RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/327182 / HA ZA 25-8
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. E. Jansberg,
tegen
1. MR. [gedaagde 1],
te [woonplaats 2],2. [gedaagde 2] B.V.,
te [vestigingsplaats],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. J. [naam 9].
1. De zaak in het kort
Partijen waren betrokken bij een mislukt grondbeleggingsproject in Turkije. [eiser] stelt dat partijen in dat kader een vaststellingsovereenkomst (vso) hebben gesloten uit hoofde waarvan [gedaagden] aan [eiser] zal betalen het bedrag van € 235.000 en dat
[gedaagden] deze betalingsafspraak niet is nagekomen. [eiser] vordert nakoming. Daarbij beroept [eiser] zich op de artikelen 6:2 lid 2 BW, 6:23 BW en 6:74 BW.
[gedaagden] voert als verweer dat hij enkel de opdracht tot betaling zou geven, dat hij deze verplichting is nagekomen en dat niet is voldaan aan de voorwaarde voor uitbetaling. Daarnaast meent [gedaagden] dat de gestelde vso op grond van artikel 1:88 lid 1 onder c BW en/of artikel 3:44 lid 2 BW vernietigbaar is.
De rechtbank oordeelt dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 januari 2025 met 46 producties;- de conclusie van antwoord met 8 producties;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte aanvullende producties (47 t/m 72) van [eiser];
- de brief van [gedaagden] cs van 16 september 2025 met productie 9;- de mondelinge behandeling van 24 september 2025, ter gelegenheid waarvan partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd en door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De feiten
In 2015 is [eiser] als ondernemer en adviseur betrokken geraakt bij een grondbeleggingsproject in Turkije (hierna: het project).
[gedaagden] is een advocaat die vanaf 2020 zijn praktijk zelfstandig heeft voortgezet via [gedaagde 2], waarvan hij enig bestuurder is.
Ten behoeve van het project waren zes vennootschappen naar Turks recht opgericht: Apollo Invest, Apollo Side, Nemesis, Nedturk Oranje, Athena I en Athena II (hierna: de Turkse Vennootschappen). De Turkse Vennootschappen namen deel aan vier deelprojecten, te weten: Apollo, Nemesis, Taurus en Athena. Het doel van het project was om gronden (na bewerking) met winst te verkopen. De aandelen in de Turkse Vennootschappen werden gehouden door diverse Nederlandse beleggers en één (houdster)vennootschap naar Turks recht, Side Real Estate (SRE).
Tot 2015 werden de belangen van de Nederlandse beleggers in Turkije behartigd door [naam 1], die ook bestuursfuncties binnen de Turkse Vennootschappen heeft vervuld. Op enig moment is tussen [naam 1] en een aantal Nederlandse beleggers (o.a. [naam 2], [naam 3] en [naam 4]; hierna: [naam 2] c.s.) een vertrouwensbreuk ontstaan. Op verzoek van [naam 2] c.s. is [eiser] toen bestuurder geworden van Apollo Invest, Apollo Side, Nedturk Oranje en SRE. Daarnaast begeleidde [eiser] de verkoop van de (gronden van de) deelprojecten. Omdat beloningsafspraken niet zouden zijn nagekomen, is [eiser] als bestuurder in 2018 afgetreden. Ook [naam 1] is afgetreden. De Turkse Vennootschappen raakten hierdoor stuurloos.
In opdracht en als advocaat van [eiser] heeft [gedaagden] in Nederland een procedure gestart tegen [naam 2] c.s. tot nakoming van beloningsafspraken tot het bedrag van € 470.000. Bij vonnis van 18 maart 2020 heeft de rechtbank Noord-Nederland de vorderingen van [eiser] afgewezen.
Inmiddels had [gedaagden] als advocaat namens een aantal Nederlandse beleggers procedurele acties in Turkije ondernomen. Daarbij is hij samen opgetrokken met [naam 5] (advocaat in Turkije), [naam 6] (makelaar/tolk) en [naam 7] (investeerder), door [eiser] aangeduid als “het proces-team”.
Er zijn veiling- en executietrajecten opgezet met betrekking tot de grondstukken van de Turkse vennootschappen. [gedaagden] heeft [eiser] bij e-mail van 6 februari 2020 uitgenodigd om als schuldeiser van het Apolloproject hieraan deel te nemen. Op 17 februari 2020 heeft [eiser], net als andere deelnemers, voor deelname een bedrag van € 12.500 betaald aan voornoemde [naam 5]. De gegevens voor die betaling heeft hij ontvangen van [gedaagden].
Met juridische bijstand van [naam 5] heeft [eiser] in februari 2020 een vordering jegens Apollo Side ingesteld bij de Turkse rechtbank in Manavgat. Deze vordering is bij verstekvonnis toegewezen. Aansluitend heeft [eiser] een verzoek ingediend tot executie van de grondstukken van Apollo Side. [eiser] was daarbij vijfde in rang. Dit heeft niet tot resultaat voor [eiser] geleid.
Eind november 2020 werd duidelijk dat het door [gedaagden] opgezette veiling- en executietraject mislukt was. Vervolgens is een nieuw plan opgezet om de gronden van Apollo Side en Apollo Invest op te kopen en door te verkopen.
Op 14 mei 2021 heeft [gedaagden] aan [eiser] de volgende e-mail verstuurd:
Ik heb nader contact gehad met [naam 6] , die het weer bespreekt met [naam 5] en bericht je als volgt:
1. Je bent omstreeks januari/februari vorig jaar gewezen op de mogelijkheid jouw vordering in Turkije in te dienen. Dat was gebaseerd op het volgende:
a – jouw vordering was (nog) niet toegewezen in Nederland;
b – er werd een zodanige opbrengst verwacht terzake Apollo Side dat de andere (toen 3) Deelnemers volledig zouden kunnen worden betaald en er aldus ook ruimte was om jouw Vordering me te nemen;
c – er werd niet verwacht dat er verweer zou worden gevoerd namens Side en evenmin werd verwacht dat [naam 1] bezwaar zou maken;
2. Als er wel bezwaar zou worden gemaakt liep en loop je grote kans dat jouw vordering in Turkije wordt afgewezen (ook als je hem nu via een andere advocaat zou indienen.) (…) en is daarom jouw aanspraak op een bonus weinig kansrijk. (…). Je bent geen reguliere deelnemer op basis van een niet te betwisten vordering. 3. De veiling van Side is eind vorig jaar tot 2x toe mislukt en gesaboteerd door [naam 1], die niet alleen de helft van de gronden van Apollo Side heeft gezet op naam van een stroman (…) maar ook bezwaar aantekent tegen jouw vordering omdat jij geen vordering hebt op Apollo Side maar geld zou ontvangen als bonus van de Nederlandse beleggersgroep.
Dit betekent dus dat als er opnieuw een vordering op jouw naam wordt ingediend hij bezwaar gaat maken en jouw vordering niet zal worden toegewezen en al evenmin kan worden aangemeld als vordering in de veiling.
