ieder1 deze procedure gestart.
De eerste zitting in deze procedure heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2025. Voorafgaand aan deze zitting heeft [partij A] een e-mail van 25 april 2025 overgelegd, afkomstig van [naam 3] , een medewerker van [bedrijf 4]. [naam 3] schrijft hierin dat hij de kruipruimte, die met purschuim is geïsoleerd, heeft geïnspecteerd en daarbij het volgende heeft geconstateerd:
“• De isolatie toont open naden bij de aansluiting aan de fundering en betonnen vloer. Gevolg is
optrekkend vocht.
• Algemene ventilatie van de kruipruimte is door PUR-isolatie geblokkeerd
• Vrijkomende gassen leiden bij u tot gezondheidsproblemen. Dit manifesteert zich in heel de woning.
• Door deze omstandigheden is het onmogelijk in het huis te wonen.
• De bodemafdekking is niet correct geïnstalleerd. Niet over de gehele ruimte strak opgespannen tegen de fundering waardoor condensatie toeneemt.
• De kruipruimte is kletsnat.
• Schimmelvorming aan de PUR-isolatie
• Schimmelvorming in de gehele kruipruimte.
• Schimmelvorming in het woongedeelte als gevolg van optrekkend vocht.”
Als plan van aanpak heeft hij genoteerd:
“ 1. Identificeren van alle vormen van schimmels en deze, indien mogelijk, met natuurlijke middelen te
laten verwijderen. Een gespecialiseerde onderneming is hiervoor raadzaam
2. Het verwijderen van de PUR-isolatie. Op dit gebied hebben wij, zoals gezegd, geen ervaring. U vertelde mij dat u hiervoor hopelijk een goed contact heeft gevonden.”
De zitting van 3 oktober 2026 is voortijdig geëindigd in verband met spontaan opgetreden gezondheidsklachten van [partij A]. In de periode na deze zitting hebben partijen geprobeerd om onderling tot een oplossing te komen.
Op 11 december 2025 heeft [partij A] een onderzoek in de kruipruimte van het gehuurde laten uitvoeren door MBT Installatietechniek (hierna: MBT). In de factuur van MBT staan haar bevindingen en conclusies. MTB concludeert dat:
“• de PUR-isolatie niet volgens professionele normen is aangebracht;
gesloten-cellige PUR onjuist is toegepast in een vochtbelaste kruipruimte;
• vocht en lekkage zijn opgesloten onder het isolatiemateriaal;
• de huidige situatie kan leiden tot verdere constructieve schade en gezondheidsklachten;
• adequate lekkage-opsporing onmogelijk is zolang het PUR aanwezig blijft.”
MBT adviseert onder meer de volledige verwijdering van de aangebrachte pur-isolatie, opsporing en herstel van de lekkage, herstel en heropening van de kruimruimteventilatie en pas na volledige droging en herstel een nieuw isolatiesysteem toe te passen.
Omdat partijen er niet in zijn geslaagd onderling tot een oplossing te komen, heeft op 18 december 2026 een nieuwe zitting plaatsgevonden. Voorafgaand aan die zitting heeft [partij A] naast voornoemde factuur van MBT een bericht afkomstig van [naam 4] (hierna: [naam 4]) overgelegd waarin onder meer staat dat na het isoleren een te hoge concentratie waterstofsulfide is waargenomen en dat [naam 4] tijdens zijn inspectie van de kruipruimte acuut benauwd is geworden, ondanks het dragen van een mondmasker. Ook heeft [partij A] en afschrift overgelegd van een getuigenverklaring van [naam 5], werkzaam bij Van der Velden Rioleringsbeheer, van 18 november 2025. Hierin staat dat zijn metingen een HS-waarde van 16 ppm toonden (met pen staat achter 16 nog “,45” geschreven), wat - zo staat er - onveilig en gevaarlijk is voor bewoners. Er staat dat op basis van de gedane constateringen direct een zorgmelding bij Woonbedrijf Ieder1 is gedaan.
