RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.080773.24
Datum vonnis: 24 maart 2026
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].
1. De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 80.986,65.
2. De procedure
De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 10 maart 2026. De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. M.G. Bischop, advocaat in Deventer, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord.
Op de terechtzitting van 10 maart 2026 heeft de officier van justitie de vordering gehandhaafd.
De raadsvrouw heeft zich, overeenkomstig de inhoud van een aan de rechtbank overgelegde pleitnota, op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen omdat de eerdere oogst is mislukt en de veroordeelde daar niets mee heeft verdiend. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het ontnemingsbedrag op een bedrag van
€ 10.000,00 moet worden vastgesteld omdat de veroordeelde dit bedrag zou ontvangen bij een goede oogst.
3. De beoordeling van de vordering
Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 24 maart 2026 veroordeeld voor het strafbare feit: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumweg gegeven verbod.
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het met deze vordering samenhangende strafdossier en het in de onderhavige zaak opgemaakte rapport berekening
wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 18 maart 2024 (hierna: het rapport).
De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en die voordeel door dat feit of uit de baten daarvan heeft verkregen.
Ook kan wederrechtelijk verkregen voordeel uit andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan, worden ontnomen.
De 648 hennepplanten en de 723 stekjes die op 14 maart 2024 in het bedrijfspand aan de [adres] zijn aangetroffen zijn in beslag genomen. De veroordeelde heeft daarom geen voordeel verkregen door het feit waarvoor hij is veroordeeld.
Tegelijkertijd is de rechtbank van oordeel dat buiten redelijke twijfel staat dat de veroordeelde een ander strafbaar feit heeft begaan waaruit hij voordeel heeft verkregen. Uit het rapport blijkt dat in de periode tussen 1 november 2023 en 14 maart 2024 sprake is geweest van één eerdere oogst. In het rapport wordt melding gemaakt van sporen van deze eerdere oogst zoals hennepplantresten, kalkafzetting, stof op voorwerpen en koolstoffilters, gebruikte koolstoffilters, gebruikte lampen, knipschaartjes met hennepresten, potgrond waarin zich gebruikten stekblokjes en wortelresten bevonden en lege jerrycans met voedingsmiddelen.
De veroordeelde heeft ter zitting ook erkend dat sprake is geweest van een eerdere oogst.
De verdediging stelt dat de eerdere oogst is mislukt, althans dat de opbrengst door ziekte in de planten veel minder was dan gebruikelijk, en dat de beperktere opbrengst tot gruis is verwerkt. Naar het oordeel van de rechtbank strookt deze stelling niet met de inhoud van het rapport en is deze stelling ook verder niet aannemelijk geworden. Uit het rapport blijkt dat in de bedrijfshal meerdere vuilniszakken met knipafval zijn aangetroffen, waarin (knip)resten van volgroeide hennepplanten zaten. In de zakken zaten ook kubusblokjes met wortelresten van volgroeide hennepplanten en takken van hennepplanten waarvan de hennepbloemen waren verwijderd. Gelet op het aantreffen van resten van volgroeide hennepplanten acht de rechtbank de verklaring van de veroordeelde dat de eerste oogst (gedeeltelijk) is mislukt ongeloofwaardig. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat de veroordeelde uit de eerdere oogst het volledige voordeel van een gebruikelijke opbrengst heeft verkregen.
In het rapport wordt uitgegaan van een oogst van 648 planten. Naar het oordeel van de rechtbank kan van dit aantal worden uitgegaan, nu bij de ontmanteling van de hennepkwekerij 648 hennepplanten in kweekruimte 1 zijn aangetroffen. In de kwekerij werd, zo is ter terechtzitting verklaard, met twee ruimten gewerkt. Een voor het opkweken van stekjes en één voor te oogsten planten na de bloeifase.
Bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel hanteert de rechtbank de
standaardberekening en normen uit het rapport 'Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht' van het Functioneel Parket Afpakken (FPA) van 1 juni 2016, zoals genoemd in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank gaat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de door FPA gehanteerde normen van een opbrengst van 27,7 gram hennep per plant en een gemiddelde opbrengst van € 4.070,00 per kilogram.
De rechtbank houdt rekening met door de veroordeelde gemaakte kosten (per oogst) zoals deze volgen uit voornoemd rapport van het FPA.
De rechtbank acht voormelde berekening van de opbrengst en de kosten aannemelijk en zal deze overnemen. De primaire stelling van de veroordeelde over een verminderde opbrengst bij de eerdere oogst en de subsidiaire dat hij voor zijn werkzaamheden in de kwekerij (niet meer dan) € 10.000,- zou ontvangen bij een goede oogst, zijn niet aannemelijk geworden.
De rechtbank zal de door de benadeelde partij Enexis Netbeheer gevorderde elektriciteitskosten niet in mindering brengen omdat deze vordering in de hoofdzaak niet is toegewezen en deze kosten daarom overeenkomstig het bepaalde in artikel 36e, lid 9 Sr niet voor aftrek in aanmerking komen.
De rechtbank ziet wel aanleiding om in aanvulling op de berekening in het rapport rekening te houden met de huurkosten die zijn gemaakt. Nu uit het rapport blijkt dat sprake is geweest van een kweekcyclus van 8 weken, en uit het dossier blijkt dat een bedrag van € 1.837,40 per maand huur is betaald, zal de rechtbank een bedrag van € 3.674,80 (2 x € 1.837,40) aan extra kosten in rekening brengen.
Dit leidt bij éénmaal oogsten van 648 planten tot de volgende berekening:
Opbrengst:
in kweekruimte € 87.665,77
=========
Kosten:
afschrijvingskosten € 400,00
hennepstekken € 2.468,88
variabele kosten € 2.514,24
Kosten knippers € 1.296,00
Huurkosten € 3.674,80
========
€ 10.353,92 ===========
Wederrechtelijk verkregen voordeel € 77.311,85
De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 77.311,85.
verdelingswijze
Op basis van de bewijsmiddelen in het vonnis acht de rechtbank aannemelijk dat de veroordeelde en zijn mededader beiden voordeel hebben genoten. Nu de veroordeelden niets over de onderlinge verdeling hebben verklaard en het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor een andere toerekening, zal de rechtbank het voordeel pondspondsgewijze aan de veroordeelden toerekenen. Voor de door de officier gevorderde hoofdelijke aansprakelijkheid ziet de rechtbank geen wettelijk aanknopingspunt.
Dit betekent dat van het totale wederrechtelijke voordeel van € 77.311,85 het wederrechtelijke voordeel dat de veroordeelde heeft verkregen, wordt geschat op
€ 38.655,93.
De vaststelling van de betalingsverplichting
De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 38.655,93.
Duur gijzeling.
Ingevolge artikel 36e, elfde lid, Sr zal de rechtbank de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd vaststellen op 386 dagen. De rechtbank hanteert daarbij het LOVS-oriëntatiepunt, inhoudende dat voor iedere volle € 100,00 van het opgelegde bedrag één dag gijzeling wordt gerekend.
4. De wettelijke voorschriften
De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.
5. De beslissing
De rechtbank:
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. A.J. de Loor en mr. R.J. Postma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.