RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 16-206823-25 (P)
Datum vonnis: 30 maart 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1998 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [woonplaats] ,
nu verblijvende in de P.I. [locatie] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 9 maart 2026 en 23 maart 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. W.K. Cheng, advocaat in Amsterdam, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de door [slachtoffer] voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens haar door mr. M.M. de Boer, advocaat in Amsterdam, is aangevoerd.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), kort en zakelijk weergegeven, erop neer dat verdachte:
feit 1: in de periode van 1 september 2019 tot en met 30 juli 2023 [slachtoffer] meermalen heeft verkracht;
feit 2: in de periode van 1 april 2019 tot en met 30 juli 2023 zijn levensgezel [slachtoffer] meermalen heeft mishandeld;
feit 3: in de periode van 30 juli 2023 tot en met 4 september 2025 [slachtoffer] heeft gestalkt;
feit 4: op 16 september 2025 een (getransformeerd) gaspistool en munitie voorhanden heeft gehad.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte dat:
1
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2019 tot en
met 30 juli 2023 te Almelo, althans in Nederland,
meermalen, althans eenmaal,
door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere
feitelijkheid, te weten door
- het (krachtig) slaan tegen het hoofd van die [slachtoffer] en/of
- het dichtdrukken van de keel van die [slachtoffer] en/of
- het aannemen van een agressieve en/of dwingende houding en/of
- die [slachtoffer] de woorden toe te voegen: "ik wil seks" en/of "als je mij niet verteld met
wie je afspreekt, steek ik mijn vinger in je reet" en/of "ik ga niet eerder weg totdat ik
seks heb gehad met jou" en/of
- de kleren van het lijf van die [slachtoffer] te rukken en/of
- bovenop die [slachtoffer] te gaan liggen en/of
- het hoofd van die [slachtoffer] in een kussen te duwen en/of te drukken en/of gedrukt te
houden en/of
- voorbij te gaan aan het door die [slachtoffer] geuitte fysieke en/of verbale verzet,
[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer
handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel
binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,
te weten
- het brengen/duwen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] en/of
- het brengen/duwen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en/of de anus van die
[slachtoffer] ;
2
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2019 tot en met 30 juli 2023 te Almelo, althans op een of meer plaatsen in Nederland, [slachtoffer] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer] (met kracht) meermalen, althans eenmaal,
- in het gezicht, althans op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te trappen en/of
- bij de keel te pakken en/of de keel dicht te drukken en/of dichtgedrukt te houden en/of die [slachtoffer] (daarbij) op te tillen aan de keel/hals, althans het bovenlichaam,
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
3
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 juli 2023 tot en met 4
september 2025 te [plaats 2] en/of te [plaats 1] , althans in Nederland, (telkens)
wederrechtelijk
stelselmatig
opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt
op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
- die [slachtoffer] veelvuldig te bellen en/of berichten en/of filmpjes te sturen (via social media) en/of
- familieleden en/of bekenden van hem, verdachte, contact op te laten nemen met die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] berichten te sturen en/of
- familie en/of bekenden van die [slachtoffer] te benaderen en/of (daarbij) te vragen of deze personen weten waar die [slachtoffer] is en/of
- zich te begeven naar de woning van de ouders van die [slachtoffer] en/of de schuur en/of de woning van die [slachtoffer] proberen te betreden en/of (daarbij) te vragen waar die [slachtoffer] is en/of
- zich te begeven naar het geheime adres/de woning van die [slachtoffer] en/of zich vervolgens voor die woning op te houden, met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
4
hij op of omstreeks 16 september 2025 te [plaats 2] een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (getransformeerd) gaspistool, van het merk Blow, type TR914, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten meerdere patronen, kaliber 9mm en/of 7.65mm, voorhanden heeft gehad.
3. De bewijsmotivering
Inleiding
[slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) en verdachte hebben elkaar in de zomer van 2017 leren kennen bij de sportschool waar [slachtoffer] destijds werkzaam was. In 2018 hebben zij een - tumultueus verlopen - relatie gekregen. Op [geboortedatum 2] 2020 is [minderjarige] , de dochter van verdachte en [slachtoffer] , geboren. Op 25 juli 2025 doet [slachtoffer] aangifte van diverse strafbare feiten die in de periode vanaf 1 april 2019 hebben plaatsgevonden. Verdachte is op 16 september 2025 aangehouden. Op die dag is in zijn woning een vuurwapen met munitie aangetroffen. Verdachte ontkent de beschuldigingen die zien op [slachtoffer] . Het vuurwapenbezit is door verdachte wel bekend.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Ten aanzien van de feiten 1 tot en met 3 heeft zij betoogd dat de belastende verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar zijn en dat het dossier voldoende steunbewijs bevat voor deze verklaringen. Over de verkrachting van 28 januari 2023 heeft de officier van justitie erop gewezen dat verdachte dit feit ter zitting heeft bekend.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het onder feiten 1 tot en met 3 ten laste gelegde vrijgesproken dient te worden. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de ten laste gelegde verkrachtingen, mishandelingen en belaging sprake is van ‘narratieve reconstructie’ in de verklaringen van [slachtoffer] , te weten een achteraf geconstrueerde voorstelling van zaken die is gebaseerd op verkeerde interpretaties van gebeurtenissen binnen een complexe relatie. Meer specifiek heeft de raadsman aangevoerd dat het dossier geen objectief steunbewijs bevat voor de verklaringen van [slachtoffer] over de verkrachtingen, dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om vast te stellen dat verdachte met opzet letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht, en dat de voor belaging vereiste stelselmatigheid en het oogmerk niet kunnen worden vastgesteld.