Bovendien valt er geen hoge opbrengst meer te verwachten waardoor je kunt meedelen na de drie andere deelnemers die harde vorderingen hebben.
4. Nu het perspectief als genoemd sub 1 heel anders is geworden en in feite niet meer aan de sub 1 genoemde voorwaarden voor een succesvolle incasso is voldaan en bovendien sprake zou zijn van een tegenstrijdig belang met de andere deelnemers als de opbrengst onvoldoende zou zijn om jou te betalen (een betaling aan jou gaat dan ten koste van de drie deelnemers) heeft [naam 5] niet opnieuw een vordering voor jou ingediend.
Verdere afwikkeling
Er zijn nu de volgende mogelijkheden:
A. Een reguliere veiling van de gronden van Side, die zal worden ingezet op (…) € 1.950.000.
(…). In dit scenario zijn er alleen maar verliezers en geen mogelijkheden voor jou (…)
opbrengst meer dan 1,9M
(…)
Dus als er netto overblijft 2 Miljoen is er een hoger opbrengst dan 1 M en jij krijgt dan daarvan 10% = 100.000. Meer kan ik niet verantwoorden tov de deelnemers met harde vordering, die ook dan nog hun geld niet volledig terug hebben.
overeenkomst bouwbedrijf
(…)
Voor de goede orde: Ik ben niet jouw raadsman in deze kwestie. Meer kan ik er niet van maken en het blijft voor jouw een buitenkans en een enorme meevaller achteraf. Laat mij weten of dit zo voor jou akkoord is.
[eiser] is niet op dit voorstel ingegaan en heeft [gedaagden] op 16 mei 2021 bericht:Ik ben het niet eens met je lezing en de motiveringen waarom ik minder rechten zou hebben dan de anderen. Je kunt als advocaat heel goed een rekensommetje maken voor iedereen waar iedereen mee tevreden is. Je bent dat zelfs gehouden te doen.(…) Ik zal mijn advocaat instrueren om met [naam 5] in contact te treden om het dossier over te nemen. (…) Mijn advocaat is de opvatting toegedaan dat [naam 5] mijn belangen niet goed heeft behartigd. Hij zal dan ook het betaalde aan [naam 5] namens mij vorderen.ij
De twee resterende grondstukken van Apollo Side (kadastrale nummers 123.1 en 126.2) zijn op 26 april 2022 geveild. Op 27 april 2022 heeft [gedaagden] op verzoek van [naam 5] het verslag van deze veiling aan [eiser] toegezonden.
[eiser] heeft daarop aan [naam 5] meegedeeld dat hij bezwaar zal maken tegen de veilinguitkomst, tenzij schriftelijk toezegging zou volgen dat bij de verdeling tenminste € 200.000 aan hem zal worden betaald.
Bij e-mail van 27 april 2022 antwoordt [gedaagden] daarop onder meer:(…)1. Ik heb jou maandag gezegd dat er inmiddels enorme bedragen zijn betaald – en jij daarin niet hebt bijgedragen – om deze zaak uit het moeras te trekken en uiteraard deze eerst moeten worden terugbetaald.
Het moeras was en is dat de stukken die aan Apollo Side en Apollo Invest toebehoorden slechts halve percelen waren van een tapu (…) en daardoor zowel onderhands als via de veiling onverkoopbaar waren.
Bovendien had de heer [naam 1] 3 halve percelen van Apollo Side op naam van een ander gezet en verlangde hij daarvoor € 750.000,- daardoor zijn alle eerder veilingen mislukt.
2. opnieuw investeren
Er was en is dus slechts een oplossing – pogen alles in een hand te krijgen en dan door te verkopen. Daarvoor was en is nodig (A) een bedrag ad € 750.000,- voor de aankoop van de 3 delen van [naam 1] en (B) de aankoop in de veiling van de 7 ontbrekende halve delen, waarvoor afhankelijk van de aankoop in de veiling en betaling van openstaande fiscale schulden – bedragen nodig zijn tussen € 300.000,- en € 550.000,- ! Dus in totaal tussen € 1.050.000 en € 1.300.000,
(…)
Omdat er vrijwel niemand te vinden was en is, die dit ingewikkelde traject wilde ingaan moesten aan kandidaat nieuw investeerders hoge vergoedingen – tot 100% fee – worden toegezegd.
Ik achtte het verantwoord deze uitgaven te doen omdat mij werd verteld dat als de percelen bij elkaar konden worden gebracht de opbrengst fors hoger zou zijn en tenminste € 6 miljoen zou belopen
Ik heb ook jou op donderdag 16 december 2021 een voorstel gedaan om ook mee te investeren (mede omdat je op basis van de mislukte veiling van Apollo Side geen kans had op een deel)
jij bent niet op dat voorstel ingegaan. (...) Toen jij niet meedeed heb ik anderen moeten benaderen (…). De begrijpelijke eis van de heer (…) was dat hij dan ook zijn oorspronkelijke vordering op Apollo Side wilde inbrengen.
Daardoor staat de teller nu op € 5.200.000 en kosten en fee € 2.000.000.
3. operatie gelukt
Dat uit het moeras trekken is voor een groot deel gelukt en er bestaat uitzicht dat daarmede de percelen kunnen worden verkocht doch dat hele traject kan worden afgewikkeld over een periode tussen nu en 3 maanden.
4. gevolgen van de door jou aangekondigde actie
Jij hebt nu aangegeven dat als er geen garantie komt van [naam 5] en mij dat je de alsnog bezwaar gaat maken tegen de afgelopen veiling. Hoewel je naar mijn overtuiging en die van [naam 5] dat verzoek volkomen ongegrond is.
Echter ook als het wordt afgewezen leidt dit wel tot een procedure die de afwikkeling met tenminste 6 maanden vertraagt en betekent dit dat het gehele traject weer is vastgelopen, de kandidaat-kopers afhaken, de lire ondertussen weer daalt en [naam 1] het nog niet betaalde deel van het midden in gelegen perceel 214 overdraagt aan een ander, waardoor alles weer onverkoopbaar wordt en we terug zijn bij af.
(…)
De door jou aangekondigde actie en de daarop gevolgde eis dat [naam 5] en ik – dan wel de andere deelnemers – jou € 200.000,- moeten betalen wordt – hoewel jij dat niet zo ziet – opgevat als chantage waarvoor naast een civiele procedure alsdan ook een strafklacht zal worden ingediend.
Bij e-mail van 28 april 2022 schrijft [gedaagden] aan [eiser] onder meer:(…)Ik kan het nog proberen als volgt:(…)
Ik kan dat dus niet toezeggen namens de deelnemers doch nu alleen namens mezelf (waarbij ik dit bedrag zal aftrekken van de fee voor het procesteam) Wij kunnen daarbij dan [naam 5] de instructie geven dit tzt. te betalen.
Partijen hebben vervolgens met elkaar onderhandeld.
