ECLI:NL:RBOVE:2026:1617

ECLI:NL:RBOVE:2026:1617

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 26-03-2026
Datum publicatie 27-03-2026
Zaaknummer 84/356039-24 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk en het betalen van een schadevergoeding van € 120.000,- De verdachte is schuldig bevonden aan medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 84/356039-24 (P)

Datum vonnis: 26 maart 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1957 in [geboorteplaats],

wonende aan [woonplaats].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 maart 2026.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door de raadsman van verdachte mr. P. van de Kerkhof, advocaat in Tilburg, naar voren is gebracht. Verdachte is niet ter zitting verschenen.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat namens de benadeelde partij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland door [naam 1] is aangevoerd.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 5 september 2020 tot en met 31 maart 2021 samen met anderen of alleen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse en/of vervalste TVL-aanvragen en (kopieën van) aangiften omzetbelasting door deze te verstrekken aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (primair), dan wel hieraan medeplichtig is geweest (subsidiair).

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 september 2020 tot

en met 31 maart 2021, in de gemeente [plaats 1], en/of in de gemeente [plaats 2],

en/of in de gemeente [plaats 3], in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/of alleen,

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van 28, althans één of meer, vals(e) of vervalst(e)

geschrift(en), zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot

bewijs van enig feit te dienen, als ware het/deze echt en onvervalst, te weten:

- een TVL-aanvraag over het tweede kwartaal en derde kwartaal 2020 (TVL00030770)

(DOC-163), en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal 2019 (DOC-163-01),

en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal 2019 (DOC-163-02),

en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting voer het derde kwartaal 2020 (DOC-163-03),

en/of

- een TVL-aanvraag over het vierde kwartaal 2020 (TVL-Q4-202000081143)

(DOC-166), en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal 2019 (DOC-166-01),

en/of

- een TVL-aanvraag over het vierde kwartaal 2020 (TVL-Q4-202000002993)

(DOC_168), en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal 2019 (DOC-168-01),

en/of

- een TVL-aanvraag over het eerste kwartaal 2021 (TVL-Q1-202100083931)

(DOC-170), en/of

- een (kopie) suppletie omzetbelasting over het tweede kwartaal 2019 (DOC-170-01),

ten name van [bedrijf 1] B.V., en/of

- een TVL-aanvraag over het tweede en derde kwartaal 2020 (TVL00030768)

(DOC-176), en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal 2019 (DOC-176-01),

en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal 2019 (DOC-176-02),

en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal 2020 (DOC-176-03),

en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal 2020 (DOC-176-04),

en/of

- een TVL-aanvraag over het vierde kwartaal 2020 (TVL-Q4-202000003060)

(DOC-179), en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal 2019 (DOC-179-01),

en/of

- een TVL-aanvraag over het eerste kwartaal 2021 (TVL-Q1-202100084331)

(DOC-181), en/of

- een (kopie) suppletie omzetbelasting over het derde kwartaal 2019 (DOC-181-01),

ten name van [bedrijf 2] B.V., en/of [bedrijf 3]

B.V., en/of [bedrijf 4] B.V., en/of

- een TVL-aanvraag over het tweede en derde kwartaal 2020 (TVL00032682)

(DOC-172), en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal 2019 (DOC-172-01),

en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal 2019 (DOC-172-02),

en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal 2020 (DOC-172-03),

en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal 2020 (DOC-172-04),

en/of

- een TVL-aanvraag over het vierde kwartaal 2020 (TVL-Q4-202000084385)

(DOC-227), en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal 2019 (DOC-227-01),

en/of

- een TVL-aanvraag over het eerste kwartaal 2021 (TVL-Q1-202100084042)

(DOC-184), en/of

- een (kopie) suppletie omzetbelasting over het derde kwartaal 2019 (DOC-184-01),

ten name van [bedrijf 4] B.V., en/of [bedrijf 4] B.V.,

bestaande die vervalsing en/of die valsheid hierin dat in de hiervoor genoemde

TVL-aanvra(a)g(en) en/of (kopie) suppletie(s) omzetbelasting en/of (kopie)

aangifte(n) omzetbelasting, een onjuiste referentieomzet en/of gerealiseerde omzet

is aangegeven en/of vermeld,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), de

hiervoor genoemde de hiervoor genoemde TVL-aanvra(a)g(en) en/of (kopie)

suppletie(s) omzetbelasting en/of (kopie) aangifte(n) omzetbelasting (telkens) aan

de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ten behoeve van een aanvraag voor

financiële ondersteuning in het kader van de regeling Tegemoetkoming Vaste

Lasten heeft/hebben verzonden en/of verstrekt;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

dat (een) ander(en), op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5

september 2020 tot en met 31 maart 2021, in de gemeente [plaats 2], en/of in

de gemeente [plaats 3], in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/of alleen,

opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt van 28, althans één of meer, vals(e) of

vervalst(e) geschrift(en), zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd

was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware het/deze echt en

onvervalst, te weten:

- een TVL-aanvraag over het tweede kwartaal en derde kwartaal 2020 (TVL00030770)

(DOC-163), en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal 2019 (DOC-163-01),

en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal 2019 (DOC-163-02),

en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting voer het derde kwartaal 2020 (DOC-163-03),

en/of

- een TVL-aanvraag over het vierde kwartaal 2020 (TVL-Q4-202000081143)