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van het onder feit 4 ten laste gelegde.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van feiten 1 en 2
3.4.1.1 De beoordeling van bewijs in zeden- en huiselijk geweldzaken
Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zeden- en huiselijk geweldzaken zich doorgaans kenmerken door de omstandigheid dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een (grotendeels) ontkennende verdachte, zoals in deze zaak het geval is, brengt dit in veel gevallen met zich dat de verklaring van het vermeende slachtoffer als belangrijkste bewijsmiddel voorhanden is. Op grond van artikel 342, tweede lid, Sv kan het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op grond van enkel de verklaring van het vermeende slachtoffer. Steunbewijs kan ertoe leiden dat desondanks toch een bewezenverklaring kan volgen. Of sprake is van voldoende steunbewijs is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Bij de afweging of sprake is van voldoende steunbewijs is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad niet vereist dat de ten laste gelegde handelingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal, maar is het voor een bewezenverklaring afdoende wanneer de betrouwbare, belastende verklaring van het slachtoffer op onderdelen steun vindt in overige bewijsmiddelen die afkomstig zijn uit een andere bron.
De rechtbank ziet zich dus gesteld voor de vragen of (1) de belastende verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar is en (2) deze verklaring voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen.
De verklaring van [slachtoffer]
heeft in haar aangiftes van 25 juli 2025 en 13 augustus 2025 een uitgebreide tijdslijn geschetst van de incidenten die in de periode van 1 september 2019 tot en met 30 juli 2023 hebben plaatsgevonden. Zij heeft hierin per incident, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard.
- 21 april 2019
[slachtoffer] werd op 21 april 2019 voor het eerst geslagen door verdachte. Na die klap omsloot verdachte met zijn hand de keel van [slachtoffer] en tilde hij haar op die manier op, met de voeten van de grond, wurgend tegen de koelkast. Zij kon hierdoor moeilijk ademen.
- 15/16 september 2019
In de nacht van 15 op 16 september 2019 was verdachte bij [slachtoffer] thuis. Zij lag op dat moment al in haar bed. Verdachte maakte duidelijk dat hij seks wilde met [slachtoffer] . [slachtoffer] had, zowel op voorhand via Whatsapp als tijdens de ontmoeting, meermalen aangegeven dat zij geen seks met verdachte wilde. Verdachte bleef [slachtoffer] echter aanraken en aandringen. Ondanks dat [slachtoffer] meermalen te kennen had gegeven dat zij geen seks met verdachte wilde, was dit uiteindelijk toch gebeurd.
- 27 juli 2020
Op 27 juli 2020 had [slachtoffer] afgesproken met haar ouders. Zij stond om 17:00 uur klaar om te vertrekken. Vervolgens werd [slachtoffer] rond 21:30/22:00 uur wakker op haar bed. Zij herinnerde zich niet wat er zich in de tussentijd had afgespeeld. Op het moment dat zij ontwaakte, zag zij dat verdachte haar slipje en legging bij haar aandeed. [slachtoffer] was misselijk, had een zere rug, een zere kaak en ontzettende hoofdpijn. Verdachte bracht [slachtoffer] naar het ziekenhuis (de rechtbank begrijpt: de huisartsenpost). Naderhand vroeg [slachtoffer] aan verdachte of hij haar had geslagen en of verdachte seks met haar gehad terwijl zij buiten bewustzijn was. Dit gaf hij toe.
- 9 mei 2021
Op 9 mei 2021 kwam verdachte langs bij [slachtoffer] . Verdachte wilde weten met welke mannen [slachtoffer] afsprak en dreigde dat, als [slachtoffer] dit niet zou vertellen, hij zijn vinger in haar kont zou steken. Vervolgens rukte verdachte de onderkleding van het lijf van [slachtoffer] , terwijl zij voor verdachte vluchtte. Verdachte probeerde [slachtoffer] telkens anaal te penetreren met zijn vinger en dit was hem ook meermalen gelukt. Verdachte deelde mee dat hij pas zou weggaan als hij seks met [slachtoffer] had gehad. [slachtoffer] wilde geen seks met verdachte en wees hem de deur, maar uiteindelijk hadden verdachte en [slachtoffer] toch seks.
- 31 juli 2021
Op 31 juli 2021 waren [slachtoffer] en verdachte samen in de auto onderweg naar Rotterdam. In de auto ontstond er een ruzie, waarbij verdachte [slachtoffer] een harde klap gaf met de achterzijde van zijn hand tegen haar linkeroog. Haar wenkbrauw bloedde en zij had een opgezet en blauw oog.
- 3 augustus 2022
Op 3 augustus 2022 werd [slachtoffer] meermalen tegen haar hoofd en haar gezicht geslagen door verdachte. Verdachte gaf [slachtoffer] daarna een vuistslag tegen haar neus. Vervolgens stompte verdachte met zijn vuist tegen haar ribben. Daarna tilde verdachte [slachtoffer] aan haar keel, wurgend, omhoog. Haar voeten kwam hierbij los van de grond. [slachtoffer] probeerde los te komen, waarna verdachte de keel van [slachtoffer] nog harder beet pakte. Hij drukte de keel van [slachtoffer] zo hard dicht dat zij bijna “out” ging.
- 19 januari 2023
Op 19 januari 2023 lagen verdachte en [slachtoffer] samen in bed. [slachtoffer] werd door verdachte met beide handen bij haar keel gepakt. Verdachte schudde haar heen en weer, terwijl hij haar verwurgde. Ongeveer tien minuten later deelde verdachte mee dat hij seks wilde. [slachtoffer] gaf te kennen dat zij geen seks wilde met verdachte. Verdachte probeerde met zijn vingers bij [slachtoffer] naar binnen te dringen, hetgeen hem ook meerdere keren lukte. [slachtoffer] worstelde en vocht de hele nacht met verdachte. [slachtoffer] probeerde uit bed te komen en verdachte van zich af te duwen. Uiteindelijk hadden verdachte en [slachtoffer] seks, tegen de wil van [slachtoffer] .
- 24 januari 2023
Op 24 januari 2023 gaf verdachte [slachtoffer] meerdere klappen tegen haar hoofd. Daarna kreeg [slachtoffer] nog een aantal klappen tegen haar (achter)hoofd. Hierdoor kreeg [slachtoffer] haar tong tussen haar tanden. Haar tong was opgezet, deed pijn en mistte een stuk vel na de klappen die zij van verdachte had gekregen.