Tijdens de zitting van 18 december 2025 hebben partijen, voor zover van belang, de volgende regeling getroffen:
“1. Ieder1 zal een door haar aan te wijzen deskundige een onderzoek in de woning laten
uitvoeren. Het rapport van de deskundige zal zo mogelijk voor 1 februari 2026 aan de rechtbank
worden toegestuurd. De kosten van het onderzoek draagt Ieder1 zelf. (…)
2. [partij A] is eveneens in de gelegenheid een onderzoek te laten doen in de woning door de firma RPS. Indien zij daartoe besluit, zal het rapport eveneens voor 1 februari 2026 aan de rechtbank worden toegestuurd. De kosten van dit onderzoek draagt [partij A] zelf.
3. [partij A] zal aan Ieder1 en de door haar aangewezen deskundige toegang tot de woning verlenen om het onderzoek te verrichten. Tenminste 48 uren voordat het onderzoek zal plaatsvinden zal mr. Rorink aan [partij A] berichten op welke datum en tijdstip het onderzoek zal plaatsvinden.
4. Het kort geding wordt aangehouden tot een nader te bepalen datum.”
Naar aanleiding van voornoemde regeling heeft [partij A] geprobeerd om een afspraak met RPS te maken voor een onderzoek in het gehuurde. Die afspraak is niet tot stand gekomen.
Op 18 januari 2026 heeft de brandweer, na een melding van [partij A] over een mogelijke gaslucht, metingen gedaan in het gehuurde. Ook de Adviseur Gevaarlijke Stoffen (AGS) is die dag ter plaatse geweest en heeft metingen verricht, ook in de kruipruimte. Bij de metingen zijn geen afwijkende waarden gemeten.
Woonbedrijf Ieder1 heeft ASB Sanering B.V. (hierna: ASB) ingeschakeld voor een onderzoek naar de zwam in het gehuurde. Dat onderzoek heeft op 19 januari 2026 plaatsgevonden. In het rapport van dit onderzoek staat dat ASB tijden de inspectie zwam heeft aangetroffen op de funderingsmuur onder de keuken, dat zij pur heeft aangetroffen tegen de funderingsvloer onder de keuken, dat pur is aangetroffen tegen de onderkant van de vloer, dat daarachter geen inspectie mogelijk was en dat bodemfolie is aangetroffen op de bodem van de kruipruimtewaardoor waardoor beperkte inspectie mogelijk was. ASB heeft in het rapport een plan van aanpak opgenomen waarin staat dat de volgende werkzaamheden uitgevoerd moeten worden.
“Sloopwerkzaamheden:
Het verwijderen van de bodemfolie om zeker te zijn er geen hout onder meer aanwezig is
Indien nodig het verwijderen van de pur
De gehele kruipruimte opschonen van bouw en sloopafval
Bestrijdingswerkzaamheden:
Het verwijderen van zichtbare zwam
Het branden en borstelen van de zichtbare zwam en zwamdraden
Op de plaatsen waar de zwam de funderingsmuur ingaat pluggen plaatsen
De gehele kruipruimte behandelen met een schimmeldodend middel
De pluggen injecteren met en schimmeldodend middel.”
