RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.080773.24 (P)
Datum vonnis: 24 maart 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.G. Bischop, advocaat in Deventer, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: met een ander of anderen 1371 hennepplanten heeft geteeld;
feit 2: elektriciteit heeft gestolen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1.hij op of omstreeks 14 maart 2024 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] te [plaats])een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1.371 planten, althans (telkens) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;2.hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2024 tot en met 14 maart 2024 te [plaats],met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door braak en/of verbreking.
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd omdat uit de bewijsmiddelen niet is gebleken dat verdachte betrokkenheid bij de diefstal van stroom heeft gehad.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij. De rechtbank overweegt daartoe dat uit het dossier niet is gebleken dat verdachte enige betrokkenheid heeft gehad en/of wetenschap had van de diefstal van de elektriciteit. Verdachte had het energiecontract weliswaar op zijn naam staan, maar dat is voor een bewezenverklaring van dit feit onvoldoende.
De rechtbank is van oordeel dat wel wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van dit feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Die bewijsmiddelen zijn:
- het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij van 18 maart 2024, inclusief de bijbehorende fotorapportage (pagina’s 157 tot en met 183);
- het proces-verbaal van de zitting van 10 maart 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij op 14 maart 2024 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres] te [plaats] een hoeveelheid van 1.371 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. De rechtbank merkt nog op dat verdachte heeft verklaard dat hij en zijn medeverdachte [medeverdachte] in opdracht van een ander, of anderen handelde. Verdachte heeft over deze vermeende andere persoon of personen niet nader willen verklaren, naar eigen zeggen uit angst voor zijn veiligheid. De rechtbank stelt vast dat voor het bestaan van een andere mededader dan medeverdachte [medeverdachte] in het dossier niet is gebleken. Met uitzondering van de knipster die tegelijk met verdachte in de loods is aangehouden. Haar rol ziet de rechtbank evenwel als die van een medeplichtige in plaats van medepleger. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] de hennepkwekerij gezamenlijk hebben gedreven.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumweg gegeven verbod.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 200 uren (bij niet verrichten te vervangen door 100 dagen hechtenis) en een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw acht de oplegging van een werkstraf passend. Zij heeft daarbij gewezen op de omstandigheden dat verdachte first offender is, dat de redelijke termijn is overschreden en dat verdachte zijn leven inmiddels goed op orde heeft. Zo heeft verdachte een huis gekocht, woont hij samen en heeft hij een vaste baan. Gelet hierop, en omdat verdachte een first offender is, is de oplegging van een (voorwaardelijke) gevangenisstraf niet passend.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het telen van een groot aantal hennepplanten in een bedrijfspand aan de [adres] in [plaats].
Verdachte heeft onder meer de huur van het pand betaald, had het energiecontract op zijn naam staan en heeft de hennepplanten verzorgd en geholpen bij het oogsten.
De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk. Niet alleen wegens de bijdrage die verdachte op deze manier heeft geleverd aan de productie van middelen die bedreigend zijn voor de
volksgezondheid maar ook omdat hij heeft bijgedragen aan de instandhouding van de vaak met hennepteelt gepaard gaande andere criminele activiteiten.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Verder heeft de rechtbank bij haar beslissing in het voordeel van verdachte rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 26 januari 2026, waaruit blijkt dat hij geen relevante justitiële documentatie heeft.
Bij de strafoplegging heeft de rechtbank vastgesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) is overschreden. Verdachte is op 14 maart 2024 in verzekering gesteld. Op dat moment is de redelijke termijn aangevangen waarbinnen verdachte dient te worden berecht. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aanvangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De datum van dit vonnis is 24 maart 2026, wat betekent dat de redelijke termijn met 10 dagen is overschreden. Van bijzondere omstandigheden die een overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen, is niet gebleken. De rechtbank acht de overschrijding met 10 dagen echter niet zodanig dat hieruit consequenties voor de strafmaat zouden moeten volgen. Daarom volstaat de rechtbank met de enkele constatering dat sprake is van een geringe overschrijding van de redelijke termijn.
Alles afwegende acht de rechtbank een werkstraf van 180 uren met aftrek in verband met het ondergane voorarrest passend en geboden. Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden op te leggen met een proeftijd van 3 jaar. Weliswaar is verdachte een first offender, maar het betreft geen impulsieve daad, maar een bewuste keuze om hennep te gaan kweken, met de kennelijke bedoeling om financiële tekorten aan te vullen. Om verdachte ervan te weerhouden deze keuze, bij financiële tegenwind in de nabije toekomst, nogmaals te maken acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Gelet op zijn jeugdige leeftijd acht de rechtbank een proeftijd van 3 jaar aangewezen.
7. De schade van benadeelde
De rechtbank zal de benadeelde partij Enexis Netbeheer niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding, omdat verdachte van het feit ten gevolge waarvan Enexis Netbeheer schade stelt te hebben geleden, wordt vrijgesproken. De benadeelde partij kan de vordering enkel aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b en 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.
9. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
feit 1, het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumweg gegeven verbod;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;
- beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat twee uren per dag aftrek plaatsvindt;
schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partij: Enexis Netbeheer (feit 2) niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. A.J. de Loor en mr. R.J. Postma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.