- 20 januari tot en met 5 februari 2023
In de periode van 20 januari tot en met 5 februari 2023 was er meermalen sprake van seks tegen de wil van [slachtoffer] . [slachtoffer] stribbelde tegen en probeerde met woorden duidelijk te maken dat zij geen seks met verdachte wilde. [slachtoffer] moest verdachte vaak van haar af drukken. Verdachte lag meermalen bovenop haar en weigerde van haar af te gaan. Op 28 januari 2023 wilde verdachte opnieuw seks, terwijl [slachtoffer] dit niet wilde. [slachtoffer] besloot hier een geluidsopname van te maken. Zij moest zich urenlang verzetten tegen verdachte en had constant duidelijk gemaakt dat zij geen seks met verdachte wilde. Verdachte ging toch bovenop [slachtoffer] liggen en wilde niet van haar afgaan. [slachtoffer] wilde geen seks, maar werd daartoe gedwongen, ook als zij zich verbaal en fysiek probeerde te verzetten. [slachtoffer] lag op haar buik en werd door verdachte gepenetreerd, eerst met zijn vinger en daarna met zijn penis. Verdachte duwde het gezicht van [slachtoffer] hard in het kussen, waardoor zij het gevoel had dat zij bijna stikte. Hij smoorde het gezicht van [slachtoffer] in het kussen. In de nacht van 31 januari op 1 februari 2023 wilde verdachte opnieuw seks. [slachtoffer] wilde niet. Na een urenlang aanhoudend protest liet [slachtoffer] het gebeuren. Zij was moegestreden en uitgeput van het vechten.
- 21 juni 2023
Op 21 juni 2023 was verdachte bij de winkel geweest om medicatie voor [minderjarige] te halen. Thuisgekomen werd verdachte boos en agressief en gooide hij iets tegen het hoofd van [slachtoffer] . [slachtoffer] ging vervolgens op verdachte af en werd door hem met kracht tegen de keukendeur van de voorraadkast gesmeten. Daarna gooide verdachte [slachtoffer] tegen het keukenblad aan. Hij greep haar bij haar keel en wurgde haar. Daarbij kwam [slachtoffer] met haar hoofd tegen het keukenkastje aan. Er bleef een pluk haar aan het kastje hangen. Ten gevolge hiervan had [slachtoffer] een blauwe plek en een schaafwond op haar onderarm. Haar nek, gezicht en kaak waren rood van het grijpen en de verwurging. Ook was haar ketting kapot en had zij een pluk haar verloren.
De betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer]
De rechtbank is van oordeel dat de door [slachtoffer] afgelegde belastende verklaringen van 25 juli 2025 en 13 augustus 2025 betrouwbaar zijn. [slachtoffer] heeft hierin consistent en consequent verklaard over de aard van de door verdachte gepleegde seksuele handelingen en geweldshandelingen en over de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden. Zij heeft bovendien telkens gedetailleerde beschrijvingen van de gebeurtenissen gegeven. Zo weet zij nog te herinneren welke zij kleding zij droeg tijdens de door haar omschreven verkrachtingen/geweldshandelingen op 15/16 september 2019 en 9 mei 2021. De verklaringen van [slachtoffer] vinden bovendien in belangrijke mate en op overtuigende wijze steun in andere bewijsmiddelen, zoals onderdelen van de verklaring van verdachte ter zitting, de documenten van medische afspraken, spraak- en tekstberichten, de geluidsopnames van 28 januari 2023 en de foto’s van het letsel. Ook heeft [slachtoffer] zichzelf niet gespaard en bijvoorbeeld verklaard dat zij verdachte op 21 juni 2023 is aangevlogen. Daarnaast heeft zij open en eerlijk verklaard dat er tijdens de zwangerschap, dus na de eerste door [slachtoffer] beschreven verkrachting, nog op vrijwillige basis seks heeft plaatsgevonden. Tot slot beschrijft [slachtoffer] niet alleen wat haar fysiek is overkomen, maar ook wat haar gevoel was op die momenten, zoals de angst en het gevoel van machteloosheid die door de handelingen van verdachte zijn ontstaan. Haar verklaringen bevatten geen tegenstrijdigheden of onduidelijkheden die de betrouwbaarheid van haar verklaring aantasten. De door de verdediging aangehaalde ambivalentie van [slachtoffer] ten aanzien van de relatie met de verdachte is voor de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van [slachtoffer] . De rechtbank ziet in deze verklaringen geen ‘narratieve reconstructie’ van achteraf anders geïnterpreteerde gebeurtenissen, maar juist een waarheidsgetrouwe weergave van de ingewikkelde dynamiek van de relatie tussen [slachtoffer] en verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de belastende verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar en geloofwaardig zijn en zal deze verklaringen (als uitgangspunt) voor het bewijs gebruiken.
Steunbewijs
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of de verklaring van [slachtoffer] voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, in die zin dat deze verklaring niet op zichzelf staat maar is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in andere bronnen. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend, gelet op het volgende.
- De verklaring van verdachte ter terechtzitting
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het klopt dat [slachtoffer] op 27 juli 2020 enige tijd bewusteloos is geweest, nadat zij tijdens een ruzie met verdachte een harde klap tegen haar hoofd had gehad. Daarnaast heeft verdachte ter terechtzitting bekend dat hij op 28 januari 2023 seks met [slachtoffer] heeft gehad, terwijl zij meermalen “nee” en “stop” heeft gezegd. Ook heeft verdachte bevestigd dat er op 21 juni 2023 een ruzie is ontstaan en dat hij daarbij een doosje medicijnen in de richting van [slachtoffer] heeft gegooid. Hij heeft [slachtoffer] tijdens die ruzie ook tegen haar borst of keel geduwd.
- Het verslag van Verloskundigenpraktijk Almelo
Uit het verslag van de verloskundigenpraktijk volgt dat [slachtoffer] op 25 april 2019 huilend binnen is gekomen op de afspraak. [slachtoffer] heeft tijdens deze afspraak twijfels uitgesproken over haar eigen veiligheid alsmede de veiligheid van het ongeboren kind. Ook heeft zij benoemd dat het voor haar onmogelijk lijkt om afstand van haar partner te nemen, omdat hij haar niet met rust zal laten.