3. Het geschil
in conventie
Woonbedrijf Ieder1 vordert samengevat en na wijziging van eis - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
I. [partij A] te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de logeerwoning te ontruimen en ontruimd te houden;
II. [partij A] te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de uitvoering van alle benodigde werkzaamheden om de zwam in het gehuurde te bestrijden te gedogen en daaraan alle noodzakelijke medewerking te verlenen, waaronder de door Woonbedrijf Ieder1 met de uitvoering van de werkzaamheden belaste pers(o)on(en) toe te laten voor de uitvoering van de werkzaamheden en onbelemmerde toegang te verschaffen tot de plaatsen waar de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, met dien verstande dat de datum en het tijdstip waarop de werkzaamheden zullen worden uitgevoerd minimaal 24 uur van tevoren schriftelijk aan [partij A] worden meegedeeld;
III. [partij A] te veroordelen om, als zij naar de mening van Woonbedrijf Ieder1 niet of onvoldoende aan de veroordeling onder II. voldoet, het gehuurde tijdelijk, voor de duur van de werkzaamheden, ter beschikking aan Woonbedrijf Ieder1 te stellen, welk verlaten zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden;
IV. [partij A] te veroordelen om aan Woonbedrijf Ieder1 een bedrag te betalen van
€ 6.200,00, te vermeerderen met € 100,00 per dag, totdat [partij A] de logeerwoning aan Woonbedrijf Ieder1 heeft opgeleverd, dan wel totdat de logeerwoning is ontruimd, alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2025;
Subsidiair:
V. [partij A] te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de uitvoering van alle benodigde werkzaamheden om de zwam in het gehuurde te bestrijden te gedogen en daaraan alle noodzakelijke medewerking te verlenen, waaronder de door Woonbedrijf Ieder1 met de uitvoering van de werkzaamheden belaste pers(o)on(en) toe te laten voor de uitvoering van de werkzaamheden en onbelemmerde toegang te verschaffen tot de plaatsen waar de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd,
VI. [partij A] te veroordelen om te gedogen dat een deskundige een onderzoek uitvoert naar eventuele schadelijke effecten van pur in het gehuurde en om daaraan alle noodzakelijke medewerking te verlenen waaronder de door Woonbedrijf Ieder1 met de uitvoering van de werkzaamheden belaste pers(o)on(en) toe te laten voor de uitvoering van de werkzaamheden en onbelemmerde toegang te verschaffen tot de plaatsen waar de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd en eventuele gebreken aan het gehuurde waar het pur betreft te verhelpen;
VII. [partij A] te veroordelen om, wanneer Woonbedrijf Ieder1 van mening is dat [partij A] niet of onvoldoende aan de onder V. en IV. genoemde veroordelingen voldoet, het gehuurde te verlaten en te bepalen dat dit zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden;
VIII. [partij A] te veroordelen om, binnen twee weken na afronding van de onder V. en VI. bedoelde werkzaamheden het gehuurde weer feitelijk te zullen bewonen, tenzij wanneer [partij A] in deze periode de huurovereenkomst opzegt met inachtneming van een opzegtermijn van maximaal vier weken;
IX. [partij A] te veroordelen om, binnen twee weken na afronding van de onder V. en VI bedoelde werkzaamheden, de logeerwoning te ontruimen;
Primair en subsidiair:
X. [partij A] te veroordelen in de kosten van het geding.
Woonbedrijf Ieder1 heeft – kort weergegeven – aan haar vorderingen ten grondslag dat [partij A] zonder deugdelijke grond de logeerwoning weigert te verlaten, terwijl de gebruiksovereenkomst voor de logeerwoning is geëindigd. Volgens Woonbedrijf Ieder1 bestaan er geen objectieve belemmeringen voor [partij A] om terug te gaan naar het gehuurde. Daarnaast is [partij A] volgens Woonbedrijf Ieder1 gehouden om haar in de gelegenheid te stellen om dringende werkzaamheden aan het gehuurde uit te voeren, waaronder het verwijderen van de zwam in de kruipruimte. [partij A] weigert dat en schiet daarmee volgens Woonbedrijf Ieder1 tekort in de nakoming van haar huurdersverplichtingen.
Alleen voor zover de primaire vorderingen niet toewijsbaar zijn heeft Woonbedrijf Ieder1 de subsidiaire vorderingen ingediend. In dat verband heeft zij aangevoerd dat [partij A] Woonbedrijf Ieder1 geen toegang tot het gehuurde verleent voor het bestrijden van de zwam, terwijl zij wel vordert dat Woonbedrijf Ieder1 het purschuim in de kruipruimte verwijdert. Zolang niet vaststaat dat er schadelijke stoffen voortkomen uit het purschuim zal Woonbedrijf Ieder1 niet tot verwijdering ervan overgaan. Dat wil zij eerst nader onderzoeken, maar daaraan weigert [partij A] volgens Woonbedrijf Ieder1 mee te werken.
