RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.059231.24 (P)
Datum vonnis: 24 maart 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [woonadres] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. A.R. Maarsingh, advocaat in Deventer, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
samen met anderen 1371 hennepplanten heeft geteeld.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 14 maart 2024 te Deventer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] te [woonplaats] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1.371 planten , althans (telkens) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van de bewezenverklaring geen standpunt ingenomen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van dit feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:
Die bewijsmiddelen zijn:
- het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij van 18 maart 2024, inclusief de bijbehorende fotorapportage (pagina’s 157 tot en met 183);
- het proces-verbaal van de zitting van 10 maart 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 14 maart 2024 te Deventer tezamen en in vereniging met een ander heeft geteeld in een pand aan de [adres] te [woonplaats] 1.371 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. De rechtbank merkt nog op dat verdachte heeft verklaard dat hij en zijn medeverdachte [medeverdachte] in opdracht van een ander, of anderen handelden. Verdachte heeft over deze vermeende andere persoon of personen niet nader willen verklaren, naar eigen zeggen uit angst voor zijn veiligheid. De rechtbank stelt vast dat voor het bestaan van een andere mededader dan medeverdachte [medeverdachte] in het dossier niet is gebleken. Met uitzondering van de knipster die tegelijk met medeverdachte [medeverdachte] in de loods is aangehouden. Haar rol ziet de rechtbank evenwel als die van een medeplichtige in plaats van medepleger. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] de hennepkwekerij gezamenlijk hebben gedreven.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumweg gegeven verbod.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 200 uren, bij niet verrichten te vervangen door 100 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman verzoekt een werkstraf van maximaal 100 uren op te leggen. Hij heeft daarbij onder meer gewezen op de omstandigheid dat dat de redelijke termijn is overschreden. Verder heeft hij betoogd dat verdachte in strijd met artikel 22 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: Ambtsinstructie) is geboeid, wat een onherstelbaar vormverzuim oplevert en moet leiden tot strafvermindering.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het telen van een groot aantal hennepplanten in een bedrijfspand aan de [adres] in [woonplaats] . Verdachte heeft onder meer in de kwekerij geïnvesteerd en hij heeft de hennepplanten verzorgd.
De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk. Niet alleen wegens de bijdrage die verdachte
op deze manier heeft geleverd aan de productie van middelen die bedreigend zijn voor de
volksgezondheid maar ook omdat hij heeft bijgedragen aan de instandhouding van de veelal met hennepteelt gepaard gaande andere criminele activiteiten.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Verder heeft de rechtbank bij haar beslissing rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 26 januari 2026, waaruit blijkt dat hij eerder op 13 november 2017 is veroordeeld voor een soortgelijke overtreding van de Opiumwet.
Bij de strafoplegging heeft de rechtbank vastgesteld dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Verdachte is op 14 maart 2024 in verzekering gesteld. Op dat moment is de redelijke termijn aangevangen waarbinnen verdachte dient te worden berecht. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aanvangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De datum van dit vonnis is 24 maart 2026, wat betekent dat de redelijke termijn met 10 dagen is overschreden. Van bijzondere omstandigheden die een overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen, is niet gebleken. De rechtbank acht de overschrijding met 10 dagen echter niet zodanig dat hieruit consequenties voor de strafmaat zouden moeten volgen. Daarom volstaat de rechtbank met de enkele constatering dat sprake is van een geringe overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank ziet in het betoog van de raadsman dat de Ambtsinstructie is geschonden evenmin aanleiding om de hoogte van de straf te verlagen, zelfs al zou sprake zijn geweest van een vormverzuim.
Alles afwegende acht de rechtbank een werkstraf van 200 uren met aftrek in verband met het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden passend en geboden. De proeftijd zal de rechtbank op 3 jaar vaststellen.
7. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b en 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.
8. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3
onder B van de Opiumweg gegeven verbod.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 200 (tweehonderd) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen;
- beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat twee uren per dag aftrek plaatsvindt;
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. A.J. de Loor en mr. R.J. Postma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.