- Het consult bij de Emmakliniek
[slachtoffer] heeft stukken overgelegd van haar consult bij de Emmakliniek, ten behoeve van de beëindiging van haar eerste zwangerschap, op 6 mei 2019. Als reden van de ongewenstheid van de zwangerschap heeft [slachtoffer] destijds opgegeven “relatie met verwekker (ex) is niet veilig”.
- Het journaal van de huisarts
Uit het journaal van de huisarts volgt dat [slachtoffer] op 19 september 2019 met haar huisarts heeft gesproken over dat er recentelijk sprake is geweest van onbeschermde, opgedrongen coitus.
- Medische verklaring
Het dossier bevat een medische verklaring, met aanmaakdatum 27 juli 2020, waaruit volgt dat [slachtoffer] zich op voornoemde datum bij de huisartsenpost van het ziekenhuis heeft gemeld. Er was op dat moment roodheid en zwelling achter het linkeroor te zien. [slachtoffer] heeft de arts verteld dat zij niet weet wat er die dag is gebeurd. De arts constateert dat [slachtoffer] een hersenschudding heeft.
- De spraakberichten
Uit onderzoek aan de telefoon van [slachtoffer] is naar voren gekomen dat zij op 10 en 11 mei 2021 meerdere spraakberichten heeft gestuurd naar een anoniem gebleven persoon. In deze spraakberichten vertelt [slachtoffer] geëmotioneerd dat verdachte haar wilde zoenen en “van alles wilde doen” en dat zij ( [slachtoffer] ) had gezegd dat zij dat niet wilde. Ook vertelt [slachtoffer] in dit gesprek “dat ik heel duidelijk heb aangegeven (…) dat ik hem niet meer wil. Het maakt niet uit wat ik zeg, wat ik doe, wat ik vind. Tenminste, afgelopen zondag, laten we het daarop houden” en “ik heb zo vastgehouden aan de nee, ik ben zo duidelijk geweest nu. En hij heeft mijn keuze of mijn antwoorden of wat ik van hem vroeg niet geaccepteerd. En daar zat mijn verdriet.”
- De Facebook Messenger- en Whatsappgesprekken
Op een screenshot van een Whatsappgesprek van 15 augustus 2020 is te lezen dat [slachtoffer] de volgende tekst naar verdachte stuurt “en dit keer kon ik het niet helpen, ze waren terecht bezorgd omdat ik niet kwam opdagen en dat is niks voor mij (…) ze hebben niet van mij gehoord dat jij mij had geslagen, ik heb serieus niks gezegd” en “die platte hand van jou is denk ik niet echt zacht of zo plat geweest en het is wss harder gegaan dan je kon bedenken op dat moment”. Hierop reageert verdachte als volgt: “ik wil het niet goed praten of maken maar heb mensen zien vallen en opstaan na een klap van een knuppel (…) drm dat ik hier niks van begrijp”. In een gesprek van 24 november 2020 schrijft verdachte naar [slachtoffer] “dat ik jou toen die klap heb gegeven, zeg ik oom eigen schuld”. [slachtoffer] neemt op 3 augustus 2022 contact op met een vriendin via Facebook Messenger. In dit gesprek stuurt [slachtoffer] onder andere “het is hier uit de hand gelopen en [verdachte] heeft al mn spullen (…) toen flipte hij m helemaal (…) sloeg me 3 keer in mn gezicht, 2 platte handen, vuist op mn neus en vuist in mn ribben (…) toen kneep hij mn keel weer dicht tegen de muur (…) toen pakte hij me aan mn keell en droeg hij me naar binnen (…) en toen keelde hij me zo dat ik bijna nokkie ging weet niet meer wat er gebeurde” In een whatsappgesprek van 24 januari 2023 schrijft [slachtoffer] aan een vriendin: “hij wilde vanmorgen weer seks (…) gisteravond (…) volgens mij kan hij het ook niet hebben dat ik dat niet wil (…) hij begrijpt het niet (…) zei hij m’n pik heeft zin in jouw kutje”.
- De geluidsopnames
Uit de uitwerking van de door [slachtoffer] gemaakte geluidsopnames van 28 januari 2023 volgt dat [slachtoffer] uitdrukkelijk en herhaaldelijk te kennen heeft gegeven dat zij geen seks met verdachte wilde. Ook is hierop te horen dat [slachtoffer] op enig moment slechter te verstaan is. In het proces-verbaal met betrekking tot het uitluisteren van de geluidsopnames wordt gerelateerd dat het lijkt alsof er iets op haar gezicht is gelegd/geduwd.
- De foto’s van letsel
Het dossier bevat diverse foto’s van [slachtoffer] waarop letsel te zien is. Op de foto gedateerd 31 juli 2021 is een verdikking boven het oog van [slachtoffer] te zien. Op de foto’s van 3 augustus 2022 is er letsel achter het oor van [slachtoffer] waarneembaar en op de foto’s van 24 januari 2023 letsel aan haar tong. Ook zitten er foto’s gedateerd 21 juni 2023 in het dossier. Op die foto’s is onder meer een kapotte ketting met een pluk haar te zien. Ook is er letsel in de hals en op de onderarm van [slachtoffer] zichtbaar.
- Het verslag van therapeut [naam 1]
Uit een door [naam 1] (hierna: [naam 1] ) opgesteld verslag gedateerd van juni 2025 volgt dat er op 24 januari 2023 een eerste kennismakingsgesprek heeft plaatsgevonden op het kantoor van [naam 1] . [naam 1] heeft toen waargenomen dat [slachtoffer] erg gespannen en vermoeid oogde. Tijdens het gesprek heeft [slachtoffer] verteld over een mishandeling en mogelijk verkrachting in de avond/nacht van 19 op 20 januari 2023 en enkele dagen eerder.
3.4.1.2 Tussenconclusie
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer] niet op zichzelf staan, maar in voldoende mate en op wezenlijke onderdelen worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte de feitelijke handelingen, zoals deze zijn ten laste gelegd onder feit 1 en feit 2, heeft gepleegd, met uitzondering van het onder feit 1 ten laste gelegde dichtknijpen van de keel van [slachtoffer] . Hetgeen [slachtoffer] hierover heeft verklaard, had immers geen betrekking op de onder feit 1 ten laste gelegde verkrachtingen, zodat dit onderdeel van de tenlastelegging niet kan worden bewezen.