(DOC-166), en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal 2019 (DOC-166-01),

en/of

- een TVL-aanvraag over het vierde kwartaal 2020 (TVL-Q4-202000002993)

(DOC_168), en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal 2019 (DOC-168-01),

en/of

- een TVL-aanvraag over het eerste kwartaal 2021 (TVL-Q1-202100083931)

(DOC-170), en/of

- een (kopie) suppletie omzetbelasting over het tweede kwartaal 2019 (DOC-170-01),

ten name van [bedrijf 1] B.V., en/of

- een TVL-aanvraag over het tweede en derde kwartaal 2020 (TVL00030768)

(DOC-176), en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal 2019 (DOC-176-01),

en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal 2019 (DOC-176-02),

en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal 2020 (DOC-176-03),

en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal 2020 (DOC-176-04),

en/of

- een TVL-aanvraag over het vierde kwartaal 2020 (TVL-Q4-202000003060)

(DOC-179), en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal 2019 (DOC-179-01),

en/of

- een TVL-aanvraag over het eerste kwartaal 2021 (TVL-Q1-202100084331)

(DOC-181), en/of

- een (kopie) suppletie omzetbelasting over het derde kwartaal 2019 (DOC-181-01),

ten name van [bedrijf 2] B.V., en/of [bedrijf 3]

B.V., en/of [bedrijf 4] B.V., en/of

- een TVL-aanvraag over het tweede en derde kwartaal 2020 (TVL00032682)

(DOC-172), en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal 2019 (DOC-172-01),

en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal 2019 (DOC-172-02),

en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal 2020 (DOC-172-03),

en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal 2020 (DOC-172-04),

en/of

- een TVL-aanvraag over het vierde kwartaal 2020 (TVL-Q4-202000084385)

(DOC-227), en/of

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal 2019 (DOC-227-01),

en/of

- een TVL-aanvraag over het eerste kwartaal 2021 (TVL-Q1-202100084042)

(DOC-184), en/of

- een (kopie) suppletie omzetbelasting over het derde kwartaal 2019 (DOC-184-01),

ten name van [bedrijf 4] B.V., en/of [bedrijf 4] B.V.,

bestaande die vervalsing en/of die valsheid hierin dat in de hiervoor genoemde

TVL-aanvra(a)g(en) en/of (kopie) suppletie(s) omzetbelasting en/of (kopie)

aangifte(n) omzetbelasting een onjuiste referentieomzet en/of gerealiseerde omzet

is aangegeven en/of vermeld,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat (een) ander(en), en/of zijn/hun

mededader(s), de hiervoor genoemde TVL-aanvra(a)g(en) en/of (kopie) suppletie(s)

omzetbelasting en/of (kopie) aangifte(n) omzetbelasting (telkens) aan de

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ten behoeve van een aanvraag voor

financiële ondersteuning in het kader van de regeling Tegemoetkoming Vaste

Lasten heeft/hebben verzonden en/of verstrekt,

bij/tot het plegen van welke misdrijven hij, verdachte, op één of meer tijdstippen in

of omstreeks de periode van 5 september 2020 tot en met 31 maart 2021, in de

gemeente [plaats 1], in elk geval in Nederland,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of

inlichtingen heeft verschaft door ten behoeve van één of meer TVL-aanvragen en/of

één of meer (kopie) aangifte(n) omzetbelasting, drie bedrijven, bankrekeningen

en/of eHerkenning- en/of DigiD-gegevens beschikbaar te stellen en/of te delen.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsmotivering

Inleiding

In het voorjaar van 2020 kreeg Nederland te maken met een coronacrisis. Ondernemers, werkenden en bedrijven werden als gevolg daarvan geconfronteerd met maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van het coronavirus (COVID-19). Deze maatregelen hadden veelal een negatief effect op de omzet en daarmee op het bedrijfsresultaat van ondernemingen. Om de gedupeerden onder hen te helpen, heeft de overheid verschillende steunmaatregelen aangeboden, waaronder financiële ondersteuning op grond van de regeling Tegemoetkoming Vaste Lasten (verder: TVL). De TVL kon onder bepaalde voorwaarden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (verder: de RVO) worden aangevraagd. Eén van die voorwaarden betrof een omzetverlies van dertig procent als gevolg van de genomen coronamaatregelen. In dat kader diende de aanvrager de referentieomzet op te geven, zijnde de omzet over hetzelfde tijdvak in het voorafgaande jaar, en deze te onderbouwen met kopieën van aangiften omzetbelasting zoals deze door de onderneming waren ingediend bij de Belastingdienst.

De strafzaak tegen verdachte maakt deel uit van een omvangrijk strafrechtelijk onderzoek dat bekend staat onder de naam “Brescia”. De kern van dit onderzoek is dat door verschillende ondernemingen TVL-aanvragen bij de RVO zijn ingediend, waarbij ter onderbouwing van deze aanvragen en het aantonen van de omzetderving gebruik zou zijn gemaakt van valse of vervalste geschriften. In dat verband worden twee personen (medeverdachten) ervan verdacht voor diverse ondernemingen TVL-aanvragen te hebben opgesteld en ingediend. Volgens het onderzoek zouden zij ondernemers, waaronder verdachte, hebben benaderd met het voorstel om namens hun onderneming(en) een TVL-aanvraag in te dienen, waarna zij de aanvragen hebben opgemaakt en ingediend.