[partij A] voert verweer. [partij A] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van
Woonbedrijf Ieder1, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Woonbedrijf Ieder1, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Woonbedrijf Ieder1 in de kosten van deze procedure. Bij een eventuele veroordeling van [partij A] verzoekt zij om die veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
[partij A] betwist dat zij zonder geldige titel in de logeerwoning verblijft. Volgens haar zijn de gebreken aan het gehuurde nog niet verholpen en is het gehuurde volledig onbewoonbaar. Zij voert aan dat zij en haar dochter ernstige gezondheidsklachten in het gehuurde hebben opgelopen door het purschuim die in de kruipruimte is aangebracht. Zij heeft enerzijds naar voren gebracht dat het zonder een gedegen onderzoek naar de veiligheid in het gehuurde onverantwoord is dat zij met haar dochter moet terugkeren naar het gehuurde. Anderzijds heeft zij aangevoerd dat zij pas kan terugkeren als het aangebrachte purschuim verwijderd is.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
[partij A] heeft bij conclusie van antwoord en tevens eis in reconventie een aantal vorderingen ingediend. In een stuk van 16 december 2025 heeft [partij A], nadat de advocaat van [partij A] zich had onttrokken, onder het kopje “Definitieve eis van gedaagde” de hierna genoemde vorderingen opgenomen, waarmee de kantonrechter ervan uitgaat dat deze in de plaats zijn gekomen van de in voornoemde conclusie opgenomen vorderingen. Samengevat heeft [partij A] het volgende gevorderd. Als hoofdeis:
Woonbedrijf Ieder1 te veroordelen tot de volledige sanering en verwijdering van de ondeugdelijk aangebrachte pur-isolatie en het wegzuigen van de besmette bodem, slib en verontreiniging;
Woonbedrijf Ieder1 te gebieden om binnen 24 uur na dit vonnis een gespecialiseerd saneringsbedrijf in te schakelen om de volledige sanering aan te vangen;
En daarnaast dat :
3. [partij A] op het logeeradres blijft op kosten van Woonbedrijf Ieder1 totdat een onafhankelijke luchtmeting door een specialistisch bedrijf de woning volledig veilig heeft verklaard;
4. Woonbedrijf Ieder1 wordt veroordeeld tot het betalen van een dwangsom totdat de woning volledig en aantoonbaar is gesaneerd;
5. Woonbedrijf Ieder1 de volledige huur terugbetaalt over de gehele periode van onbewoonbaarheid (vanaf oktober 2024);
6. Woonbedrijf Ieder1 wordt veroordeeld tot vergoeding van de kosten voor de noodzakelijke tijdelijke huisvesting, in totaal € 41.600,00 per 18 december 2025, met een doorlopende vergoeding van € 100,00 per dag totdat de woning veilig is;
7. Woonbedrijf Ieder1 wordt veroordeeld tot betaling van de dubbele energiekosten en alle andere bijkomende verblijfskosten;
8. Woonbedrijf Ieder1 wordt veroordeeld tot vergoeding van alle geleden schade, inclusief de vergoeding van medische en immateriële schade en de kosten van de volledige vervanging/sanering van de inboedel;
9. Woonbedrijf Ieder1 wordt veroordeeld in de volledige proceskosten.
In de pleitnota van de zitting van 18 december 2025 heeft [partij A] een aantal vorderingen genoteerd die dezelfde strekking hebben als hiervoor is vermeld, met als aanvulling dat RPS wordt aangewezen als de instantie die het gehuurde veilig moet verklaren. In een brief aan de rechtbank van 30 januari 2026 heeft [partij A] weer een aantal vorderingen geformuleerd met dezelfde strekking als de vorderingen die hierboven staan.