3.4.1.3 Overige overwegingen ten aanzien van feit 1
Voor bewezenverklaring van verkrachting onder het wetsartikel dat van toepassing was ten tijde van de verweten gedragingen, moet sprake zijn van het door (bedreiging met) geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Daarvan kan sprake zijn indien de verdachte het slachtoffer heeft gebracht in een zodanige door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie dat het slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken. Of zo een dwangsituatie zich heeft voorgedaan, laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.
De rechtbank concludeert dat op grond van de bewijsmiddelen bewezen kan worden dat verdachte door gebruikmaking van geweld en andere feitelijkheden situaties heeft gecreëerd waarin [slachtoffer] gedwongen werd tot het ondergaan van seksuele handelingen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zijn handelingen [slachtoffer] opzettelijk in zodanige situaties heeft gebracht dat zij zich niet tegen de seksuele handelingen kon verzetten en zij zich daaraan niet kon onttrekken.
3.4.1.4 Conclusie ten aanzien van feit 1
De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
3.4.1.5 Overige overwegingen ten aanzien van feit 2
De rechtbank heeft hierboven vastgesteld dat verdachte de ten laste gelegde geweldshandelingen heeft gepleegd. In de aard en uiterlijke verschijningsvorm van deze handelingen ligt reeds het voor bewezenverklaring vereiste opzet op het toebrengen van pijn of letsel besloten. De rechtbank is van oordeel dat ook kan worden bewezen dat [slachtoffer] ten tijde van de ten laste gelegde feiten de levensgezel van de verdachte was, zoals bedoeld in artikel 304 Sr. De relatie van verdachte en [slachtoffer] is in 2018 begonnen. Zij zijn gaan samenwonen in de woning van [slachtoffer] . In 2020 is hun dochter [minderjarige] geboren. Op dat moment woonden zij niet meer samen, maar verdachte verbleef in die periode wel veelvuldig bij [slachtoffer] . Op basis van de feitelijke situatie, zoals blijkt uit de verklaringen van verdachte en [slachtoffer] , was naar het oordeel van de rechtbank tussen verdachte en [slachtoffer] sprake van een affectieve relatie. Ook gingen zij beiden kennelijk uit van een nauwe lotsverbondenheid en was sprake van een gemeenschappelijke huishouding van enige duur. Dat de relatie soms enige tijd werd onderbroken, doet daar naar het oordeel van de rechtbank in dit specifieke geval niet aan af.
3.4.1.6 Conclusie ten aanzien van feit 2
De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 3
3.4.2.1 De redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast. Deze feiten en omstandigheden hebben ter zitting niet ter discussie gestaan.
Op 30 juni 2023 stuurt [slachtoffer] verdachte een Whatsappbericht waarin zij de relatie met verdachte definitief beëindigt en te kennen geeft dat zij volledig afstand neemt van verdachte. In de periode hierna, vanaf 30 juli 2023 tot en met 4 september 2025, wordt [slachtoffer] veelvuldig gebeld en bericht door verdachte, waarbij regelmatig sprake is van meerdere oproepen of berichten per dag, overdag en ook ‘s nachts. Daarnaast is verdachte in augustus 2023 aan de deur gegaan bij de onderbuurman van [slachtoffer] , met het verzoek om via het balkon van die buurman in de woning van [slachtoffer] te kunnen kijken. Op 10 oktober 2023 heeft verdachte [naam 2] , een kennis van [slachtoffer] , benaderd met het verzoek om contact met [slachtoffer] op te nemen. [naam 2] heeft dit bericht van verdachte doorgestuurd naar [slachtoffer] . Op 22 juli 2023 en 6 september 2023 is verdachte bij de woning van de ouders van [slachtoffer] geweest. Op laatstgenoemde datum heeft hij daarbij ook geprobeerd de garagedeur te openen om zo de woning binnen te gaan. Ook is verdachte op 12 februari 2025 bij de woning, op een geheim adres, van [slachtoffer] in [plaats 1] geweest.
3.4.2.2 De overwegingen van de rechtbank
Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de feitelijke handelingen zoals die aan verdachte zijn tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen zijn. Verdachte heeft deze handelingen ter terechtzitting ook bekend. De rechtbank dient vervolgens, in respons op het verweer van de raadsman, de vraag te beantwoorden of er sprake is van de vereiste stelselmatigheid en het oogmerk om [slachtoffer] te dwingen dan wel vrees aan te jagen.
Stelselmatigheid
De stelling van de raadsman dat in onderhavig geval geen sprake is van de voor belaging vereiste stelselmatigheid, vindt zijn weerlegging in de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van [slachtoffer] . Verdachte heeft over een periode van twee jaren veelvuldig berichten van veelal dwingende/dreigende aard aan [slachtoffer] gestuurd en haar veelvuldig gebeld, hij is meermalen naar de woning van haar ouders en zelfs naar haar eigen geheime adres gegaan en hij heeft geprobeerd via een kennis contact met [slachtoffer] af te dwingen. Verdachte heeft duidelijk gemaakt, en ook expliciet aan [slachtoffer] laten weten, dat hij niet zou stoppen, dat hij altijd zou blijven appen en dat hij op een dag zou knappen. Met dit handelen heeft verdachte wel degelijk ‘stelselmatig’ inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] .