Op 8 april 2021 heeft de RVO een verzamelaangifte van valsheid in geschrifte gedaan tegen 32 ondernemingen die bij de RVO TVL-aanvragen hebben ingediend. Uit deze aangifte volgt dat onder meer door de ondernemingen [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 4] B.V. in totaal tien TVL-aanvragen zijn ingediend die betrekking hadden op het tweede, derde en vierde kwartaal van 2020 en het eerste kwartaal van 2021. Uit onderzoek van de RVO kwam naar voren dat ter onderbouwing van die TVL-aanvragen kopieën van (suppletie)aangiften omzetbelasting zijn overgelegd waarin een hogere referentieomzet werd vermeld dan was opgegeven in de oorspronkelijke aangiften omzetbelasting zoals ingediend bij de Belastingdienst.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Daartoe is het volgende – verkort weergegeven – aangevoerd.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als medepleger gebruik heeft gemaakt van de valse geschriften. Verdachte heeft geen materiële en/of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht aan het ten laste gelegde feit geleverd, zodat van een nauwe en bewuste samenwerking geen sprake is.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het gebruik maken van valse geschriften. Van het vereiste dubbel opzet is volgens de raadsman geen sprake. Weliswaar kan worden vastgesteld dat verdachte zijn inloggegevens aan een ander heeft verstrekt, maar niet is bewezen dat verdachte wist dat bij de TVL-aanvragen gebruik zou worden gemaakt van de valse geschriften die bij de RVO zijn ingediend.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op basis van het dossier en van hetgeen ter terechtzitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.

De redengevende feiten en omstandigheden

Uit uittreksels uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt het volgende.

[bedrijf 1] B.V. is opgericht op 6 maart 2019 en was gevestigd op het adres [adres] in [plaats 1]. De bedrijfsactiviteiten bestonden uit “hotel-restaurants” en “cafés”. Vanaf 18 mei 2021 was [bedrijf 5] B.V. bestuurder en enig aandeelhouder. Op 11 mei 2022 is door de Kamer van Koophandel geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 1 mei 2022.

[bedrijf 2] B.V. is opgericht op 6 maart 2019 en was gevestigd op het adres [adres] in [plaats 1]. De bedrijfsactiviteiten bestonden uit “holding, beheermaatschappij”. Vanaf 18 mei 2021 was [bedrijf 5] B.V. bestuurder en enig aandeelhouder. Op 2 januari 2023 is door de Kamer van Koophandel geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 31 december 2022.

[bedrijf 4] B.V. is opgericht op 7 mei 2019 en was gevestigd op het adres [adres] in [plaats 1]. De bedrijfsactiviteiten bestonden uit “holding”. Vanaf 11 november 2021 was [bedrijf 5] B.V. bestuurder en enig aandeelhouder. Op 2 januari 2023 is door de Kamer van Koophandel geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 31 december 2022.

[bedrijf 5] B.V. is opgericht op 28 juni 2012. De bedrijfsactiviteiten bestonden uit “advisering op het gebied van management en bedrijfsvoering” en “organisatie-adviesbureau”. De bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 5] B.V. was verdachte.

4.4.1.1 [bedrijf 1] B.V.

4.4.1.1.1 TVL-aanvraag TVL00030770

Op 5 september 2020 is namens [bedrijf 1] B.V. bij de RVO een TVL-aanvraag ingediend, geregistreerd onder nummer TVL00030770, betreffende het tweede en derde kwartaal van 2020. In de aanvraag is als referentieomzet opgegeven dat [bedrijf 1] B.V. in het tweede kwartaal van 2019 een omzet van € 302.646,-- had gerealiseerd en in het derde kwartaal van 2019 een omzet van € 298.421,--. Ter onderbouwing van deze referentieomzet zijn kopieën van aangiften omzetbelasting over het tweede en derde kwartaal van 2019, alsmede het derde kwartaal van 2020, als bijlagen bij de aanvraag gevoegd. Op de meegezonden kopie aangifte omzetbelasting van het derde kwartaal van 2020 staat een omzet van € 35.691,-- vermeld. Op de TVL-aanvraag is vermeld dat deze naar waarheid is ingevuld.

Op 7 september 2020 heeft de RVO aan [bedrijf 1] B.V. bericht dat de aanvraag was beoordeeld en goedgekeurd. Daarbij is een voorschot van € 40.000,-- toegekend, welk bedrag is overgemaakt op het in de aanvraag opgegeven bankrekeningnummer met [rekeningnummer 1]. Uit onderzoek van de FIOD naar de bankmutaties over de periode van 1 april 2019 tot en met 31 maart 2021 blijkt dat op 9 september 2020 een bedrag van € 40.000,--, afkomstig van de RVO, is bijgeschreven op voornoemde rekening, onder vermelding van “TVL00030770”.

Op 6 februari 2024 heeft de FIOD van de Belastingdienst een ambtsedige verklaring omzetbelasting ontvangen over de periode van het tweede kwartaal 2019 tot en met het vierde kwartaal van 2020 ten name van [bedrijf 1] B.V. Uit deze verklaring volgt dat over het tweede en derde kwartaal van 2019 en het derde kwartaal van 2020 bij de Belastingdienst een omzet van € 0,-- is aangegeven.