Bij e-mail van 4 mei 2022 schrijft de advocaat van [gedaagden] aan [eiser]:[naam 8] is van mening dat hij geen enkele verplichting heeft jegens jou. Niettemin heb ik hem bereid gevonden om een voorstel te doen voor afwikkeling tegen finale kwijting. Hij is bereid om uit de netto-opbrengst in geval van verkoop van al de percelen de volgende bedragen aan jou te betalen. (…)
In totaal is het dus een bedrag van maximaal € 150.000 dat hij bereid is aan jou te betalen.
(…).
[eiser] antwoordt daarop dat het voorstel niet toereikend is en dat hij zijn plan zoals hij dat uiteen heeft gezet zal voortzetten.
Bij e-mail van 5 mei 2022 om 15:46 uur doet de advocaat van [gedaagden] het volgende voorstel:
Naar aanleiding van jouw onderstaande e-mail heb ik nader overleg gehad met [naam 8]. Voorts heeft [naam 8] overleg gehad met [naam 5]. [naam 5] is van mening dat het door jou gevraagde bedrag van € 235.000 moet worden betaald. Namens [naam 8] bevestig ik hierbij dat hij hiermee akkoord gaat en dat hij aan [naam 5] onherroepelijk opdracht heeft gegeven om uit de netto-opbrengst van de verkochte percelen een bedrag van € 235.000 aan jou te betalen (onder netto-opbrengst wordt verstaan de verkoopprijs van de percelen minus de bedragen die moeten worden betaald aan de financiers (ca € 2.000.000)). Dit bedrag wordt als eerste betaald uit de netto-opbrengst. Het is een nettobedrag, in die zin dat daarop geen kosten in mindering komen in het kader van de afhandeling van deze kwestie. Je hebt daarbij geen aanspraak meer op het bedrag van € 12.500. De betaling is tegen finale kwijting.
Als voorwaarde geldt uitdrukkelijk dat je geen actie onderneemt die de veilingen, de verdeling van de veilingopbrengsten en de verkoop van de percelen belemmeren en/of vertragen.
Ik ontvang graag van jou omgaand de bevestiging dat dit voorstel door jou wordt geaccepteerd.
Op dezelfde dag om 16:01 uur antwoordt [eiser]:
Het is een nettobedrag, in die zin dat daarop geen kosten in mindering komen in het kader van de afhandeling van deze kwestie” lees ik als volgt: het nettobedrag slaat op het bedrag van € 235.000 en 'geen kosten in mindering gebracht' houdt in de commissie van 10 % gerelateerd aan de hoogte van mijn vordering, zijnde circa € 40.000,- die ik bij een normale gang van zaken bij de afhandeling aan [naam 5] / het team verschuldigd zou zijn. Nu we andere afspraken hebben gemaakt hoef ik de commissie dus niet meer te voldoen. [naam 5]/het team ziet(n) af van die commissie.
Ik zie overigens enkel af van de € 12.500 wanneer ik het nettobedrag € 235.000 daadwerkelijk heb ontvangen. Indien ik dat bedrag niet of gedeeltelijk uitgekeerd krijg dan behoud ik mijn recht voor om dat bedrag alsnog te vorderen. Dit lijkt mij logisch.
Voor het overige ben ik het met de formulering eens. Graag nog een bevestiging.
De advocaat van [gedaagden] reageert om 16:20 uur:
De verduidelijking ten aanzien van de kosten is akkoord.
Wat betreft de aanspraak op het bedrag van € 12.500, indien het bedrag van € 235.000 niet of gedeeltelijk wordt voldaan, merk ik op dat het uiteindelijke bedrag uiteraard nooit hoger zal kunnen zijn dan € 235.000.
Graag een bevestiging van jou.
Tegelijkertijd, eveneens in de middag van 5 mei 2022, stuurt [gedaagden] aan [naam 5] de volgende Whatsapp-berichten:I give a guaranty that you can pay € 235.000 to [eiser] from the revenue
En:
I cannot reach my lawyer now but as written I agree a you can confirm to [eiser]
[naam 8]
Deze berichten zijn door [naam 5] doorgestuurd aan de Apollo-groep, waaraan [eiser] ook deelnam, en [naam 5] heeft aan [eiser] rechtstreeks bevestigd:Er werd overeenstemming bereikt. Er is geen noodzaak om bezwaar te maken.
[eiser] geeft om 16:23 uur zijn akkoord en heeft geen bezwaar gemaakt tegen de veilinguitkomst.
Eind 2022 spreekt [eiser] [gedaagden] aan op betaling van het bedrag van € 235.000.
Op 14 januari 2023 schrijft [gedaagden] het volgende aan [naam 5]:
As you know I had – on Thursday 5 may 2022 when I was on a holiday in Prague – to make a promise to [eiser] that he would receive an amount of € 235.000,- out of the revenue of the parcels of Apollo Side then involved.
This was necessary because otherwise you had to follow the (impossible) instruction of [eiser] that you had to make an objection on the auction op parcel 126 of Apollo Side that would delay the execution and sale procedures .
So my lawyer [naam 9] wrote by mail to [eiser] on 5 may 2022 at 15.46 hour (Dutch time) mail , that I have the forwarded that day to you and [naam 6] from my I phone.
To have a better proof – in the event that [eiser] denies that I gave you this order – I again sent you a copy of this mail from [naam 9] to [eiser] – see next page 2 and mention hereunder the translation in English on page 3.
Op 16 januari 2023 mailt [gedaagden] het volgende aan [naam 5]:
1. As you know I had – on Thursday 5 may 2022 when I was on a holiday in Prague – to give a promise to [eiser] about a payment of € 235.000,-
So my lawyer [naam 9] wrote by mail to [eiser] on 5 may 2022 at 15.46 hour (Dutch time) a mail with this promise.
I have then forwarded this message from my I phone to you and [naam 6]
2. Till now I did no tell [eiser] that I had already fulfilled the promise by sending via I phone on 5 May 2022.
And now he is threatening me again and again.
3. My lawyer [naam 9] advised me to send now a letter to you containing the promise so that I have a better proof then the message by I Phone from 5 may 2022. So I sent you the letter.
Probably [eiser] now will go again in your direction.
4. We discussed in the past what to do with [eiser]. You told me that you cannot follow this promise.
You have several reasons:
[eiser] had only rights on two parcels of Apollo Side and the revenue is not enough;
In the promise is not mentioned that it is also about Apollo Invest;
[naam 10], [naam 11] en [naam 12] – the investors in Apollo Side do not agree and forbid you to give away money from the revenue”;
also the investors who paid for the parcels of Apollo Side from [naam 1]/[naam 13] do not agree;
the investors in Apollo Invest do not agree and forbid you to pay any amount;
this promise made by [gedaagden] is not valid because [eiser] was blackmailing; also there was and undue influence.
I you need me about this please let me know !
Bij brief van 13 juni 2023 sommeert [eiser] [gedaagden] tot betaling van het bedrag van € 235.000. Daarop volgt een afwijzende reactie van [gedaagden].