Oogmerk
Voor een bewezenverklaring van belaging dient de dader het oogmerk te hebben gehad om het slachtoffer te dwingen iets te doen, te dulden dan wel het slachtoffer vrees aan te jagen. De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat daaraan is voldaan in onderhavige zaak mede gelet op de context waarin de gedragingen van verdachte zich hebben voorgedaan. Zoals hierboven is vastgesteld, heeft verdachte gedurende een periode van langer dan twee jaren een grote hoeveelheid berichten gestuurd naar [slachtoffer] en haar veelvuldig gebeld, terwijl zij hierop nimmer heeft gereageerd en daarvoor reeds uitdrukkelijk had aangegeven volledig afstand te nemen van verdachte. Verdachte heeft aangevoerd dat volgens hem zijn handelingen enkel gericht waren op contactherstel met zijn dochter. Dit past echter niet bij de tijdstippen waarop er meerdere malen wordt gebeld of een bericht wordt gestuurd door verdachte, meer in het bijzonder ‘s nachts. Ook de inhoud van de berichten past hier niet bij contactherstel met zijn dochter. De inhoud van een deel van de berichten die verdachte aan [slachtoffer] heeft gestuurd, heeft immers een dwingend en dreigend karakter. Zo stuurt verdachte “ik kan nu niet anders dan mijn straf accepteren maar ik kom hard terug” en “we zien elkaar wel in april en jij mag dan kiezen of het goedschiks of kwaadschiks gaat”. Ook heeft verdachte gestuurd “ik heb overal al wel m'n huiswerk gedaan”, terwijl hij zich twaalf dagen daarvoor nog op het geheime adres van [slachtoffer] had begeven. Deze teksten en handelingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm bedoeld om [slachtoffer] te dwingen tot het dulden van contact en om haar vrees aan te jagen. Al deze omstandigheden, in onderlinge samenhang gezien, maken dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte het vereiste oogmerk heeft gehad.
3.4.2.3 Conclusie
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 4
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv, zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1
hij in de periode van 1 september 2019 tot en met 30 juli 2023 te Almelo,
meermalen, door geweld en een andere feitelijkheid, te weten door
- het krachtig slaan tegen het hoofd van die [slachtoffer] en
- het aannemen van een agressieve en dwingende houding en
- die [slachtoffer] de woorden toe te voegen: "ik wil seks" en "als je mij niet verteld met
wie je afspreekt, steek ik mijn vinger in je reet" en "ik ga niet eerder weg totdat ik
seks heb gehad met jou" en
- de kleren van het lijf van die [slachtoffer] te rukken en
- bovenop die [slachtoffer] te gaan liggen en
- het hoofd van die [slachtoffer] in een kussen te drukken en gedrukt te houden en
- voorbij te gaan aan het door die [slachtoffer] geuite fysieke en verbale verzet,
[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten
- het brengen/duwen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] en
- het brengen/duwen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en de anus van die
[slachtoffer] ;
2
hij in de periode van 1 april 2019 tot en met 30 juli 2023 in Nederland,
[slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] met kracht meermalen
- tegen het hoofd en het lichaam te slaan en/of te stompen en
- bij de keel te pakken en de keel dicht te drukken en dichtgedrukt te houden en die [slachtoffer] daarbij op te tillen aan de keel/hals,
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
3
hij in de periode van 30 juli 2023 tot en met 4 september 2025 in Nederland,
wederrechtelijk
stelselmatig
opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt
op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
- die [slachtoffer] veelvuldig te bellen en berichten en een filmpje te sturen (via social media) en
- bekenden van hem, verdachte, contact op te laten nemen met die [slachtoffer] en
- familie en bekenden van die [slachtoffer] te benaderen en daarbij te vragen of deze personen weten waar die [slachtoffer] is en
- zich te begeven naar de woning van de ouders van die [slachtoffer] en de schuur en de woning van de ouders van die [slachtoffer] proberen te betreden en
- zich te begeven naar het geheime adres/de woning van die [slachtoffer] en zich vervolgens voor die woning op te houden,
met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen;
4
hij op 16 september 2025 te [plaats 2] een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een getransformeerd gaspistool, van het merk Blow, type TR914, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten meerdere patronen, kaliber 7.65mm, voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 242 (oud), 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en in de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie (Wwm). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: verkrachting, meermalen gepleegd;
feit 2
het misdrijf: mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd;
feit 3
het misdrijf: belaging;
feit 4
de misdrijven:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren wordt opgelegd, met aftrek van het voorarrest. Ook heeft de officier van justitie de oplegging van een contactverbod met [slachtoffer] gevorderd, in de vorm van een maatregel ex artikel 38v Sr voor de duur van vijf jaren. Daarbij dient vervangende hechtenis van twee weken te worden toegepast voor iedere keer dat niet aan die maatregel wordt voldaan. De officier van justitie heeft gevorderd te bevelen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft naar voren gebracht dat voortduring van de detentie van verdachte zal leiden tot het verlies van zijn werk, inkomen en woning. Indien verdachte in vrijheid wordt gesteld, kan hij direct terugkeren naar zijn werk als zelfstandig monteur aan het spoor.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zijn toenmalige partner [slachtoffer] , tevens de moeder van zijn kind, gedurende een periode van meerdere jaren meermalen verkracht, mishandeld en belaagd. Het jarenlange gedrag van verdachte richting [slachtoffer] heeft zich gekenmerkt door een patroon van controle en dwang, ook wel intieme terreur genoemd, waarbij verdachte het leven van [slachtoffer] beheerste en het toepassen van (seksueel) geweld niet schuwde. Dit waren voor [slachtoffer] telkens bedreigende, vernederende en zeer beangstigende ervaringen. Het merendeel van de verkrachtingen en mishandelingen vonden plaats in het huis of zelfs in het bed van [slachtoffer] : bij uitstek de plek waar zij zich veilig zou moeten voelen. Verdachte heeft met zijn gedrag een grove inbreuk gemaakt op de seksuele en lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Meest in het oog springend is het feit dat verdachte [slachtoffer] eens bewusteloos heeft geslagen, haar urenlang hulpeloos heeft laten liggen en in deze uren nota bene seks met haar heeft gehad. Hiermee heeft verdachte getoond geen enkel respect te hebben voor de lichamelijke integriteit van zijn toenmalige levenspartner. Zelfs nadat de relatie tussen verdachte en [slachtoffer] definitief was verbroken, bleek [slachtoffer] nog altijd niet veilig omdat verdachte haar bleef lastigvallen. Vanwege de ernst van de dreiging vanuit verdachte heeft [slachtoffer] , in overleg met Veilig Thuis en de politie, zelfs haar woning moeten verlaten en moeten onderduiken. Verdachte reageerde daarop door alles in het werk te stellen om achter het (geheime) adres van [slachtoffer] te komen en haar daar wederom op te zoeken. [slachtoffer] en haar dochter wonen nog altijd op een geheime locatie. Uit de spreekrechtverklaring van [slachtoffer] en de namens haar ingediende vordering tot schadevergoeding blijkt welke enorme impact het handelen van verdachte op haar heeft gehad en nog altijd heeft. Verdachte heeft zich op geen enkele wijze bekommerd om de gevoelens van of de gevolgen voor [slachtoffer] . Sterker nog: verdachte heeft ook tijdens de zitting geen verantwoordelijkheid getoond voor zijn gedrag. Hij blijft volhouden dat [slachtoffer] al jarenlang doelbewust leugenachtige verhalen creëert die haar goed uitkomen in het frustreren van de band tussen verdachte en zijn dochter en om de onderhavige strafzaak ‘rond’ te krijgen. De medische stukken, screenshots van gesprekken en overige door [slachtoffer] overgelegde bewijsstukken waaruit het gedrag van verdachte blijkt, zijn volgens verdachte door [slachtoffer] op berekende wijze gedurende de afgelopen jaren gefabriceerd. Met deze uitlatingen toont verdachte dat hij het laakbare van zijn handelen niet inziet. De rechtbank rekent verdachte dit alles zeer aan.