4.4.1.1.2 TVL-aanvraag TVL-Q4-202000002993

Op 25 november 2020 is namens [bedrijf 1] B.V. bij de RVO een TVL-aanvraag ingediend, geregistreerd onder nummer TVL-Q4-202000002993, betreffende het vierde kwartaal van 2020. In de aanvraag is als referentieomzet opgegeven dat [bedrijf 1] B.V. in het vierde kwartaal van 2019 een omzet van € 441.947,-- had gerealiseerd. Ter onderbouwing van deze referentieomzet is een kopie van de aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2019 als bijlage bij de aanvraag gevoegd. Op de TVL-aanvraag is vermeld dat deze naar waarheid is ingevuld.

Op 15 december 2020 heeft de RVO aan [bedrijf 1] B.V. bericht dat de aanvraag niet zal worden beoordeeld aangezien deze op diezelfde datum is ingetrokken.

Uit de hiervoor genoemde ambtsedige verklaring omzetbelasting volgt dat [bedrijf 1] B.V. over het vierde kwartaal van 2019 in de bij de Belastingdienst ingediende aangifte omzetbelasting een omzet van € 4.200,-- heeft aangegeven.

4.4.1.1.3 TVL-aanvraag TVL-Q4-202000081143

Op 27 januari 2021 is namens [bedrijf 1] B.V. bij de RVO een TVL-aanvraag ingediend, geregistreerd onder nummer TVL-Q4-202000081143, wederom betreffende het vierde kwartaal van 2020. In de aanvraag is als referentieomzet opgegeven dat [bedrijf 1] B.V. in het vierde kwartaal van 2019 een omzet van € 441.947,-- had gerealiseerd. Ter onderbouwing van deze referentieomzet is een kopie van de aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2019 als bijlage bij de aanvraag gevoegd. Op de TVL-aanvraag is vermeld dat deze naar waarheid is ingevuld.

Op 5 maart 2021 heeft de RVO aan [bedrijf 1] B.V. bericht dat de aanvraag was beoordeeld en afgewezen.

Uit de hiervoor genoemde ambtsedige verklaring omzetbelasting volgt dat [bedrijf 1] B.V. over het vierde kwartaal van 2019 in de bij de Belastingdienst ingediende aangifte omzetbelasting een omzet van € 4.200,-- heeft aangegeven.

4.4.1.1.4 TVL-aanvraag TVL-Q1-202100083931

Op 29 maart 2021 is namens [bedrijf 1] B.V. bij de RVO een TVL-aanvraag ingediend, geregistreerd onder nummer TVL-Q1-202100083931, betreffende het eerste kwartaal van 2021. In de aanvraag is als referentieomzet opgegeven dat [bedrijf 1] B.V. in het tweede kwartaal van 2019 een omzet van € 412.459,-- had gerealiseerd. Ter onderbouwing van deze referentieomzet is een kopie van de suppletie aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2019 als bijlage bij de aanvraag gevoegd. Op de TVL-aanvraag is vermeld dat deze naar waarheid is ingevuld.

Op 13 mei 2021 heeft de RVO aan [bedrijf 1] B.V. bericht dat de aanvraag niet door de automatische controle is gekomen en zal worden afgewezen.

Uit de hiervoor genoemde ambtsedige verklaring omzetbelasting volgt dat [bedrijf 1] B.V. over het tweede kwartaal van 2019 in de bij de Belastingdienst ingediende aangifte omzetbelasting een omzet van € 0,-- heeft aangegeven.

4.4.1.2 [bedrijf 2] B.V.

4.4.1.2.1 TVL-aanvraag TVL00030768

Op 5 september 2020 is namens [bedrijf 2] B.V. bij de RVO een TVL-aanvraag ingediend, geregistreerd onder nummer TVL00030768, betreffende het tweede en derde kwartaal van 2020. In de aanvraag is als referentieomzet opgegeven dat [bedrijf 2] B.V. in het tweede kwartaal van 2019 een omzet van € 1.456.656,-- had gerealiseerd en in het derde kwartaal van 2019 een omzet van € 1.588.212,--. Ter onderbouwing van deze referentieomzet zijn kopieën van de aangiften omzetbelasting over het tweede en derde kwartaal van 2019, alsmede het tweede en derde kwartaal van 2020, als bijlagen bij de aanvraag gevoegd. Op de kopieën van de aangiften omzetbelasting over het tweede en derde kwartaal van 2020 zijn omzetten van € 8.741,-- en € 3.500,-- vermeld. Op de TVL-aanvraag is vermeld dat deze naar waarheid is ingevuld.

Op 7 september 2020 heeft de RVO aan [bedrijf 2] B.V. bericht dat de aanvraag was beoordeeld en goedgekeurd. Daarbij is een voorschot van € 40.000,-- toegekend, welk bedrag is overgemaakt op het in de aanvraag opgegeven bankrekeningnummer met [rekeningnummer 2]. Uit onderzoek van de FIOD naar de bankmutaties over de periode van 1 april 2019 tot en met 31 maart 2021 blijkt dat op 9 september 2020 een bedrag van € 40.000,00 van de RVO is bijgeschreven op voornoemde rekening, onder vermelding van “TVL00030768”.

