RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummers: 08.134305.24; 08.029130.24; 08.019069.25 (gevoegd) (P)
Datum vonnis: 31 maart 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1981 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. D.P. Kant, advocaat in Capelle aan den IJssel, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Voor de leesbaarheid van het vonnis zal de rechtbank het onder parketnummer 08.029130.24 ten laste gelegde feit doornummeren als feit 4 en de onder parketnummer 08.019069.25 ten laste gelegde feiten doornummeren als feiten 5, 6, 7 en 8 na de feiten ten laste gelegd onder parketnummer 08.134305.24.
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
parketnummer 08.134305.24
feit 1: op 14 september 2023 in [plaats 1] openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een auto (primair) dan wel samen met een ander een auto heeft vernield (subsidiair);
feit 2: op 11 september 2023 een auto en/of een woning heeft vernield dan wel beschadigd;
feit 3: in de periode van 3 augustus 2023 tot en met 8 augustus 2023 [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) heeft bedreigd;
parketnummer 08.029130.24
feit 4: op 25 januari 2024 een auto heeft vernield dan wel beschadigd;
parketnummer 08.019069.25
feit 5: op 18 maart 2024 [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) heeft bedreigd;
feit 6: op 3 juli 2024 een contactverbod met [slachtoffer 1] heeft overtreden;
feit 7: op 6 november 2024 een auto heeft vernield dan wel beschadigd;
feit 8: op 12 december 2024 een contactverbod met [slachtoffer 2] heeft overtreden.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
parketnummer 08.134305.24
1
hij op of omstreeks 14 september 2023 te [plaats 1], gemeente Hardenberg
openlijk, te weten op of aan de openbare weg, [adres 1], in elk geval op of aan de
openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een goed, te weten een auto (Hyundai,
kenteken [kenteken 1]), door
meermaals op de auto te slaan/stompen en/of met een voorwerp op de auto te
slaan,
terwijl hij, verdachte dit goed opzettelijk heeft vernield;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 september 2023 te [plaats 1], gemeente Hardenberg
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
opzettelijk en wederrechtelijk een auto (Hyundai, kenteken [kenteken 1]), in elk geval
enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander
toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of
weggemaakt;
2
hij op of omstreeks 11 september 2023 te [plaats 1], gemeente Hardenberg
opzettelijk en wederrechtelijk
- een auto (Hyundai, kenteken [kenteken 1]), in elk geval enig goed, dat/die geheel of
ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander toebehoorde(n), en/of
- een woning, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Vechtdal Wonen,
in elk geval aan een ander toebehoorde(n)
heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
3
hij in of omstreeks de periode van 3 augustus 2023 tot en met 8 augustus 2023 te
[plaats 1], gemeente Hardenberg
[slachtoffer 1] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "Als ik jou tegenkom
breek ik al jouw botten, alleen, zonder pistool, zonder mes, zonder wapen, alleen
breek ik jou botten. Want jij komt het ziekenhuus persoonlijk door mij te liggn",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
parketnummer 08.029130.24
4
hij op of omstreeks 25 januari 2024 te [plaats 1], gemeente Hardenberg
opzettelijk en wederrechtelijk een auto (Audi, kenteken [kenteken 2]), in elk geval enig
goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander
toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of
weggemaakt;
parketnummer 08.019069.25
5
hij op of omstreeks 18 maart 2024 te [plaats 1], gemeente Hardenberg, en/of
Coevorden, althans in Nederland,
[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met
brandstichting,
door die voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] telefonisch dreigend de woorden toe
te voegen:
- dat hij, verdachte, (zakelijk weergegeven) de wagen van voornoemde [slachtoffer 1]
en/of [slachtoffer 2] in de brand zou steken en/of voornoemde [slachtoffer 1] door de kop zou
schieten en/of
- “ ik schiet je dood” en/of “ik maak je af met je kankerhoofd”,
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
6
hij op of omstreeks 3 juli 2024 te [plaats 1], gemeente Hardenberg, en/of
Coevorden, althans in Nederland,
opzettelijk
heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel
509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de
gedragsaanwijzing (behorend tot parketnummer 08.134305.24) d.d. 19 april 2024
gegeven door de officier van justitie te Oost-Nederland (kort weergegeven)
inhoudende dat hij, verdachte, zich dient te onthouden van (ieder) contact met
[slachtoffer 1],
door telefonisch contact met voornoemde [slachtoffer 1] op te nemen;
7
hij op of omstreeks 6 november 2024 te [plaats 2], gemeente Hardenberg, althans in
Nederland,
opzettelijk en wederrechtelijk
een auto, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]
, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd,
onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
8
hij op of omstreeks 12 december 2024 te [plaats 1], gemeente Hardenberg, en/of
Coevorden, althans in Nederland,
opzettelijk
heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel
509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de
verlenging van de gedragsaanwijzing (behorend tot parketnummer 08.029130.24)
d.d. 10 oktober 2024 gegeven door de officier van justitie te Oost-Nederland (kort
weergegeven) inhoudende dat hij, verdachte, zich dient te onthouden van (ieder)
contact met [slachtoffer 2],
door telefonisch contact met voornoemde [slachtoffer 2] op te nemen.