Tot slot is er een geladen vuurwapen met munitie aangetroffen in de woning van verdachte. De rechtbank acht dit wapenbezit zeer zorgelijk, niet alleen voor de maatschappij als geheel, maar met name tegen de achtergrond van de dreigende en controlerende houding van verdachte richting [slachtoffer] .
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 26 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in 2022 onherroepelijk is veroordeeld wegens vuurwapenbezit. De rechtbank weegt dit mee in het nadeel van verdachte.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 4 december 2025, opgemaakt door reclasseringswerker [naam 3] . Hierin staat onder meer het volgende. De houding van verdachte, zijn psychosociaal functioneren en de relatie met zijn familie, worden geduid als delictgerelateerde factoren. Er is wel sprake van een stabiele leefsituatie. Verdachte heeft werk waar hij naar verwachting na zijn detentie naar kan terugkeren en beschikt over een vast inkomen waarvan hij kan rondkomen. De reclassering acht het van belang dat er diagnostisch onderzoek wordt ingezet om zicht te krijgen op het psychosociaal functioneren van verdachte en de rol hiervan ten aanzien van de delicten. Er zijn aanknopingspunten voor een zedenbehandeling en de reclassering ziet, in het geval van een bewezenverklaring van mishandeling en belaging, ook op dat gebied indicaties om verdachte aan behandeling te onderwerpen. De reclassering adviseert aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden diagnostiek en een aansluitende ambulante behandeling, een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod voor de gemeente Utrecht.
De op te leggen straf en/of maatregel
- Gevangenisstraf
Gezien de ernst van de gepleegde feiten en de houding van verdachte, alsmede uit het oogpunt van vergelding, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
- Een maatregel ex artikel 38v Sr
Overeenkomstig de vordering van de officier van justitie zal de rechtbank op grond van artikel 38v Sr aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten. Deze maatregel houdt in dat verdachte gedurende vijf jaren geen direct of indirect contact mag opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 3] 1990. Om verdachte ertoe te zetten zich aan het contactverbod te houden, zal de rechtbank bepalen dat twee weken hechtenis wordt toegepast voor elke overtreding van het contactverbod, met een maximum van zes maanden. De rechtbank is van oordeel dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar moet zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte - ook vanuit detentie - opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens [slachtoffer] . De rechtbank heeft hierbij de aard en de ernst van de feiten, waarbij er telkens sprake is van seksueel grensoverschrijdend en gewelddadig gedrag jegens [slachtoffer] , in aanmerking genomen.
- Een maatregel ex artikel 38z Sr
De rechtbank is van oordeel dat het noodzakelijk is om naast voornoemde gevangenisstraf aan verdachte de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen. Hiermee wordt de mogelijkheid gecreëerd om verdachte ook na de gevangenisstraf en de voorlopige invrijheidstelling (met eventueel daaraan te stellen voorwaarden) onder toezicht te stellen en te onderwerpen aan een contactverbod met [slachtoffer] , indien dat tegen die tijd nog altijd nodig blijkt. Op die manier kan het risico op herhaling van ernstige gewelds- en zedendelicten worden beperkt. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. De rechtbank legt immers een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op wegens misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.
- Verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis
De rechtbank zal vanwege het hiervoor overwogene – in het bijzonder de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf – het door de raadsman gedane verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afwijzen. Hieruit blijkt immers dat sprake is van ernstige bezwaren en dat de gronden onverkort aanwezig zijn. Er is gelet op de op te leggen straf evenmin sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 67a, derde lid, Sv.
De inbeslaggenomen voorwerpen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de goederen onder voorwerpnummers 868640 en 868641, te weten een tweetal telefoons, niet voor teruggave vatbaar zijn omdat onderzoek aan deze telefoons tot op heden nog niet mogelijk is gebleken. De officier van justitie heeft verzocht geen beslissing te nemen over deze twee telefoons, nu de inhoud van deze telefoons mogelijk relevant zou kunnen zijn bij een eventuele procedure in hoger beroep. De op de beslaglijst vermelde goederen, te weten drie telefoons onder voorwerpnummers 868646, 868648 en 868649, kunnen aan verdachte worden teruggegeven.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat zes telefoons, een USB-stick, een laptop en een honkbalknuppel, die onder verdachte in beslag zijn genomen, aan verdachte dienen te worden teruggegeven. Het Openbaar Ministerie heeft reeds te kennen gegeven dat de gegevensdragers niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of voor onttrekking aan het verkeer en dat zij aan verdachte kunnen worden teruggegeven.
Het oordeel van de rechtbank
Op de pro forma-zitting van 18 december 2025 is toegezegd door de officier van justitie dat drie telefoons (de rechtbank neemt aan: de telefoons vermeld op de beslaglijst) zullen worden teruggegeven aan verdachte. Met deze zogenoemde ‘last tot teruggave’ is het beslag op deze voorwerpen geëindigd. De feitelijke teruggave is daarin niet doorslaggevend. Immers is met de door de officier van justitie gegeven last tot teruggave van de onder verdachte inbeslaggenomen telefoons op grond van artikel 134, tweede lid, Sv aan dat beslag een einde gekomen, ongeacht of die telefoons feitelijk zijn teruggegeven. Dit maakt dat de rechtbank geen beslissing hoeft te nemen over deze telefoons.