Op 24 januari 2024 heeft de FIOD van de Belastingdienst een ambtsedige verklaring omzetbelasting ontvangen over de periode van het tweede kwartaal van 2019 tot en met het vierde kwartaal van 2019 en het tweede kwartaal van 2020 tot en met het vierde kwartaal van 2020 ten name van [bedrijf 2] B.V. Uit deze verklaring volgt dat over het tweede kwartaal van 2019 bij de Belastingdienst een omzet van € 0,-- is aangegeven. De omzet over het derde kwartaal van 2019 betrof € 800,--. De omzet over het tweede kwartaal van 2020 betrof € 2.320,-- en de omzet over het derde kwartaal van 2020 € 3.240,-.

4.4.1.2.2 TVL-aanvraag TVL-Q4-202000003060

Op 25 november 2020 is namens [bedrijf 2] B.V. bij de RVO een TVL-aanvraag ingediend, geregistreerd onder nummer TVL-Q4-202000003060, betreffende het vierde kwartaal van 2020. In de aanvraag is als referentieomzet opgegeven dat [bedrijf 2] B.V. in het vierde kwartaal van 2019 een omzet van

€ 681.137,-- had gerealiseerd. Ter onderbouwing van deze referentieomzet is een kopie van de aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2019 als bijlage bij de aanvraag gevoegd. Op de TVL-aanvraag is vermeld dat deze naar waarheid is ingevuld.

Op 5 januari 2021 heeft de RVO aan [bedrijf 2] B.V. bericht dat de aanvraag was beoordeeld en afgewezen.

Uit de hiervoor genoemde ambtsedige verklaring omzetbelasting volgt dat [bedrijf 2] B.V. over het vierde kwartaal van 2019 in de bij de Belastingdienst ingediende aangifte omzetbelasting een omzet van € 4.270,-- heeft aangegeven.

4.4.1.2.3 TVL-aanvraag TVL-Q1-202100084331

Op 30 maart 2021 is namens [bedrijf 2] B.V. bij de RVO een TVL-aanvraag ingediend, geregistreerd onder nummer TVL-Q1-202100084331, betreffende het eerste kwartaal van 2021. In de aanvraag is als referentieomzet opgegeven dat [bedrijf 2] B.V. in het tweede kwartaal van 2019 een omzet van € 693.969,-- had gerealiseerd. Ter onderbouwing van deze referentieomzet is een kopie van de suppletie aangifte omzetbelasting van [bedrijf 4] B.V. over het derde kwartaal van 2019 als bijlage bij de aanvraag gevoegd. Op de TVL-aanvraag is vermeld dat deze naar waarheid is ingevuld.

Op 15 juni 2021 heeft de RVO aan [bedrijf 2] B.V. bericht dat de aanvraag was beoordeeld en afgewezen.

Uit de hiervoor genoemde ambtsedige verklaring omzetbelasting volgt dat [bedrijf 2] B.V. over het tweede kwartaal van 2019 bij de Belastingdienst een omzet van € 0,-- heeft aangegeven. De omzet over het derde kwartaal van 2019 betrof € 800,--. De omzet over het derde kwartaal van 2019 van [bedrijf 4] B.V. betrof € 0,--.

4.4.1.3 [bedrijf 4] B.V.

4.4.1.3.1 TVL-aanvraag TVL00032682

Op 16 september 2020 is namens [bedrijf 4] B.V. bij de RVO een TVL-aanvraag ingediend, geregistreerd onder nummer TVL00032682, betreffende het tweede en derde kwartaal van 2020. In de aanvraag is als referentieomzet het volgende opgegeven:

omzet juni 2019 na inschrijving: € 128.965,--;

omzet juli 2019 na inschrijving: € 116.680,--;

omzet augustus 2019 na inschrijving: € 129.847,--

omzet september 2019 na inschrijving: € 58.716,--.

Ter onderbouwing van de referentieomzet zijn kopieën van de aangiften omzetbelasting over het tweede en derde kwartaal van 2019, alsmede het tweede en derde kwartaal van 2020, als bijlagen bij de aanvraag gevoegd. Op de kopie van de aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2020 staat een omzet van € 12.632,-- vermeld. Op de kopie van de aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal van 2020 staat een omzet van € 16.593,-- vermeld. Op de TVL- aanvraag is vermeld dat deze naar waarheid is ingevuld.

Op 25 september 2020 heeft de RVO aan [bedrijf 4] B.V. bericht dat de aanvraag was beoordeeld en goedgekeurd. Daarbij is een voorschot van € 40.000,-- toegekend, welk bedrag is overgemaakt op het in de aanvraag opgegeven bankrekeningnummer met [rekeningnummer 1]. Uit onderzoek van de FIOD naar de bankmutaties over de periode van 1 april 2019 tot en met 31 maart 2021 blijkt dat op 29 september 2020 een bedrag van € 40.000,--, afkomstig van de RVO, is bijgeschreven op voornoemde rekening, onder vermelding van “TVL00032682”.

Op 6 februari 2024 heeft de FIOD van de Belastingdienst een ambtsedige verklaring omzetbelasting ontvangen over de periode van het tweede kwartaal van 2019 tot en met het derde kwartaal van 2020 ten name van [bedrijf 4] B.V. Uit deze verklaring volgt dat over het tweede en het derde kwartaal van 2019 en het tweede en derde kwartaal van 2020 bij de Belastingdienst een omzet van € 0,-- is aangegeven.