Bij brief van 18 april 2025 heeft de echtgenote van [gedaagden] ten aanzien van het gestelde verbinden voor een schuld van een derde “voor zover nodig” een beroep op de vernietigingsgrond als bedoeld in artikel 1:88 lid 1 sub c jo. artikel 1:89 BW gedaan.
4. Het geschil
[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] c.s. hoofdelijk zal veroordelen tot betaling aan [eiser] van het bedrag van:
( a) € 235.000 (hoofdsom);
( b) € 22.620,36 (rente t/m 30 november 2024, te vermeerderen met de handelsrente vanaf
1 december 2024 t/m de dag der algehele voldoening);
( c) € 3.569,50 (buitengerechtelijke incassokosten),
alsmede in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Aan zijn vorderingen legt [eiser], samengevat, ten grondslag dat [gedaagden] tegenover hem toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn betalingsverplichting uit de vso die partijen op 5 mei 2022 met elkaar hebben gesloten. Volgens [eiser] hebben partijen daarbij afgesproken dat [gedaagden] een onherroepelijke opdracht aan [naam 5] zal geven om uit de netto-opbrengst van de verkochte percelen (verkoopprijs minus ca. € 2.000.000 t.b.v. de financiers) een bedrag van € 235.000 aan [eiser] te betalen. [eiser] stelt dat de betalingsinstructie die [gedaagden] aan [naam 5] heeft gegeven met een sideletter van 16 januari 2023 is herroepen, waarmee feitelijk sprake is van valsheid in geschrifte. [eiser] vordert nakoming van de vaststellingsovereenkomst die volgens hem een zelfstandige betalingsverplichting van [gedaagden] behelst. Daarbij beroept hij zich primair op artikel 6:2 lid 2 BW, subsidiair op artikel 6:23 BW en meer subsidiair op artikel 6:74 BW.
[gedaagden] betwist dat partijen een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW hebben gesloten. Volgens [gedaagden] heeft hij zich jegens [eiser] uitsluitend verbonden om een (onherroepelijke) betalingsinstructie aan [naam 5] te geven. Deze verplichting is hij nagekomen. [gedaagden] ontkent dat hij daarna gehouden was om [eiser] te informeren over het verdere verloop van het executietraject in Turkije. [gedaagden] stelt dat hij nimmer heeft gepoogd de gedane toezegging ongedaan te maken dan wel een (mogelijke) betaling aan [eiser] (uit de netto-opbrengst) te frustreren. [gedaagden] heeft zijn e-mail van 16 januari 2023 aan [naam 5] om bewijstechnische redenen verstuurd. Van een sideletter dan wel herroeping van de betalingsinstructie is geen sprake. [gedaagden] stelt verder dat de afgedwongen betalingsinstructie (“toezegging”) onder invloed van bedreiging tot stand is gekomen en daarmee op die grond vernietigbaar is. Hij beroept zich op artikel 3:44 lid 2 BW. Voor zover [gedaagden] zich jegens [eiser] hoofdelijk heeft verbonden tot betaling van het bedrag van € 235.000, dit wordt door hem betwist, heeft zijn echtgenote een beroep op de vernietigingsgrond, als bedoeld in de artikelen 1:88 en 1:89 BW, gedaan. Tot slot stelt [gedaagden] dat de netto-opbrengst tot op heden onvoldoende is geweest, zodat niet is voldaan aan de voorwaarde voor uitbetaling aan [eiser]. [gedaagden] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen zal de rechtbank hierna ingaan, voor zover dat van belang is voor de beoordeling van het geschil.
5. De beoordeling
Kernvraag is of [gedaagden] gehouden is tot betaling van het bedrag van € 235.000 aan [eiser]. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Uitleg afspraken van 5 mei 2022
Volgens [eiser] was de e-mail van [gedaagden] van 14 mei 2021 (zie 3.8) de oorsprong van hun geschil. Kort gezegd deelde [gedaagden] [eiser] toen mee dat hij niet kon meedelen in de opbrengst van de procedurele acties in Turkije. Dit terwijl [eiser] eerder was afgegaan op de analyse van [gedaagden] dat hij wel in de opbrengst van deze acties zou kunnen meedelen. Deze ommezwaai leidde volgens [eiser] tot het geschil, dat is beëindigd door het sluiten van de vaststellingsovereenkomst.
[gedaagden] betwist dat hij een geschil met [eiser] had. Hij voert aan dat [eiser] op onrechtmatige wijze een voorrangspositie trachtte te bewerkstelligen door te dreigen met het maken van bezwaar tegen de veilinguitkomst van 26 april 2022. Dit bezwaar zou de cliënten van [gedaagden] ernstig duperen vanwege de forse vertraging van de (executie)verkoop die dit tot gevolg zou hebben. [gedaagden] voelde zich genoodzaakt om de e-mail van 5 mei 2022 te sturen.
Partijen verschillen van mening over de aard en de uitleg van de afspraken die zij op 5 mei 2022 hebben gemaakt. Of deze afspraken als een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW moeten worden geduid, zoals [eiser] betoogt en [gedaagden] betwist, maakt voor het oordeel van de rechtbank niet uit. Het gaat hier immers om de uitleg van de tussen partijen gemaakte afspraken en de rechtsgevolgen die daaraan moeten worden verbonden en niet of deze afspraken als een vaststellingsovereenkomst kunnen worden gekwalificeerd.
Niet in geschil is dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de tekst die is opgenomen in de e-mail van 5 mei 2022. Daarin heeft de advocaat van [gedaagden] onder meer het volgende geschreven:
[naam 5] is van mening dat het door jou gevraagde bedrag van € 235.000 moet worden betaald. Namens [naam 8] bevestig ik hierbij dat hij hiermee akkoord gaat en dat hij aan [naam 5] onherroepelijk opdracht heeft gegeven om uit de netto-opbrengst van de verkochte percelen een bedrag van € 235.000 aan jou te betalen (onder netto-opbrengst wordt verstaan de verkoopprijs van de percelen minus de bedragen die moeten worden betaald aan de financiers (ca € 2.000.000)).
De rechtbank stelt voorop dat de vraag wat [eiser] en [gedaagden] onderling zijn overeengekomen moet worden beantwoord via uitleg aan de hand van de in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde Haviltex-maatstaf. Deze maatstaf komt er kort gezegd op neer dat bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst niet alleen de tekst van belang is, maar het aankomt op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en wat zij daarover redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle feiten en omstandigheden van het geval van belang, zoals de verklaringen en gedragingen van partijen over en weer en wat zij daaruit redelijkerwijs mochten afleiden.
De rechtbank overweegt over de inhoud van de e-mail van 5 mei 2022 ten eerste dat [gedaagden] hierin bevestigt dat hij een onherroepelijke opdracht aan [naam 5] heeft gegeven om uit de netto opbrengst van de verkochte percelen een bedrag van € 235.000 te betalen aan [eiser]. Dat is niet in geschil. Evenmin in geschil is de uitleg van de voorwaarde die zij aan de betaling aan [eiser] hebben verbonden: die voorwaarde is vervuld bij een gerealiseerde netto-opbrengst van meer dan € 2.000.000. Pas als de financiers met dat bedrag uit de verkoopopbrengst zijn voldaan en daarna een positief saldo resteert, heeft [eiser] recht op betaling.