[partij A] legt aan de vorderingen ten grondslag dat het gehuurde door het aanbrengen van het purschuim in de kruipruimte onbewoonbaar is geworden. [partij A] stelt dat zij en haar dochter ernstige gezondheidsklachten in het gehuurde hebben opgelopen door het aangebrachte purschuim. Zij heeft enerzijds naar voren gebracht dat het zonder een gedegen onderzoek naar de veiligheid in het gehuurde onverantwoord is dat zij met haar dochter moet terugkeren naar het gehuurde. Anderzijds heeft zij aangevoerd dat zij pas kan terugkeren als het purshuim verwijderd is.
Woonbedrijf Ieder1 voert verweer. Woonbedrijf Ieder1 concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij A], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij A], met veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure.
Woonbedrijf Ieder1 voert in de eerste plaatst aan dat een deel van de vorderingen zich niet leent voor behandeling in kort geding. Ten aanzien van de vorderingen die zien op een langer verblijf in de logeerwoning heeft Woonbedrijf Ieder1 betwist dat het gehuurde onbewoonbaar is. Dat de saneringswerkzaamheden ten aan zien van de zwam nog niet hebben plaatsgevonden, is volgens Woonbedrijf Ieder1 enkel te wijten aan de tegenwerking door [partij A]. Ook heeft [partij A] er steeds aan in de weg gestaan dat er nader onderzoek heeft plaatsgevonden naar het purschuim. Volgens Woonbedrijf Ieder1 zijn er geen aanwijzingen dat het purschuim verwijderd zou moeten worden. Gasmetingen hebben volgens haar aangetoond dat het gehuurde veilig te bewonen is.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of Woonbedrijf Ieder1 ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
Ontruiming logeerwoning
De kantonrechter stelt voorop dat Woonbedrijf Ieder1 een spoedeisend belang heeft bij de vordering tot ontruiming van de logeerwoning, omdat zij weer over de logeerwoning wenst te beschikken. [partij A] houdt in de huidige situatie twee woningen ‘bezet’ wat ook vanwege de woningnood niet acceptabel is.
De kantonrechter stelt vast dat volgens de afspraken die partijen in mei en juni 2025 hebben gemaakt, [partij A] de logeerwoning uiterlijk 20 juni 2025 had moeten verlaten. Uit de door beide partijen getekende gebruiksovereenkomst en de e-mails van Woonbedrijf Ieder1 aan [partij A] van 14 mei 2025 en 5 juni 2025 maakt de kantonrechter namelijk op dat:
[partij A] van 13 mei 2025 tot en met 2 juni 2025 in logeerwoning mocht verblijven;
Woonbedrijf Ieder1 in die periode een gasmeting in het gehuurde zou laten uitvoeren;
de datum waarop [partij A] de logeerwoning moest verlaten is opgeschoven naar 20 juni 2025.
Voornoemde gasmeting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2025 door [naam 2]. Deze heeft geconcludeerd dat de woning op basis van de gemeten waarden veilig te bewonen is. Dat, zoals [partij A] heeft gesteld, een bouwkundig onderzoek naar het purschuim zou worden gedaan, volgt niet uit de afspraken die terug te lezen zijn in de gebruiksovereenkomst en voornoemde e-mails van 14 mei 2025 en 5 juni 2025.