4.4.1.3.2 TVL-aanvraag TVL-Q4-202000084385

Op 28 januari 2021 is namens [bedrijf 4] B.V. bij de RVO een TVL-aanvraag ingediend, geregistreerd onder nummer TVL-Q4-202000084385, betreffende het vierde kwartaal van 2020. In de aanvraag is als referentieomzet opgegeven dat [bedrijf 4] B.V. in het vierde kwartaal van 2019 een omzet van € 946.892,-- had gerealiseerd. Ter onderbouwing van deze referentieomzet is een kopie aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2019 als bijlage bij de aanvraag gevoegd. Op de aanvraag is vermeld dat deze naar waarheid is ingevuld.

Uit de hiervoor genoemde ambtsedige verklaring omzetbelasting volgt dat [bedrijf 4] B.V. over het vierde kwartaal van 2019 bij de Belastingdienst een omzet van

€ 3.800,-- heeft aangegeven.

4.4.1.3.3 TVL-aanvraag TVL-Q1-202100084042

Op 29 maart 2021 is namens [bedrijf 4] B.V. bij de RVO een TVL-aanvraag ingediend, geregistreerd onder nummer TVL-Q1-202100084042, betreffende het eerste kwartaal van 2021. In de aanvraag is als referentieomzet opgegeven dat [bedrijf 4] B.V. in het derde kwartaal van 2019 een omzet van € 654.909,-- had gerealiseerd. Ter onderbouwing van deze referentieomzet is een kopie van de suppletieaangifte omzetbelasting over het derde kwartaal van 2019 als bijlage bij de aanvraag gevoegd. Op de TVL-aanvraag is vermeld dat deze naar waarheid is ingevuld.

Op 17 mei 2021 heeft de RVO aan [bedrijf 4] B.V. bericht dat de aanvraag was beoordeeld en afgewezen.

Uit de hiervoor genoemde ambtsedige verklaring omzetbelasting volgt dat [bedrijf 4] B.V. over het derde kwartaal van 2019 bij de Belastingdienst een omzet van € 0,-- heeft aangegeven.

Het oordeel van de rechtbank

4.4.2.1 Valse geschriften

Gelet op het voorgaande staat vast dat op naam van [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 4] B.V. aanvragen voor financiële ondersteuning in het kader van de TVL bij de RVO zijn ingediend. Op de aanvraagformulieren is bij de ondertekening verklaard dat de gegevens naar waarheid zijn ingevuld. De rechtbank stelt vast dat de in de aanvragen vermelde referentieomzet telkens afwijkt van de omzet zoals die blijkt uit de bij de Belastingdienst ingediende aangiften omzetbelasting. Uit de ambtsedige verklaringen omzetbelasting volgt immers dat in de betreffende perioden een aanzienlijk lager, of zelfs nihil, bedrag aan omzet is opgegeven.

Verdachte heeft bij de FIOD verklaard dat de in de aanvragen vermelde omzet niet juist is. “Ik heb net verklaard dat er geen omzet was (…) Ik wou dat het waar was”, aldus verdachte.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden en het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat de TVL-aanvragen onjuiste omzetbedragen bevatten. Deze bedragen zijn vervolgens onderbouwd met kopieën van (suppletie)aangiften omzetbelasting die eveneens niet overeenkomen met de daadwerkelijk bij de Belastingdienst ingediende aangiften. De rechtbank concludeert dat zowel de bij de RVO ingediende TVL-aanvragen als de daarbij gevoegde aangiften omzetbelasting onjuiste informatie bevatten en derhalve vals zijn. In voornoemde geschriften is ten onrechte vermeld dat een veel hogere omzet was gerealiseerd dan in werkelijkheid het geval was.

4.4.2.2 Opzettelijk gebruik maken

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte gebruik heeft gemaakt van de valse geschriften als bedoeld in artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Volgens vaste jurisprudentie is hiervan sprake wanneer het geschrift daadwerkelijk wordt gebruikt ter misleiding van een ander. Verdachte moet daarbij op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet hebben gehad op het gebruik van het valse geschrift en op het valse karakter daarvan. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Verdachte heeft bij de FIOD verklaard dat hij niet degene is geweest die de TVL-aanvragen met bijlagen bij de RVO heeft ingediend. Hij heeft verklaard dat hij door [naam 2] is benaderd, die aangaf een manier te weten om subsidie te verkrijgen. Verdachte heeft daarop zijn eHerkenning-gegevens/DigiD-gegevens aan [naam 2] verstrekt, zodat die kon inloggen op de website van de RVO en de TVL-aanvragen voor [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 4] B.V. kon indienen. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij zijn bankrekeningnummer en KvK-gegevens heeft verstrekt. “Wat er maar nodig was voor het doen van de aanvraag”, aldus verdachte.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aan de RVO overgelegde valse geschriften opzettelijk gebruikt met als doel om aan te tonen dat [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 4] B.V. voldeden aan de in de TVL-regeling gestelde voorwaarde van omzetverlies, zodat zij TVL-subsidie zouden ontvangen. De bij de aanvragen gevoegde kopieën van de (suppletie)aangiften omzetbelasting dienden als bewijs voor de op de aanvraag vermelde gerealiseerde omzet van voornoemde ondernemingen. Doordat de RVO kennis heeft genomen van de valse aangiften werd haar een valse voorstelling van zaken gegeven. Door die aangiften verkeerde zij immers in de veronderstelling dat [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 4] B.V. daadwerkelijk omzetverlies hadden geleden.