Voor het overige is het voor de rechtbank onvoldoende duidelijk op welke goederen er in deze zaak strafrechtelijk beslag rust, omdat het dossier hierover geen uitsluitsel biedt. De rechtbank onthoudt zich derhalve van beslissingen over andere goederen.
7. De schade van benadeelde
De vordering van de benadeelde partij
Benadeelde [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Zij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 92.475,78, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- therapiekosten € 75,--
- kosten i.v.m. verblijf in opvang en verhuizing inboedel naar Zwolle € 5.072,04
- kosten i.v.m. verhuizing uit opvang Zwolle naar woning [plaats 1] € 9.407,--
- toekomstige verhuizing € 7.673,--
- aanschaf beveiligingscamera € 650,--
- inkomensschade € 12.098,74
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 57.500,-- gevorderd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor toewijzing vatbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente, maar met uitzondering van de gevorderde kosten voor de toekomstige verhuizing en het gevorderde bedrag voor de inkomensschade vanaf maart 2026 tot en met april 2027. De benadeelde partij dient in laatstgenoemde posten niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat deze nog te onzeker zijn.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering integraal afgewezen dient te worden, omdat bij een vrijspraak – zoals door de verdediging bepleit – geen grondslag bestaat voor de gevorderde schadevergoeding. De raadsman heeft aangevoerd dat – ook indien de rechtbank toch tot een bewezenverklaring zou komen – de vordering niet kan worden toegewezen, vanwege het ontbreken van een rechtstreeks causaal verband. Ook zijn een deel van de materiële kosten die door de benadeelde partij zijn gevorderd het gevolg van beslissingen van de benadeelde partij op basis van haar eigen veiligheidsbeleving. Dit kan niet aan verdachte worden toegerekend. Daarnaast geldt dat diverse schadeposten onvoldoende zijn onderbouwd of slechts met een globale schatting zijn begroot.
Het oordeel van de rechtbank
Materieel
- Toekomstige verhuizing en (toekomstige) inkomensschade
De opgevoerde schadeposten voor een toekomstige verhuizing en toekomstige inkomensschade zijn onvoldoende komen vast te staan, omdat onvoldoende is onderbouwd waaruit deze toekomstige schade bestaat, terwijl door of namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist. Dit geldt ook voor het onder de schadepost ‘inkomensschade’ gevorderde bedrag voor de eerste twee maanden van 2026. Het is voor de rechtbank op basis van de stukken die ter onderbouwing zijn aangeleverd niet vast te stellen op welk nettobedrag deze schade moet worden begroot. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadeposten alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor een bedrag van € 19.771,74, niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
- Kosten bed en nachtkastje
De onder de post ‘aanschaf nieuw bed’ opgevoerde schade betreft zogeheten ‘verplaatste schade’, oftewel kosten die door derden (in dit geval de zus van de benadeelde) zijn gemaakt ten behoeve van het slachtoffer. Met de invoering van de Wet affectieschade per 1 januari 2019 is het voor de benadeelde zelf mogelijk geworden – ten aanzien van feiten gepleegd op of na 1 januari 2019 – geleden verplaatste schade binnen het strafproces te vorderen. De rechtbank kan dit deel van de vordering dus inhoudelijk beoordelen. De rechtbank is van oordeel dat de schade die voortvloeit uit het aanschaffen van een nieuw bed in redelijkheid dient te worden toegerekend aan verdachte, gelet op de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal dit deel van de vordering, een bedrag van € 1.499,--, toewijzen. De aanschafkosten van het nieuwe nachtkastje kan niet worden aangemerkt als rechtstreekse schade ten gevolge van de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal de vordering voor dat gedeelte, een bedrag van € 298,-- afwijzen.
- Overige verhuiskosten, therapiekosten, benzinekosten en aanschaf beveiligingscamera
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezen verklaarde feiten 1, 2 en 3 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De boven genoemde schadeposten zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en aannemelijk en door/namens de verdachte onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank wijst dit deel, te weten een bedrag van € 13.407,04 van de vordering daarom toe.
Immaterieel
Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk en psychisch letsel heeft opgelopen als gevolg van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten. De rechtbank is van oordeel dat een vergoeding van € 30.000,-- billijk is, gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de lange periode waarin deze feiten zich hebben afgespeeld de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij. De rechtbank heeft daarbij ook acht geslagen op vergoedingen die in de rechtspraak in enigszins vergelijkbare zaken zijn toegewezen. De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.
Als door verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 208 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 57 Sr.
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feiten 1 tot en met 4 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf: verkrachting, meermalen gepleegd;
feit 2
het misdrijf: mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd;
feit 3
het misdrijf: belaging;
feit 4
de misdrijven:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
maatregel
- legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid als
bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van 5 (vijf) jaren;
- beveelt dat de verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze – direct of
indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 3] 1990;
- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door 2 (twee) weken hechtenis en bepaalt daarbij dat de maximale hechtenis zes maanden bedraagt;
- beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is, omdat er ernstig rekening mee moet
worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich
belastend zal gedragen jegens [slachtoffer] voornoemd;
- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
- legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr;
schadevergoeding [slachtoffer]
- wijst de vordering van de benadeelde partij af tot een bedrag van € 27.798,--;
- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 44.906,04 (bestaande uit € 14.906,04 materiële schade en € 30.000,-- immateriële schade);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] (feiten 1, 2 en 3) van een bedrag van € 44.906,04 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 september 2025);
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 44.906,04 (zegge: vierenveertigduizend negenhonderdzes euro en vier eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 september 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 208 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 19.771,74 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
voorlopige hechtenis
- wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.F. Schreurs, voorzitter, mr. J. Wentink en mr. P. de Mos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Kleinlugtenbeld, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026.
Buiten staat
Mr. De Mos is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.