RECHTBANK OVERIJSSEL
beslissing
Wrakingskamer
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer: C/08/344694 / KG RK 26/84
Beslissing van 10 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats],
verzoeker tot wraking.
1. De procedure
Op 22 december 2025 heeft verzoeker het verzoek tot wraking gedaan van mr. H. Schimmel (hierna: de rechter), rechter in deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de zaak die is geregistreerd onder 96-255069-25.
De rechter heeft niet berust in de wraking.
Het wrakingsverzoek van verzoeker is op 25 februari 2026 in het openbaar behandeld. Verzoeker is verschenen bij de mondelinge behandeling. Mr. Schimmel is met bericht van afwezigheid niet verschenen.
2. De feiten
Verzoeker heeft op 21 december 2025 verzocht om het onderzoek ter terechtzitting op 12 januari 2026 aan te houden in verband met een door hem geplande vakantie. De rechter heeft het verzoek in eerste instantie afgewezen. Op 22 december 2025 heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend. Op diezelfde dag heeft verzoeker aanvullende stukken ingediend ter onderbouwing van het aanhoudingsverzoek. De rechter heeft vervolgens het aanhoudingsverzoek toegewezen. Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek gehandhaafd.
3. Het wrakingsverzoek
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de manier waarop de rechter met het aanhoudingsverzoek is omgegaan, ervoor heeft gezorgd dat verzoeker geen vertrouwen heeft in een eerlijk proces. Verzoeker voelt zich gewantrouwd. Verzoeker heeft desgevraagd bewijs geleverd van zijn vakantievlucht, de vakantie was voor de oproeping voor de zitting al gepland. De rechter nam geen genoegen met digitale vliegtickets en wilde per se de fysieke vliegtickets ontvangen, en heeft deze laten onderzoeken. De rechter heeft zijn beslissing ook gebaseerd op verkeerde informatie, in die zin dat verzoeker eerst gezegd zou hebben dat hij met de auto naar Marokko zou gaan. Dit klopt volgens verzoeker niet. De rechter is, na onderzoek van de vliegtickets tot de verkeerde conclusie gekomen dat de vlucht niet bestond. Deze gang van zaken maakt dat verzoeker geen vertrouwen heeft in de rechter voor de behandeling in zijn zaak. Na aanvankelijke afwijzing van het aanhoudingsverzoek is dat verzoek uiteindelijk toch gehonoreerd.
3. Het standpunt van de rechter
De rechter stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van partijdigheid of van vooringenomenheid. Het aanhoudingsverzoek is in eerste instantie afgewezen, omdat de onderbouwing hiervan onvoldoende was. Het beleid van deze rechtbank is om terughoudend te zijn met het toewijzen van aanhoudingsverzoeken. Op 22 december 2025 heeft verzoeker aanvullende stukken aangeleverd, waarna de rechter het aanhoudingsverzoek alsnog heeft toegewezen. De rechter begrijpt dat de gang van zaken onaangenaam is geweest voor verzoeker, maar het is voor hem geen aanleiding om te berusten in de wraking.
4. De beoordeling
De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek toewijzen. Hierna wordt uitgelegd hoe de wrakingskamer tot deze beslissing is gekomen.
De wrakingskamer moet de vraag beantwoorden of de rechter partijdig is of dat hij die indruk bij verzoeker heeft gewekt. Die indruk gaat niet alleen maar over het persoonlijke gevoel van verzoeker, maar moet ‘geobjectiveerd’ zijn. Dat wil zeggen dat een willekeurige andere persoon in de plaats van verzoeker op grond van bepaalde feiten en omstandigheden óók moet hebben gedacht dat de rechter partijdig is. Het uitgangspunt is dat de rechter vanwege zijn aanstelling als rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dat kan anders zijn als sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid, waaruit kan worden afgeleid dat hij vooringenomen is.
Dat terughoudend moet worden omgegaan met aanhoudingsverzoeken en dat niet volstaan kan worden met de enkele mededeling van een partij dat hij is verhinderd, is geen punt van discussie. De wrakingskamer begrijpt dat verzoeker zijn verzoek in eerste instantie had gemotiveerd door uit te leggen dat hij in het buitenland zou verblijven op de geplande zittingsdatum. Vervolgens is hem gevraagd om daarvan bewijs te leveren. Volgens verzoeker heeft hij toen laten blijken daarover verbaasd te zijn, en heeft hij gezegd dat als hij met de auto naar Marokko zou zijn gegaan, hij daarvan immers ook geen bewijs zou kunnen leveren, of woorden van gelijke strekking. Verzoeker heeft vervolgens vliegtickets overgelegd van zijn daadwerkelijk geboekte reis naar Thailand. De rechter heeft de griffiemedewerkers opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de echtheid van de vliegtickets.
De wrakingskamer is van oordeel dat uit de omstandigheid dat de rechter voor het beslissen op het aanhoudingsverzoek geen genoegen heeft genomen met de door de verzoeker overgelegde vliegtickets, maar onderzoek heeft laten verrichten naar de echtheid van de vliegtickets, volgt dat de rechter de indruk bij verzoeker zou kunnen hebben gewekt dat hij verzoeker niet vertrouwde, en daarmee niet onpartijdig is. Gelet op de moeite die verzoeker heeft moeten doen voor het onderbouwen van zijn aanhoudingsverzoek en de
manier waarop de rechter daarmee is omgegaan, kan de wrakingskamer zich voorstellen dat het vertrouwen van verzoeker in de behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en niet vooringenomen rechter kan zijn aangetast. Het wantrouwen en de schijn van vooringenomenheid worden vergroot doordat de rechter na het onderzoek door de griffie tot de onjuiste conclusie komt dat de vlucht niet bestaat, op grond waarvan hij het aanhoudingsverzoek van verzoeker (in eerste instantie) afwijst. Onder die omstandigheden is er naar het oordeel van de wrakingskamer sprake van een objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid. Dit leidt tot de conclusie dat het verzoek moet worden toegewezen. Dat betekent dat de behandeling van de zaak door een andere rechter moet worden voorgezet.
5. De beslissing
De wrakingskamer
wijst het verzoek tot wraking toe.
Deze beslissing is gegeven door de mrs. U. van Houten, A. van Holten, R.F. van Aalst in tegenwoordigheid van de griffier en in openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.