Ten aanzien van de wetenschap van verdachte overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft bij de FIOD verklaard dat hij wist dat [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 4] B.V. geen recht hadden op een TVL omdat geen, dan wel nagenoeg geen, omzet was gegenereerd. Verdachte heeft desondanks zijn eHerkenning-gegevens/DigiD-gegevens zijn bankrekeningnummers en KvK-gegevens aan [naam 2] afgegeven, om daarmee TVL-aanvragen in te dienen voor [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 4] B.V.

Onder die omstandigheden kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte heeft geweten dat de TVL-aanvragen vals werden opgemaakt en heeft hij daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze aanvragen zouden worden onderbouwd met valse gegevens in de vorm van valse kopieën aangiften omzetbelasting.

4.4.2.3 Medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat medeplegen bewezen is als is komen vast te staan dat bij het begaan van een strafbaar feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook als het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Voor de beoordeling van de vraag of in deze zaak van medeplegen sprake is, neemt de rechtbank de volgende handelingen en gedragingen in overweging.

[naam 2] heeft verdachte benaderd en verteld dat hij een manier wist om subsidie te krijgen en verdachte heeft met dat plan ingestemd. Verdachte heeft vervolgens zijn eHerkenning-gegevens/DigiD-gegevens, zijn bankrekeningnummers en de KvK-gegevens van zijn ondernemingen aan [naam 2] afgegeven, terwijl hij wist dat daarmee TVL-aanvragen zouden worden ingediend waarop zijn ondernemingen geen recht hadden. Door deze gegevens te verstrekken heeft verdachte een essentiële en onmisbare bijdrage geleverd aan het indienen van valse TVL-aanvragen en het gebruik maken van de daarbij gevoegde valse geschriften. Zonder deze gegevens was het immers niet mogelijk geweest om in te loggen op de website van de RVO en de TVL-aanvragen in te dienen. Verdachte heeft telkens de door de RVO uitgekeerde bedragen op zijn rekeningen dan wel die van zijn bedrijven ontvangen. Hij heeft hiermee telkens [naam 2] betaald, rekeningen betaald en er “een beetje mee geschoven”.

Gelet op de hiervoor beschreven gedragingen is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een of meer anderen. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij, op tijdstippen in de periode van 5 september 2020 tot en met 31 maart 2021in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van 28, valse geschriften, zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware deze echt en onvervalst, te weten:

- een TVL-aanvraag over het tweede kwartaal en derde kwartaal 2020 (TVL00030770), en

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal 2019, en

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal 2019, en

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal 2020, en

- een TVL-aanvraag over het vierde kwartaal 2020 (TVL-Q4-202000081143), en

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal 2019, en

- een TVL-aanvraag over het vierde kwartaal 2020 (TVL-Q4-202000002993), en

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal 2019, en

- een TVL-aanvraag over het eerste kwartaal 2021 (TVL-Q1-202100083931), en

- een (kopie) suppletie omzetbelasting over het tweede kwartaal 2019,

ten name van [bedrijf 1] B.V., en

- een TVL-aanvraag over het tweede en derde kwartaal 2020 (TVL00030768), en

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal 2019, en

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal 2019, en

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal 2020, en

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal 2020, en

- een TVL-aanvraag over het vierde kwartaal 2020 (TVL-Q4-202000003060), en

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal 2019, en

- een TVL-aanvraag over het eerste kwartaal 2021 (TVL-Q1-202100084331), en

- een (kopie) suppletie omzetbelasting over het derde kwartaal 2019,

ten name van [bedrijf 2] B.V., en [bedrijf 4] B.V., en

- een TVL-aanvraag over het tweede en derde kwartaal 2020 (TVL00032682), en

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal 2019, en

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal 2019, en

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal 2020, en

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal 2020, en

- een TVL-aanvraag over het vierde kwartaal 2020 (TVL-Q4-202000084385), en

- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal 2019, en

- een TVL-aanvraag over het eerste kwartaal 2021 (TVL-Q1-202100084042), en

- een (kopie) suppletie omzetbelasting over het derde kwartaal 2019,

ten name van [bedrijf 4] B.V., en [bedrijf 4] B.V.,

bestaande die die valsheid hierin dat in de hiervoor genoemde

TVL-aanvragen en (kopie) suppleties omzetbelasting en (kopie)

aangiften omzetbelasting, een onjuiste referentieomzet en gerealiseerde omzet

is aangegeven en vermeld,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, en zijn mededaders, de hiervoor genoemde de hiervoor genoemde TVL-aanvragen en (kopie) suppleties omzetbelasting en (kopie) aangiften omzetbelasting (telkens) aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ten behoeve van een aanvraag voor financiële ondersteuning in het kader van de regeling Tegemoetkoming Vaste Lasten hebben verzonden en verstrekt.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45 en 225 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het feit.

7. De op te leggen straf of maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien maanden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, indien en voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, oplegging van een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf bepleit. Daartoe heeft hij gewezen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Strafinhoud Strafrecht (verder: LOVS) die gelet op het benadelingsbedrag een lagere strafbandbreedte noemen. Verdachte is gestopt met ondernemen waardoor er geen recidiverisico is, aldus de raadsman.