Partijen verschillen wel van mening wat er onder “de netto-opbrengst van de verkochte percelen” en “de verkoopprijs van de percelen” moet worden verstaan. Volgens [gedaagden] hebben die zinsneden slechts betrekking op de verkoopprijs van de grondstukken van Apollo Side en Apollo Invest, terwijl [eiser] betoogt dat dit ziet op de totale opbrengsten van alle grondstukken van de Turkse Vennootschappen. [eiser] verwijst daarbij naar het overbruggingskrediet van 2 miljoen euro, dat betrekking had op het gehele project, en stelt dat alle percelen ondeelbaar waren en dat daarom alle percelen van de Turkse Vennootschappen moeten worden meegenomen. [gedaagden] stelt echter dat er in het kader van de onderhandelingen nooit gesproken is over de grondstukken van Nemesis, Athena 1 en 2 en Nedturk Oranje en merkt op dat die projecten al lang waren afgerond en de gelden al waren verdeeld.
De rechtbank volgt [gedaagden] in zijn standpunt dat de aanduiding “de netto-opbrengst van de verkochte percelen” alleen betrekking heeft op de grondstukken van Apollo Side en Apollo Invest en overweegt daartoe als volgt. Ten eerste verwijst [eiser] in zijn spreekaantekeningen (3.27 en 3.28) zelf naar de bijlage bij productie 61 waarin de naam [eiser] onder het kopje Invest+Side Apollo is opgenomen met vermelding van het bedrag € 235.000. Dit bedrag strookt met de overeenkomst en is in dit overzicht gekoppeld aan Apollo Invest en Apollo Side. De andere percelen komen in dit overzicht niet voor. Daarnaast kan worden gewezen op de e-mail van 27 april 2022, die de opmaat vormt voor de uiteindelijke afspraken van 5 mei 2022. Daarin wordt ook enkel gesproken over de gronden van Apollo Side en Apollo Invest en worden de kosten van de financiers begroot op 2 miljoen euro. Dit bedrag komt overeen met de kosten die in de e-mail van 5 mei 2022 worden genoemd. Tenslotte heeft [eiser] niet gemotiveerd weersproken dat de andere projecten, niet zijnde Apollo Side en Apollo Invest, al afgerond en verdeeld waren. Deze omstandigheden tezamen ondersteunen het standpunt van [gedaagden].
[eiser] daarentegen heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit volgt dat hij zijn aanspraak te gelde kan maken op de totale opbrengsten van alle grondstukken van de Turkse Vennootschappen. In correspondentie voorafgaand en na het maken van de afspraken van 5 mei 2022 kan daarvoor geen ondersteuning worden gevonden.
Een andere vraag van uitleg is wat de aard van de verplichting is die uit de afspraken volgt. Volgens [eiser] brengt een redelijke uitleg van de afspraken mee dat [gedaagden] niet kon volstaan met het geven van een betalingsinstructie aan [naam 5]. [eiser] stelt zich op het standpunt dat van [gedaagden] mag worden verwacht dat hij bewerkstelligt dat de gewekte verwachtingen worden ingelost zodat het bedrag van € 235.000 daadwerkelijk aan hem wordt voldaan. Door de wijze van formuleren heeft [gedaagden] in zijn e-mail van 5 mei 2022 verwachtingen gewekt, waarbij [eiser] wijst op het geven van de indruk dat [gedaagden] in control was, dat hij de macht had om instructies aan [naam 5] te geven en dat hij kon beschikken over de opbrengst. [eiser] voert aan dat er op [gedaagden] een zelfstandige betalingsplicht rust.
[gedaagden] daarentegen betoogt dat hij enkel gehouden was een betalingsinstructie aan [naam 5] te geven om € 235.000 aan [eiser] te betalen. Volgens [gedaagden] handelde hij namens het procesteam en na verkregen toestemming van [naam 5]. Hij heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit overeenkomst. Hij heeft zich niet verbonden tot een zelfstandige betalingsverplichting en zich ook niet sterk gemaakt voor een derde.
De rechtbank overweegt als volgt. In de e-mail van 28 april 2022 heeft [gedaagden] gezegd dat hij “dus niet [kan] toezeggen namens de deelnemers doch nu alleen namens mezelf (waarbij ik dit bedrag zal aftrekken van de fee voor het procesteam).” In het geaccepteerde voorstel, dat is opgenomen in de e-mail van 5 mei 2022, noemt [gedaagden] de toestemming van [naam 5] en zegt hij toe [naam 5] opdracht te hebben gegeven om het bedrag te betalen als is voldaan aan de voorwaarde dat sprake is van voldoende netto-opbrengst. Uit de stellingen van partijen kan worden afgeleid dat zij niet van mening verschillen over de bedoeling van [gedaagden] om het overeengekomen bedrag in mindering te brengen op de fee van het proces-team en dat [eiser] dit ook zo heeft begrepen. Dat [gedaagden] zich persoonlijk heeft willen verbinden tot betaling dan wel daarvoor garant of borg te staan, kan uit de tekst van de e-mail van 5 mei 2022 niet worden afgeleid.
Voor zover [eiser] heeft willen aanvoeren dat de omstandigheden van dit geval meebrengen dat de overeenkomst anders moet worden uitgelegd dan de tekst lijkt te zeggen, in die zin dat [gedaagden] met het aangaan van de overeenkomst van 5 mei 2022 zichzelf heeft willen verbinden tot betaling van het bedrag van € 235.000, heeft [eiser] zijn standpunt onvoldoende onderbouwd. Aangezien in de tekst uitdrukkelijk is opgenomen dat het te betalen bedrag onder voorwaarden zal worden voldaan uit de opbrengst van de percelen mocht van [eiser] worden verwacht dat hij concrete omstandigheden had genoemd waaruit zou volgen dat hij desondanks mocht begrijpen dat [gedaagden] zichzelf wilde verbinden. Daarvoor heeft [eiser] echter onvoldoende aangevoerd. Dat [gedaagden] in een eerdere e-mail (van 4 mei 2022) schrijft dat hij in geval van verkoop bereid is dat bedrag uit de netto-opbrengst van de percelen te betalen, volstaat daartoe niet. In de e-mail van 27 april 2022 is immers ook duidelijk gemaakt dat het bedrag in mindering zal strekken op de fee van het proces-team.