Als reden voor het niet verlaten van de logeerwoning heeft [partij A] aangevoerd dat zij en haar dochter gezondheidsklachten in het gehuurde krijgen door het in het gehuurde aangebrachte purschuim. Volgens haar is het gehuurde door het verkeerd aangebrachte purschuim onbewoonbaar.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [partij A] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat haar gezondheidsklachten worden veroorzaakt door het in het gehuurde aangebrachte purschuim. Uit de medische gegevens die [partij A] heeft overgelegd kan de kantonrechter wel opmaken dat zij gezondheidsklachten ervaart en ook dat zij daarvoor door verschillende artsen is gezien. De kantonrechter leest in die medische gegevens echter geen duidelijke aanwijzingen dat de klachten worden veroorzaakt door gassen uit het purschuim. Zo staat in het verslag van de dermatoloog van het Amsterdam UMC dat hij geen allergie heeft kunnen vaststellen voor isocynaten. Daarbij staat weliswaar vermeld dat dit een toxische reactie niet uitsluit, maar dat is onvoldoende om aannemelijk te achten dat de gezondheidsklachten van [partij A] zijn toe te schrijven aan het purschuim.
[partij A] heeft rapporten en berichten overgelegd waarin geconcludeerd wordt dat het purschuim niet goed is aangebracht en dat dit leidt tot een ongezonde leefsituatie in het gehuurde. Het gaat om berichten van [bedrijf 4], MBT, [naam 4] en [naam 5]. Ten aanzien van het bericht van [naam 4] overweegt de kantonrechter dat hierin weliswaar wordt genoemd dat na het isoleren een hoge concentratie aan waterstofsulfide is waargenomen, maar dat niet vermeld is door wie en wanneer dat is waargenomen en hoe dat is gemeten. Voor de verklaring van [naam 5] ([naam 5]) van 18 november 2025 geldt, dat hij op 23 december 2025 nader heeft verklaard dat de verklaring van 18 november 2025 niet door hem is opgesteld en dat hij zich van het document waarin zijn verklaring is opgenomen, distantieert. Aan zijn verklaring van 18 november 2025 kan dus geen enkele waarde worden toegekend. Naar aanleiding van de berichten van [bedrijf 4] en MBT kunnen wel vraagtekens geplaatst worden bij de manier waarop het purschuim is aangebracht. Daarbij geldt wel dat Woonbedrijf Ieder1 niet bij de inspecties door [bedrijf 4] en MBT betrokken is geweest. Ook dateert het bericht van [bedrijf 4] al van 25 april 2025, dus nog van voordat [partij A] in de logeerwoning verbleef, en heeft zij het bericht pas in haar conclusie van antwoord met Woonbedrijf Ieder1 gedeeld. Niet aannemelijk is dat het mogelijk niet correct aangebrachte purschuim in verband staat met de gezondheidsklachten van [partij A], omdat het volgens haar gaat om gassen die uit het purschuim zouden vrijkomen.
Tijdens de gasmeting door [naam 2] van 10 juni 2025 zijn geen waarden gemeten die maken dat de woning niet veilig kan worden bewoond. In zijn rapportage staat dat ook gemeten is op de aanwezigheid van isocyanaten, gassen die vrij kunnen komen bij de toepassing van purschuim. Ook bij de metingen door de brandweer en de adviseur gevaarlijke stoffen op 18 januari 2026 zijn geen afwijkende waarden gemeten. Daar komt bij dat Woonbedrijf Ieder1 geen vergelijkbare klachten van bewoners van andere woningen in dezelfde straat heeft ontvangen, hoewel ook die woningen net als de woning van [partij A] door middel van purschuim zijn geïsoleerd. Dat het gehuurde niet veilig te bewonen is, staat daarmee allerminst vast. Uit de door Woonbedrijf Ieder1 overgelegde verklaring van [naam 1], werkzaam bij [bedrijf 1], van 6 november 2024 volgt dat het op die dag in de woning van [partij A] koud was (14 graden) en erg vochtig. Ook dat kan leiden tot gezondheidsklachten.