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door gebruik te maken van valse TVL-aanvragen en daarbij gevoegde valse kopieën van aangiften omzetbelasting. Nadat er regelingen van kracht waren geworden om ondernemers die getroffen waren door de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van het coronavirus financieel te ondersteunen, zijn namens de ondernemingen van verdachte TVL-aanvragen ingediend bij de RVO, onderbouwd met onjuiste en valse stukken, met het doel om ten onrechte deze subsidie te ontvangen. De TVL-regeling was een overheidsmaatregel die in het leven werd geroepen in een periode waarin de gehele samenleving in grote onzekerheid verkeerde. In deze crisistijd heeft de overheid snel ondersteuning willen bieden, hetgeen ten koste is gegaan van de controle vooraf. Verdachte heeft samen met anderen schaamteloos misbruik gemaakt van deze situatie. De RVO heeft uiteindelijk slechts drie van de tien aanvragen toegewezen en telkens een voorschot van € 40.000,-- uitgekeerd. Dat de financiële schade daartoe beperkt is gebleven, is niet aan verdachte te danken geweest, maar aan het handelen van oplettende medewerkers van de RVO.

Bovendien heeft verdachte het vertrouwen dat men in het maatschappelijk verkeer moet kunnen hebben dat dergelijke documenten naar waarheid worden ingevuld en worden vergezeld van juiste waarheidsgetrouwe bijlagen, op ernstige wijze beschaamd. De rechtbank rekent het verdachte zeer aan dat hij bij het plegen van voormelde feiten zich kennelijks slechts heeft laten leiden door geldelijk gewin, zonder zich te bekommeren om de maatschappelijke gevolgen van zijn handelen.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte van 12 november 2025, waaruit volgt dat verdachte in het verleden eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten. Nu deze veroordelingen dateren van geruime tijd geleden, zal de rechtbank hiermee in het nadeel van verdachte in beperkte mate rekening houden.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op de oriëntatiepunten voor fraude van het LOVS, waarbij het benadelingsbedrag in grote mate bepalend is. Deze oriëntatiepunten vermelden de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf tot negen maanden (of een daarmee overeenstemmende taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf) bij een fraude-benadelingsbedrag van € 70.000,-- tot

€ 125.000,--. De rechtbank houdt er rekening mee dat de handelingen van verdachte erop gericht waren een veel groter bedrag te verkrijgen. Nadat hij al € 120.000,-- had ontvangen zijn nog zeven TVL-aanvragen ingediend.

Verdachte is niet ter terechtzitting verschenen en heeft dus aldaar geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden.. Ook heeft verdachte (nog) geen geld terugbetaald aan de RVO. Gelet op het voorgaande, en bij gebrek aan enige bijzondere omstandigheid die tot een andere conclusie zou kunnen leiden, ziet de rechtbank geen aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van de oriëntatiepunten die in eerste instantie een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf noemen. De rechtbank ziet echter wel aanleiding om een gedeelte van de straf voorwaardelijk op te leggen. Zij zal aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur tien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Met het voorwaardelijk strafdeel wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden om in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

8. De schade van benadeelde

De vordering van de benadeelde partij

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 120.000,-- (zegge: honderdtwintigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- onterecht uitbetaald subsidiegeld [bedrijf 2] B.V. TVL00030768 (€ 40.000,--);

- onterecht uitbetaald subsidiegeld [bedrijf 1] B.V. TVL00030770 (€ 40.000,--);

- onterecht uitbetaald subsidiegeld [bedrijf 4] B.V. TVL00032682 (€ 40.000,--).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schadevergoeding toewijsbaar is.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens de door hem bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman bepleit de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

De vordering tot vergoeding van de materiële schade is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet gemotiveerd betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het primair bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.

De vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan tot de dag dat verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. De rechtbank neemt daarvoor als uitgangspunt de dag waarop het voorschotbedrag door de RVO is uitgekeerd.

De vergoeding van de schadeposten “onterecht uitbetaald subsidiegeld [bedrijf 2] B.V. TVL00030768” en “onterecht uitbetaald subsidiegeld [bedrijf 1] B.V. TVL00030770”, wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 september 2020, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

De vergoeding van de schadepost “onterecht uitbetaald subsidiegeld [bedrijf 4] B.V. TVL00032682”, wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 september 2020, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Verdachte heeft het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd en om die reden zijn zij daarvoor samen (hoofdelijk) aansprakelijk. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal aan de verdachte geen verplichting opleggen tot betaling van het toegewezen bedrag aan de Staat. Naar het oordeel van de rechtbank is de ratio van de schadevergoedingsmaatregel zoals bedoeld in artikel 36f Sr dat natuurlijke personen bij de inning van de schadevergoeding worden ontlast. Van de RVO, mag als overheidsorgaan worden verwacht dat zij zelf de wegen kent om de toegewezen schadevergoeding bij verdachte te incasseren en blijkens het verhandelde ter zitting zijn daartoe al de nodige acties ondernomen. Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel acht de rechtbank dan ook niet passend.

9. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b en 14c Sr.

10. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

schadevergoeding

- wijst de vordering van de benadeelde partij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland geheel toe tot een bedrag van € 120.000,-- (bestaande uit materiële schade);

- veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:

- over een bedrag van € 80.000,-- met ingang van 9 september 2020 tot de dag van volledige betaling;

- over een bedrag van € 40.000,-- met ingang van 29 september 2020 tot de dag van volledige betaling;

- indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, is de verdachte (in zoverre) van deze verplichting bevrijd;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. M. van Berlo en mr. A.S. Metgod, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.N. Esajas, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.

Buiten staat

Mr. Stam is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?