Dat [gedaagden] andere verwachtingen heeft gewekt kan uit de e-mail van 5 mei 2022 en de daaraan voorafgaande correspondentie tussen partijen, niet worden afgeleid. Hij schrijft daarin immers dat [naam 5] van mening is dat het bedrag aan [eiser] moet worden betaald, dat hij daarmee akkoord gaat en dat hij aan [naam 5] onherroepelijk opdracht heeft gegeven om € 235.000 uit de netto-opbrengst van de verkochte percelen te betalen. Daaruit kon [eiser] afleiden dat [gedaagden] in overleg met [naam 5] instructies aan [naam 5] kon geven met betrekking tot de betaling van het bedrag van € 235.000 dat met de fee van het proces-team zou worden verrekend. Dit geldt temeer nu [naam 5] deze afspraak ook nog zelf aan [eiser] heeft bevestigd en dat uit de dagvaarding (2.4.20) blijkt dat [eiser] deze bevestiging van [naam 5] ook heeft meegewogen bij zijn besluit om geen bezwaar in te dienen tegen de veilinguitkomst. Door de formulering van de e-mail is aldus voldoende duidelijk gemaakt dat toestemming van [naam 5] (als lid van het proces-team) vereist was, en deze ook was verkregen, en dat [naam 5] de beschikking zou krijgen over de verkoopopbrengst en bij vervulling van de voorwaarde tot uitbetaling zou overgaan. Dat [gedaagden] zelfstandig kon beschikken over de netto verkoopopbrengst volgt daaruit niet.
Gelet op het voorgaande legt de rechtbank de overeenkomst van 5 mei 2022 als volgt uit. De verplichting die [gedaagden] is aangegaan bestaat uit het geven van een onherroepelijke betalingsopdracht aan [naam 5] tot het betalen aan [eiser] van het bedrag van € 235.000 uit de netto-opbrengst van de verkochte percelen van Apollo Side en Apollo Invest. De bepaling over de netto-opbrengst brengt mee dat [eiser] enkel aanspraak kan maken op betaling als de netto-opbrengst van de verkoop van de grondstukken van Apollo Side en Apollo Invest minimaal € 2.000.000 bedraagt. Uit de tekst van de overeenkomst zelf blijkt verder niet dat partijen bedoeld hebben om [gedaagden] zelfstandig te verbinden tot betaling van het bedrag van € 235.000 en dat volgt evenmin uit de omstandigheden die [eiser] heeft aangevoerd. Dat betekent dat het beroep van [gedaagden] op artikel 1:88 BW geen bespreking behoeft.
Bedreiging door [eiser]?
[gedaagden] cs stelt dat de afspraken met [eiser] onder invloed van een wilsgebrek (bedreiging) tot stand zijn gekomen. Daartoe voert hij aan dat [eiser] zich op een onrechtmatige wijze een voorrangspositie wilde verschaffen ten aanzien van alle grondstukken van beide Apollo vennootschappen. Ook al was het maken van bezwaar tegen de uitkomst van de veiling van 26 april 2022 op zichzelf niet ongeoorloofd, was dit onrechtmatig wegens strijd met de maatschappelijke betamelijkheid. Ten aanzien van het veilingtraject waren geen onregelmatigheden, maar was alleen sprake van een tegenvallende opbrengst. Het enige doel van het dreigen met bezwaar maken was het dreigen met nadeel toebrengen waar [eiser] blijkens zijn appbericht van 20 april 2022 aan [naam 5] vanaf wilde zien als hem een toezegging tot betaling van het bedrag van € 200.000 zou worden gedaan in een situatie dat hij geen enkel recht had op enig bedrag, aldus [gedaagden]. Bovendien wist [eiser] dat bezwaar maken desastreuze gevolgen zou hebben voor de financiers. Zonder deze dreiging zou [gedaagden] de afspraken van 5 mei 2022 nooit hebben gemaakt. [gedaagden] beroept zich op artikel 3:44 lid 1 en 2 BW.
[eiser] betwist dit en voert aan dat hij naar Turks recht een wettelijk toegekende bevoegdheid had om zich als belanghebbende tegen de uitkomst van de veiling te verzetten. Volgens [eiser] was het nooit zijn bedoeling geweest om met een dergelijk bezwaar het veilingtraject te frustreren maar wilde hij wel zijn positie veilig stellen, wat hem volkomen vrijstond. Daarbij wijst [eiser] erop dat hij buiten de afspraken stond die binnen het procesteam werden gemaakt en dat [gedaagden] een ervaren advocaat is die werd bijgestaan door zijn huidige, eveneens ervaren, advocaat. [eiser] betwist dat hij heeft gedreigd met enig nadeel in persoon of goed, zodat in zijn ogen van enige onrechtmatigheid geen sprake is.
De vraag is of de mededeling van [eiser] dat hij bezwaar zal maken tegen de veilinguitkomst als hij bij de verdeling niet tenminste € 200.000 krijgt uitgekeerd moet worden gekwalificeerd als een bedreiging in de zin van artikel 3:44 BW. De rechtbank overweegt als volgt. De mededeling van [eiser] is gedaan in de context van zakelijke onderhandelingen ten gevolge van een (mislukt) vastgoedproject in Turkije. In zijn aangetekende brief van 27 april 2022 wijst [gedaagden] [eiser] eveneens in stevige bewoordingen op de (procedurele en financiële) gevolgen van de door [eiser] aangekondigde actie. In de dagen daarna is er tussen partijen overleg gevoerd over de wijze waarop [eiser] gecompenseerd zou kunnen worden. Daarbij heeft [gedaagden] een voorstel gedaan wat uiteindelijk heeft geresulteerd in de afspraken zoals hij die in zijn e-mail van 5 mei 2022 heeft neergelegd. Op die dag verstreek de bezwaartermijn waardoor partijen onder tijdsdruk scherp met elkaar hebben onderhandeld. In het licht van deze omstandigheden heeft [gedaagden] onvoldoende onderbouwd dat van de bezwaarmededeling een zodanige dreiging uitging dat hij daardoor werd bewogen om per e-mail het voorstel te doen dat tot de totstandkoming van voornoemde afspraken heeft geleid. Het beroep van [gedaagden] op artikel 3:44 lid 2 BW faalt dus.
Beroep op artikel 6:2 lid 2 BW, 6:23 BW en 6:74 BW
[eiser] betoogt verder dat [gedaagden] aansprakelijk is voor betaling van het bedrag van € 235.000 omdat hij de uitvoering van de afspraken van 5 mei 2022 heeft gefrustreerd. Volgens [eiser] heeft [gedaagden] niet alleen nagelaten de overeenkomst uit te voeren, maar heeft hij actief het omgekeerde bewerkstelligd. Op grond van artikel 6:2 lid 2 BW dient de praktische betalingsafspraak (via [naam 5] en uit de verkoopopbrengst) volgens hem buiten toepassing te blijven omdat de toepassing daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. [eiser] doet in dit kader verder een beroep op artikel 6:23 (beletten van vervullen van de voorwaarde) en artikel 6:74 BW (frustratie van uitvoering van de overeenkomst en daarmee een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst).
Artikel 6:2 lid 2 BW: beperkende werking redelijkheid en billijkheid?
