RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser,
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2433
en
gemachtigde: [gemachtigde].
Procesverloop
Bij besluit van 16 januari 2025 heeft het UWV eisers uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) beëindigd per 17 februari 2025.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 6 augustus 2025 heeft het UWV eisers bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door [naam] en de gemachtigde van het UWV.
Totstandkoming van het bestreden besluit en verdere verloop
Eiser is werkzaam geweest als magazijnmeester voor gemiddeld 31,95 uur per week bij [bedrijf] B.V. Op 10 juli 2023 heeft hij zich ziek gemeld. Eiser is ziek uit dienst gegaan en heeft een ZW-uitkering ontvangen. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWB) is verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder 'Procesverloop".
Op 7 april 2025 heeft eiser zich vanuit de Werkloosheidswet (WW) opnieuw ziek gemeld. Eiser heeft opnieuw een ZW-uitkering ontvangen. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek is eiser in staat geacht de bij de EZWB geduide functies te verrichten. Bij besluit van 25 juni 2025 heeft het UWV eiser meegedeeld dat hij vanaf 25 augustus 2025 weer arbeidsgeschikt wordt geacht.
Standpunten van partijen
Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser te laat bezwaar heeft gemaakt. Deze termijnoverschrijding is niet verschoonbaar. Het UWV heeft daarbij verwezen naar het rapport van 5 augustus 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Eiser stelt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De complexiteit en cumulatie van zijn klachten is onvoldoende meegewogen. De optelsom en wisselwerking van zijn fysieke en psychische beperkingen putten eiser volledig uit en maakten administratieve handelingen, zoals het indienen van een bezwaar, onmogelijk. Dat eiser geen psychofarmaca gebruikt acht hij niet relevant. De beoordeling van eisers cognitief functioneren door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is een momentopname en weerspiegelt niet de dagelijkse realiteit van iemand met een burnout en depressie. Ten slotte heeft eiser aangevoerd dat het inroepen van hulp onrealistisch is gebleken. Eisers vertrouwenspersoon was niet in Nederland, wat communicatie en praktische hulp bemoeilijkte. Bij depressie en burnout is het initiatief nemen om hulp te vragen juist één van de uitdagingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep verwacht hier een mate van pro-activiteit die eisers medische toestand simpelweg niet toeliet.
Het UWV ziet in het aangevoerde geen aanleiding zijn standpunt te wijzigen.
Beoordelingskader
Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt. Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat een bezwaarschrift bij verzending per post tijdig is ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding wordt mede getoetst aan de hand van de in de jurisprudentie ontwikkelde maatstaven.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank dient te beoordelen of het UWV het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet slaagt en overweegt hiertoe als volgt.
Het UWV heeft eisers bezwaarschrift, tegen het besluit van 16 januari 2025 pas op
8 april 2025 ontvangen. Dit is na de termijn van zes weken. Nu het bezwaar niet binnen de wettelijke termijn is ontvangen, is het in beginsel niet-ontvankelijk.
In de rechtspraak is de lijn over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding aangepast. Uit deze rechtspraak volgt dat bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding meer sprake moet zijn van maatwerk en dat er meer en eerder dan voorheen rekening moet worden gehouden met bijzondere omstandigheden. Bij bijzondere omstandigheden kan het gaan om persoonlijke omstandigheden, bijvoorbeeld psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval van de indiener of ziekte of overlijden van diens naasten, of om externe omstandigheden, zoals een natuurramp, een besmettelijke dierziekte op het bedrijf of een brand in de woning of in een bedrijfspand. Daarnaast kan het niet tijdig indienen van een bezwaar- of beroepschrift niet aan de indiener worden toegerekend als deze daarvan geen verwijt kan worden gemaakt.
Vooropgesteld moet worden dat de termijnoverschrijding van de bezwaartermijn met zes weken een aanzienlijke is.
Naar aanleiding van hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd met betrekking tot de reden voor de te late indiening van het bezwaarschrift is op 5 augustus 2025 gerapporteerd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Hij heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van een medisch verschoonbare reden voor het te laat (circa zes weken) indienen van het bezwaar. Bij eiser is sprake van spanningsklachten. Hij wordt hiervoor behandeld door de POH-GGZ met gesprekken eenmaal per 3 weken. De behandeling wordt niet ondersteund met psychofarmaca (dit kan van invloed zijn op het cognitief functioneren). De verzekeringsarts vermeldt bij de EZWB als algemene indruk het volgende in zijn rapport van 13 november 2024: "Betrokkene vertelt helder en adequaat. Hij kan de aandacht goed richten en vasthouden. De intonatie is normaal, waardoor de stemming imponeert als neutraal. Gesprek verloopt in een prettige sfeer. Intelligente man." Gelet op de bevindingen is er geen sprake van ernstige psychische klachten en blijkt niet dat er sprake was van zodanige psychische klachten/problematiek dat eiser (of namens eiser één van de kinderen of de partner) niet tijdig bezwaar had kunnen indienen. Eiser had ook zijn vertrouwenspersoon kunnen bellen of mailen met het verzoek om voorlopig bezwaar in te dienen. Eiser is vervolgens in juni 2025 gezien in het kader van een ZW-beoordeling tijdens een spreekuurop 3 juni 2025 door een arts. Uit de rapportages van 4 juni 2025 en 25 juni 2025 die hierop toezien blijkt niet dat de psychische klachten/problematiek ernstiger zijn dan aangenomen tijdens de EZWB in november 2024. Eiser gebruikt onveranderd geen psychofarmaca, kan zo nodig contact opnemen met de POH-GGZ. Er is gelet op anamnese en observatie sprake van een normaal cognitief functioneren.
De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank acht in dit kader van belang dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie van juni 2025 van eisers huisarts heeft betrokken in zijn onderzoek, waardoor kenbaar is, dat de situatie van betrokkene niet is verslechterd. Eiser heeft daartegenover geen (medische) informatie in geding gebracht, die aanleiding geeft hieraan te twijfelen. Er bestaat daarom geen aanleiding te concluderen dat eiser als gevolg van zijn gezondheidssituatie niet in staat is geweest tijdig (voorlopig) bezwaar te maken.
Verder merkt de rechtbank op dat er, gelet op de opleidingen die eiser heeft gevolgd, geen aanleiding is om aan te nemen dat eiser beperkt is in zijn ‘doe vermogen’. De rechtbank ziet dan ook niet in dat eiser niet in staat was om zelf of met hulp van een derde tijdig een (voorlopig) bezwaarschrift in te dienen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
7. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ook krijgt eiser het door hem betaalde griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van W. Veldman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.