Daar komt bij dat Woonbedrijf Ieder1 meerdere keren heeft geprobeerd om onderzoek uit te voeren naar de situatie in de kruipruimte, maar dat [partij A] dat steeds heeft belet. Woonbedrijf Ieder1 heeft aangegeven dat zij naar aanleiding van de afspraken die partijen op de zitting van 18 december 2026 hebben gemaakt heeft geprobeerd om, tegelijk met het onderzoek naar de zwam in de kruipruimte, [bedrijf 2] onderzoek te laten doen naar het purschuim, maar dat [partij A] zowel de medewerker van [bedrijf 2] als de medewerker van Woonbedrijf Ieder1 de toegang tot het gehuurde heeft ontzegd. [partij A] heeft dit niet weersproken. Voor zover er een probleem is met het purschuim, verhindert [partij A] zelf dat het wordt onderzocht en opgelost. Daarbij geldt dat [partij A] als huurster niet aan Woonbedrijf Ieder1 kan voorschrijven welke partij het onderzoek moet uitvoeren en op welke wijze mogelijke problemen in het gehuurde opgelost moeten worden.
Tenslotte heeft Woonbedrijf Ieder1 tijdens de zitting van 18 december 2026 naar voren gebracht dat zij als mogelijke oplossing voor de ontstane situatie een andere woning aan [partij A] heeft aangeboden, maar dat [partij A] hierop afwijzend heeft gereageerd, omdat zij in het gehuurde wil blijven wonen. [partij A] heeft dit beaamd. Indien [partij A] gezondheidsklachten ervaart geldt dat, zolang niet is vastgesteld dat de woning gebrekkig is en dat dus ook andere bewoners van de woning vergelijkbare gezondheidsklachten zullen ervaren, er voor [partij A] redelijkerwijs geen andere uitweg is dan een andere huurwoning te accepteren. Het is niet goed te begrijpen dat [partij A] aanbiedingen daartoe niet heeft geaccepteerd.
Gelet op voornoemde omstandigheden oordeelt de kantonrechter, vooruitlopend op een eventuele bodemprocedure, dat [partij A] de logeerwoning nu moet ontruimen. Mede gelet op de grote vraag die er is naar sociale huurwoningen kan van Woonbedrijf Ieder1 niet gevergd worden dat zij [partij A] nog langer in de logeerwoning laat verblijven. De vordering tot ontruiming van de logeerwoning zal daarom worden toegewezen. Daarbij zal de ontruimingstermijn worden gesteld op twee weken na de dag van de betekening van dit vonnis.
Betaling boete
Woonbedrijf Ieder1 heeft naast de ontruiming van de logeerwoning betaling van een boete gevorderd van € 100,00 per dag vanaf 20 juni 2026 tot aan de dag van ontruiming. Deze vordering heeft Woonbedrijf Ieder1 gebaseerd op artikel 2.3 van de gebruiksovereenkomst.
Bij een geldvordering in kort geding moet de rechter terughoudend zijn. Om een geldvordering in kort geding toe te wijzen is nodig dat de vordering voldoende vaststaat. Ook moet er een grote mate van spoedeisendheid zijn waardoor een onmiddellijke voorziening moet worden getroffen. Tot slot moet rekening worden gehouden met het risico dat het geldbedrag niet meer wordt terugbetaald.
De kantonrechter is van oordeel dat de vordering tot betaling van de boete niet kan worden aangemerkt als een nauw verwante nevenvordering, zodat een afzonderlijk spoedeisend belang vereist is. Woonbedrijf Ieder1 heeft niet gesteld welk spoedeisend belang zij bij deze vordering heeft, maar heeft volstaan met een efficiencyargument. De voorzieningenrechter ziet niet in dat een eventuele bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De geldvordering zal daarom worden afgewezen.
Bestrijding zwam
Woonbedrijf Ieder1 heeft gevorderd dat [partij A] wordt veroordeeld om mee te werken aan de werkzaamheden ter bestrijding van de zwam in het gehuurde. De kantonrechter stelt vast dat Woonbedrijf Ieder1 een spoedeisend belang heeft bij deze vordering. Woonbedrijf Ieder1 heeft verder voldoende aannemelijk gemaakt dat de werkzaamheden niet zijn uitgevoerd, doordat [partij A] meermaals geweigerd heeft hieraan mee te werken. Op grond van artikel 7:220 BW is [partij A] gehouden om mee te werken aan dringende werkzaamheden in het gehuurde. De werkzaamheden ter bestrijding van de zwam zijn naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter aan te merken als dringende werkzaamheden. De vordering tot het meewerken aan die werkzaamheden zal daarom worden toegewezen.