[eiser] voert ten eerste aan dat [gedaagden] zich aanvankelijk weliswaar heeft gehouden aan zijn verplichting om een betalingsinstructie aan [naam 5] te geven, maar dat hij deze instructie vervolgens weer heeft herroepen. Dat leidt volgens hem tot de conclusie dat [gedaagden] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep meer toekomt op de overeengekomen bepaling dat het door hem aan [eiser] verschuldigde bedrag uitsluitend via de verkoopopbrengst zou worden betaald. Volgens [eiser] is het gevolg daarvan dat een zelfstandige betalingsverplichting op [gedaagden] rust.
Anders dan [eiser] betoogt, kan naar het oordeel van de rechtbank uit de e-mail van [gedaagden] van 16 januari 2023 aan [naam 5] – volgens [eiser] een side letter – niet worden afgeleid dat hij daarmee de betalingsinstructie, die hij op 5 mei 2022 en op 14 januari 2023 (opnieuw) aan [naam 5] heeft gegeven, heeft willen frustreren door deze opdracht te herroepen. Een herroeping kan niet in de tekst van de betreffende e-mail worden gelezen. [gedaagden] schrijft daarin dat hij om bewijstechnische redenen bevestigt dat hij zijn toezegging jegens [eiser] al op 5 mei 2022 heeft vervuld. Daarnaast benoemt hij in de e-mail dat [naam 5] aan [gedaagden] verschillende redenen heeft genoemd die volgens [naam 5] aan betaling van [eiser] in de weg staan. [gedaagden] heeft in deze procedure toegelicht dat hij met deze e-mail wilde vastleggen dat het (eventuele) beletsel voor de uitvoering van de toezegging van 5 mei 2022 niet bij [gedaagden] lag maar in Turkije. [eiser] heeft zijn standpunt vervolgens niet verder onderbouwd. Gelet op het voorgaande kan niet worden gevolgd dat [gedaagden] de betalingsinstructie heeft herroepen. Dat volgt niet uit de e-mail van 16 januari 2023 en van een herroeping van de betalingsinstructie is ook voor het overige onvoldoende gebleken. Dat betekent dat er geen aanleiding bestaat om een deel van de contractuele bepalingen buiten beschouwing te laten.
[eiser] voert verder aan dat [gedaagden] in de e-mail van 5 mei 2022 door de wijze van formuleren verwachtingen heeft gewekt en de verplichtingen die uit deze verwachtingen voortvloeien niet heeft waargemaakt. Dat dient voor zijn risico te blijven, in die zin dat de deelafspraak omtrent de betaalwijze (via [naam 5], uit de verkoopopbrengst) buiten toepassing moet blijven en dat [gedaagden] het verschuldigde rechtstreeks voldoet. De rechtbank verwijst naar haar overwegingen met betrekking tot de uitleg van de overeenkomst (5.12) en overweegt dat niet is gebleken dat [gedaagden] gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt die hij in strijd met de overeenkomst niet is nagekomen. [eiser] wist dat [naam 5] zelf een rol had in het geheel en heeft de rechtstreekse bevestiging van [naam 5] van de afspraken als relevant meegewogen bij zijn beslissing om af te zien van het maken van bezwaar tegen de veilinguitkomst.
Het beroep op artikel 6:2 lid 2 BW wordt verworpen.
Artikel 6:23 BW: heeft [gedaagden] het vervullen van de betalingsvoorwaarde belet?
Uit hetgeen hiervoor in r.o. 5.6 is overwogen volgt dat de overeengekomen betaling aan [eiser] afhankelijk is van het realiseren van voldoende opbrengst. [eiser] stelt dat [gedaagden] de vervulling van deze voorwaarde heeft belet en dat redelijkheid en billijkheid verlangen dat deze voorwaarde als vervuld dient te worden beschouwd. [eiser] onderbouwt dit standpunt door te verwijzen naar de gestelde herroeping van de betalingsinstructie en het verwijt dat [gedaagden] nauwelijks enige concrete informatie over de stand van zaken verstrekt, waartoe hij op grond van artikel 6:248 BW wel gehouden is, aldus [eiser]. Verder betoogt [eiser] dat [gedaagden] de controle over het proces en de opbrengsten heeft verloren.
De rechtbank overweegt ten eerste dat van het herroepen van de betalingsinstructie niet is gebleken (zie hiervoor r.o. 5.19), zodat hierin geen grond kan worden gevonden voor toepassing van artikel 6:23 BW.
[eiser] heeft daarnaast aangevoerd dat [gedaagden] op grond van artikel 6:248 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gehouden is om concrete informatie over de stand van zaken te verstrekken. Doordat [gedaagden] dit nalaat, verhindert hij volgens [eiser] de vervulling van de voorwaarde.
De rechtbank overweegt dat de tekst van de overeenkomst weliswaar niet bepaalt dat [gedaagden] informatie moet verstrekken, maar dat de aard van de overeenkomst wel meebrengt dat [eiser] recht heeft op informatie over de verkoop van de percelen, en ook over de opbrengsten en de kosten daarvan. Uit die overeenkomst blijkt immers dat [gedaagden] het procesteam heeft willen binden om onder voorwaarden een betaling uit de verkoopopbrengst te doen. [eiser] heeft belang bij informatie over de verkopen omdat hij anders zijn rechten uit overeenkomst niet kan bewaken. Dit betekent dat [gedaagden] een inspanningsverplichting heeft om, voor zover dat mogelijk is en binnen zijn invloedsfeer ligt, [eiser] zo goed mogelijk te informeren over de ontwikkelingen ten aanzien van de verkoop van de Apollo-percelen. In deze zaak is onvoldoende gebleken dat [gedaagden] daarin tekortgeschoten is. [eiser] heeft immers niet concreet gemaakt welke relevante informatie [gedaagden], waarover hij beschikte of had kunnen beschikken, aan [eiser] had moeten verstrekken. Daardoor is niet voldoende gesteld en evenmin is gebleken dat [gedaagden] bewust relevante informatie heeft achtergehouden met het doel de vervulling van de voorwaarde te beletten.
Bovendien is vooralsnog onvoldoende gebleken dat er ten aanzien van de Apollo-gronden een verkoopprijs is gerealiseerd die boven € 2 miljoen ligt is. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. [eiser] stelt dat de betalingsvoorwaarde is vervuld. Hij heeft gereconstrueerd dat de totale opbrengst voor alle percelen tenminste € 4.208.639,23 p.m. bedraagt. Dit blijkt uit het door hem als productie 71 overgelegde overzicht. Daaruit volgt ook dat de verkoop van de grondstukken van Apollo Side/Apollo Invest € 90.038,31 (perceel 123.1), € 1.950.000 (percelen 126.2, 214.1, 214.2 en 123.2) en € 1.500.000 (perceel 124) heeft opgeleverd. Ten aanzien van de percelen 123.1 en 126.2 stelt [eiser] dat door de koper in ieder geval het bedrag van € 910.325 (valutakoers 2 mei 2023) is betaald en dat dit bedrag als betaalde opbrengst zich in de executiekas bevindt. Hij verwijst daarbij naar productie 66. Volgens [eiser] levert dit bewijs op dat de Apollo-verkoopopbrengst (tot nu toe) minimaal € 2.410.325 (€ 1.500.000 + € 910.325) is, zodat de drempel met minstens € 410.325 is overschreden en [eiser] dus (volledig) betaald dient te worden.
