RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-61012-24 (ontneming)
Datum vonnis: 30 maart 2026
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats],
inschrijvingsadres: [adres 1],
verblijfadres: [adres 2].
1. De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 208.090,50.
2. De procedure
De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 16 maart 2026. De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de behandeling van de hoofdzaak. De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. U. Ural, advocaat in Enschede, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord.
De officier van justitie heeft ter zitting de vordering gehandhaafd.
De raadsman heeft primair verzocht de vordering af te wijzen vanwege de bepleite vrijspraak in de hoofdzaak. Subsidiair heeft hij verzocht om, gezien de verklaring van de veroordeelde dat hij € 2.000,00 per oogst zou ontvangen en er slechts één keer zou zijn geoogst, het te ontnemen bedrag te matigen tot dit bedrag, met aftrek van de vordering van Enexis voor de kosten van de elektriciteit.
3. De beoordeling van de vordering
De veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 30 maart 2026 veroordeeld voor de volgende strafbare feiten:
feit 1
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid hennepplanten;
feit 2
het misdrijf: voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde lid en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;
feit 3
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;
feit 4
het misdrijf: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank gaat bij de bewezenverklaring van feit 4 uit van een pleegperiode van
1 oktober 2023 tot en met 19 maart 2024. In het dossier wordt weliswaar verwezen naar een rapport ‘indicatie voorgaande kweken’ van Enexis, maar dit rapport maakt geen onderdeel uit van het dossier, zodat de rechtbank de gestelde en aanvankelijk door de officier van justitie ten laste gelegde aanvangsdatum van 15 december 2022 niet kan vaststellen. De rechtbank gaat om die reden uit van de verklaring van de veroordeelde dat de hennepkwekerij in oktober 2023 is opgezet.
Als ontnemingsperiode wordt, gelet op het voorgaande, uitgegaan van 1 oktober 2023 tot en met 19 maart 2024. Daarbij gaat de rechtbank, gelet op de verklaring van de veroordeelde dat vanaf oktober 2023 is geteeld in combinatie met de gemiddelde kweekcyclus en de verschillende aanwijzingen van een eerdere oogst zoals blijkt uit het dossier, uit van de omstandigheid dat door de veroordeelde in elk geval één keer eerder is geoogst.
In de woning zijn twee kweekruimtes aangetroffen. In kweekruimte 1 is een hennepkwekerij met 412 hennepplanten aangetroffen. In kweekruimte 2 hebben, gelet op het aantal aangetroffen plantenpotten, minimaal 277 hennepplanten gestaan. De rechtbank gaat uit van voormelde aantallen. Verder gaat de rechtbank uit van de standaardbedragen en uitgangspunten zoals opgenomen in het rapport ‘berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij’ van 23 april 2024. Dit leidt tot de volgende berekening ten aanzien van de opbrengst en de kosten.
Kweekruimte 1
De totale bruto opbrengst aan hennep per oogst bedraagt:
412 planten x 26,20 gram = 10,7944 kilogram
10,7944 kilogram x € 4.070,00 = € 43.933,21
De in mindering te brengen kosten per oogst zijn:
Afschrijvingskosten: € 300,00
Hennepstekken: € 1.569,72 (€ 3,81 per stek)
Variabele kosten: € 1.598,56 + (€ 3,88 per plant)
Totaal aan kosten: € 3.468,28
Het wederrechtelijk verkregen voordeel voor kweekruimte 1 (op basis van één oogst) bedraagt zodoende € 40.464,93 (€ 43.933,21 - € 3.468,28).
Kweekruimte 2
De totale bruto opbrengst aan hennep per oogst bedraagt:
277 planten x 27,70 gram = 7,6729 kilogram
7,6729 kilogram x € 4.070,00 = € 31.228,70
De in mindering te brengen kosten per oogst zijn:
Afschrijvingskosten: € 200,00
Hennepstekken: € 1.055,37 (€ 3,81 per stek)
Variabele kosten: € 1.074,76 + (€ 3,88 per plant)
Totaal aan kosten: € 2.330,13
Het wederrechtelijk verkregen voordeel voor kweekruimte 2 (op basis van één oogst) bedraagt zodoende € 28.898,57 (€ 31.228,70 - € 2.330,13).
Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel voor kweekruimte 1 en 2 op basis van één oogst bedraagt derhalve € 69.363,50 (€ 40.464,93 + € 28.898,57).
De vordering van Enexis (kosten elektriciteit)
De rechtbank brengt, in tegenstelling tot hetgeen door de raadsman is verzocht, de vordering van de benadeelde partij Enexis niet in mindering op het wederrechtelijk verkregen voordeel, aangezien de veroordeelde aan zijn betalingsverplichting uit hoofde van het vonnis in de hoofdzaak nog niet heeft voldaan. De veroordeelde heeft ter terechtzitting bovendien verklaard dat hij op de vordering van Enexis buiten rechte nog niets heeft afgelost en eerst de uitkomst van de hoofdzaak wilde afwachten.
De aangetroffen hennep
In de woning van de veroordeelde is een hoeveelheid hennep aangetroffen en in beslag genomen. De rechtbank stelt deze hoeveelheid hennep gelijk aan de opbrengst van één oogst, waardoor het voordeel van één oogst (€ 69.363,50) in mindering wordt gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Aangezien de rechtbank in het licht van de kortere tijdspanne in de bewezenverklaring en op basis van het dossier uitgaat van slechts één eerdere oogst, resteert er geen wederrechtelijk verkregen voordeel.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het wederrechtelijk voordeel op nihil kan worden geschat.
4. De beslissing
De rechtbank:
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. P.M.F. Schreurs en
mr. M.S. de Waard, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Kuiper, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026.