Gelet op de weigerachtige houding bij eerdere pogingen van Woonbedrijf Ieder1 om tot onderzoek dan wel herstel over te gaan, zal de kantonrechter ook - voor het geval [partij A] niet meewerkt - de vordering tot tijdelijke ontruiming toewijzen, op de wijze zoals in de beslissing omschreven staat. Daarbij zal de kantonrechter opnemen dat die ontruiming pas mag plaatsvinden als de werkzaamheden door een gebrek aan medewerking van [partij A] niet binnen vier weken na de dag van de betekening van dit vonnis hebben kunnen plaatsvinden. Dat de ontruiming slechts door een deurwaarder zal kunnen worden bewerkstelligd, volgt reeds uit de wet, zodat daarover in het dictum niets hoeft te worden opgenomen.
[partij A] is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woonbedrijf Ieder1 worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
135,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.289,45
Uitvoerbaarheid bij voorraad
De kantonrechter ziet geen aanleiding om tegemoet te komen aan het verzoek van [partij A] om dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat in hoger beroep of in een eventuele bodemprocedure mogelijk anders wordt beslist, is daarvoor onvoldoende. Bovendien heeft Woonbedrijf Ieder1 voldoende gesteld om te rechtvaardigen dat zij groot belang heeft bij de onmiddellijke tenuitvoerlegging van dit vonnis.
in reconventie
Het voorgaande brengt mee dat geen van de vorderingen in reconventie, voor zover die zich al zouden lenen voor behandeling in kort geding, toewijsbaar zijn.
[partij A] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van Woonbedrijf Ieder1 worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
432,50
(factor 0,5 × 865,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
576,50
5. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
veroordeelt [partij A] om binnen veertien dagen na de dag van de betekening van dit vonnis de logeerwoning aan de [adres 2] te Deventer te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Woonbedrijf Ieder1 zijn, en de sleutels af te geven aan Woonbedrijf Ieder1,
veroordeelt [partij A] om binnen drie dagen na de dag van de betekening van dit vonnis de uitvoering van benodigde werkzaamheden om de zwam in het gehuurde te bestrijden te gedogen en daaraan alle noodzakelijke medewerking te verlenen, waaronder de door Woonbedrijf Ieder1 met de uitvoering belaste pers(o)on(en) toe te laten voor de uitvoering van de werkzaamheden en onbelemmerde toegang te verschaffen tot de plaatsen waar de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, met dien verstande dat de datum en het tijdstip waarop de werkzaamheden zullen worden uitgevoerd minimaal 24 uur van tevoren schriftelijk aan [partij A] zullen worden meegedeeld;
veroordeelt [partij A] om, indien de onder 5.2. genoemde werkzaamheden door het niet of onvoldoende meewerken van [partij A] niet binnen vier weken na de dag van de betekening van dit vonnis kunnen worden uitgevoerd, het gehuurde tijdelijk, voor de duur van de werkzaamheden, te verlaten met alle personen die daarin van haar kant aanwezig zijn en met al haar spullen voor zover dat noodzakelijk is voor de bereikbaarheid van de plaatsen waar de werkzaamheden moeten worden verricht, en het gehuurde ter beschikking van Woonbedrijf Ieder1 te stellen;
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 1.289,45,
in reconventie
wijst de vorderingen van [partij A] af,
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 576,50,
in conventie en in reconventie
veroordeelt [partij A] tot betaling van de kosten van betekening van dit vonnis,
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1. tot en met 5.4. en onder 5.6. en 5.7. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. de Haan en in het openbaar uitgesproken op
23 maart 2026.