[gedaagden] betwist dat tot op heden de opbrengst voldoende is geweest om de aanspraak van [eiser] te voldoen en dat dus niet aan de betalingsvoorwaarde is voldaan. Volgens [gedaagden] zijn de door [eiser] aangehaalde overeenkomsten van 2 mei 2023 en 12 april 2023 niet uitgevoerd. Daarbij wijst hij erop dat [gedaagden] niet betrokken was bij zowel de totstandkoming als de uitvoering van deze overeenkomsten, terwijl [gedaagden] ook niet wist dat hij en [eiser] daarin zijn genoemd.
De rechtbank stelt vast dat [gedaagden] ter zitting heeft erkend dat perceel 124 op 14 augustus 2022 is verkocht voor het bedrag van € 1.500.000. Volgens [gedaagden] heeft [naam 5] hiervan een bedrag van € 680.000 aan hem overgemaakt en heeft hij dit bedrag onder aftrek van proceskosten doorbetaald aan zijn cliënten (financiers van Apollo). Onduidelijk is verder wat de status is van het door [eiser] als productie 66 overgelegde “Vrede- en vrijwaringsprotocol” van 2 mei 2023 tussen [naam 7] en [naam 5] enerzijds en [naam 14] en [naam 10] anderzijds, dat kennelijk ziet op de verkoop van percelen 126.2, 214.1, 214.2 en 123.2, en de “Wederzijdse vrede- en vrijwaringsprotocol” van 12 april 2023 tussen dezelfde partijen. Deze (schikkings-)overeenkomsten zijn niet ondertekend en [gedaagden] heeft aangegeven dat deze ook niet tot uitvoering zijn gekomen. [eiser] heeft zijn standpunt vervolgens niet nader kunnen toelichten. Daar komt bij dat alleen de netto-opbrengst relevant is en niet dat [naam 5] over de veilinggelden beschikte. Al met al heeft [eiser] na de betwisting onvoldoende nader onderbouwd dat is voldaan aan de voorwaarde dat de netto-opbrengst van de verkoop van de grondstukken van Apollo Side en Apollo Invest minimaal € 2.000.000 is.
[eiser] heeft ter zitting nog aangevoerd dat [gedaagden] heeft bewerkstelligd dat hij de controle over het proces en de opbrengsten is verloren en dat [naam 5] buiten spel is gezet door het inhuren van een andere advocaat in Turkije, waardoor de voorwaarde niet meer kan worden vervuld. [gedaagden] heeft dit betwist en aangevoerd dat hij geen enkel belang had en heeft bij het beletten van een voorwaarde en ook niet de macht had en heeft om dat te doen. Het inhuren van een andere advocaat, mr. Coşkun is gebeurd door de cliënten van [gedaagden]. [gedaagden] heeft de basisvolmacht slechts ondertekend, zodat hij namens zijn cliënten met Coşkun kon communiceren, aldus [gedaagden].
De rechtbank stelt vast dat de projecten waarbij partijen betrokken zijn geweest niet hebben opgeleverd wat de deelnemers en de overige betrokkenen daarvan hadden verwacht. Dat [gedaagden] de controle is kwijtgeraakt acht de rechtbank ook aannemelijk. Dat betekent echter niet dat [gedaagden] daarvan een zodanig concreet verwijt jegens [eiser] kan worden gemaakt dat dit er toe zou moeten leiden dat [gedaagden] zelf aansprakelijk wordt voor betaling. In ieder geval is niet gebleken dat hij het verlies aan controle zelf zou hebben bewerkstelligd. [eiser] heeft daarvoor ook geen aanwijzingen naar voren gebracht. De stelling dat [gedaagden] in 2023 een andere advocaat in de arm heeft genomen met de bedoeling om [naam 5] buiten spel te zetten waardoor de overeenkomst niet meer uitvoerbaar is, is onvoldoende onderbouwd. [eiser] heeft de toelichting van [gedaagden], dat hij niet zelf maar zijn cliënten een andere advocaat hebben ingeschakeld, ook niet gemotiveerd weersproken. Maar los daarvan, is de gestelde cliënt-advocaatrelatie niet relevant voor de beoordeling van het onderhavige geschil. De grondslag van de afspraken tussen [gedaagden] en [naam 5] wordt immers gevormd door de afspraken binnen het proces-team. Niet in geschil is immers dat op 5 mei 2022 overeengekomen is dat het bedrag van € 235.000 in mindering zal worden gebracht op de fee van het proces-team. De verplichting tot betaling uit de verkoopopbrengst staat derhalve los van de vraag of [naam 5] nu wel of geen advocaat is van [gedaagden]. Uit de stellingen van [eiser] maakt de rechtbank verder op dat de voorwaarde in de visie van [eiser] zowel bestaat uit de betaling uit de opbrengst, de betaling door [naam 5], als de afhankelijkheid van de netto-opbrengst. Dat deze elementen van de afspraken allemaal als voorwaarden hebben te gelden waar artikel 6:23 BW op ziet, heeft [eiser] onvoldoende over het voetlicht kunnen brengen. Evenmin is gebleken van omstandigheden op grond waarvan de redelijkheid en billijkheid verlangen dat de voorwaarde(n) als vervuld hebben te gelden. Al met al ziet de rechtbank geen aanleiding om op grond van artikel 6:23 BW [gedaagden] te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 235.000. Het beroep op artikel 6:23 BW faalt.
Artikel 6:74 BW: tekortkoming in de nakoming?
[eiser] voert tot slot aan dat [gedaagden] de overeenkomst niet is nagekomen en dat hij de schade die daarvan het gevolg is moet betalen. De gestelde wanprestatie bestaat volgens [eiser] uit het herroepen van de betalingsinstructie, het niet informeren van [eiser], het verspreiden van lasterlijke berichten en het niet nakomen van de gewekte verwachtingen.
De rechtbank stelt voorop dat [gedaagden] op 5 mei 2022 de betalingsinstructie aan [naam 5] heeft gegeven en in zoverre aan zijn verplichtingen uit overeenkomst heeft voldaan. De hiervoor genoemde verwijten zijn voor het grootste deel in het voorgaande al verworpen, zodat deze geen bespreking meer behoeven. Ten aanzien van het gestelde verspreiden van lasterlijke berichten heeft [eiser] nagelaten zijn stellingen te onderbouwen met concrete feiten en omstandigheden, zodat hij op dit onderdeel niet aan zijn stelplicht heeft voldaan.
Proceskosten
De vorderingen zullen worden afgewezen. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht
€
6.861,00
- salaris advocaat
€
5.770,00
(2 punten × € 2.885,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
12.820,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6. De beslissing
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 12.820,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald
verklaart 6.2 en 6.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026. (PvdS)