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard, met dien verstande dat het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat geen sprake is van de voor openlijke geweldpleging vereiste ‘nauwe en bewuste samenwerking’ tussen verdachte en de medeverdachte met betrekking tot het door hen gepleegde geweld.
De raadsman heeft voorts vrijspraak bepleit van het onder 2, 4, en 7 ten laste gelegde. Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde vernielingen heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op het vernielen van de auto en de woning.
Ten aanzien van het onder 1 subsidiair, 3, 5, 6 en 8 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van feit 1
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 14 september 2023 omstreeks 21:00 uur rijden verdachte en zijn partner [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) achter elkaar aan naar de woning van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) aan [adres 1] in [plaats 1]. De auto van [slachtoffer 2], een Hyundai met het kenteken [kenteken 1], staat op de oprit geparkeerd. Verdachte loopt naar de Hyundai toe en slaat vervolgens meerdere keren met een lang en dun voorwerp met kracht tegen de achterruit en de ruit van het linker achterportier. Hierdoor ontstaat schade aan het linker achterportier en de achterruit van de Hyundai sneuvelt volledig. Daarna slaat verdachte nog tegen de rechterzij-/achterkant van de Hyundai. Vervolgens loopt verdachte van de oprit af en praten [medeverdachte] en verdachte even met elkaar. [medeverdachte] loopt dan vanaf haar auto richting de woning van [slachtoffer 2]. Daarna gooit verdachte het voorwerp waarmee hij zojuist heeft geslagen op de oprit van [slachtoffer 2]. [medeverdachte] loopt naar de Hyundai en slaat met haar vuisten op de voorruit en de motorkap. Ze pakt het voorwerp van de grond op en slaat hiermee meerdere keren op de voorruit, de motorkap, het rechter voorlicht en het linker achterlicht van de Hyundai. Hierdoor ontstaat schade aan de voorruit. [medeverdachte] en verdachte rijden vervolgens achter elkaar aan weg in dezelfde richting.
Openlijke geweldpleging: het ‘in vereniging’ plegen van geweld
Van het ‘in vereniging’ plegen van geweld in de zin van artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is sprake als de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld. Bovendien moet sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het openlijk plegen van dat geweld tegen (in dit geval) een auto. Voor een nauwe en bewuste samenwerking is niet vereist dat de medeplegers op hetzelfde moment starten met het toepassen van geweld.
De rechtbank is, anders dan door de verdediging is betoogd, van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van geweld in vereniging. De bijdrage van verdachte aan het geweld is significant en wezenlijk. Ook is op basis van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] ten aanzien van het openlijk geweld tegen de auto. Zij komen kort na elkaar bij de woning van [slachtoffer 2] aan en slaan vervolgens beiden meermalen (met een voorwerp) tegen de auto van [slachtoffer 2]. De omstandigheid dat verdachte en [medeverdachte] dit geweld niet precies tegelijk plegen maakt niet dat geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Eerst slaat verdachte in aanwezigheid van [medeverdachte] met een voorwerp tegen de Hyundai en kort daarna slaat [medeverdachte] in aanwezigheid van verdachte eerst met haar vuisten en daarna met hetzelfde voorwerp tegen de Hyundai. Ondertussen hebben zij ook nog met elkaar gesproken.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het openlijk in vereniging geweld plegen tegen de auto van [slachtoffer 2].
De strafverzwarende omstandigheid ex artikel 141, tweede lid, Sr
Aan verdachte is de strafverzwarende omstandigheid ten laste gelegd dat hij door dat openlijke geweld de auto van Vijfschacht heeft vernield. Van vernielen is juridisch gezien sprake indien de auto zodanig is beschadigd dat het door reparatie niet meer in de oude toestand kan worden hersteld. De rechtbank stelt vast dat daarvan geen sprake is, zodat verdachte van de strafverzwarende omstandigheid moet worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 2
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 11 september 2023 rijden verdachte en [medeverdachte] in een rode Fiat Punto naar de woning van [slachtoffer 2] aan [adres 1] in [plaats 1]. Verdachte parkeert de auto op de straat die voor de woning langs loopt. De auto van [slachtoffer 2], een Hyundai met het kenteken [kenteken 1], staat op de oprit van de woning geparkeerd. Verdachte en [medeverdachte] stappen de auto uit en hebben buiten kort contact met [slachtoffer 2] en een fysieke confrontatie met haar partner [slachtoffer 1]. [medeverdachte] is hierbij hard gevallen en verdachte is geraakt door een stok. Verdachte en [medeverdachte] stappen daarna weer in hun auto. Verdachte rijdt met de auto met een hogere snelheid dan normaal met een bocht achterwaarts de oprit van [slachtoffer 2] op en rijdt vervolgens met de achterzijde van zijn auto tegen de achterzijde van de Hyundai van [slachtoffer 2] aan. Door de botsing wordt de Hyundai ongeveer drie meter naar voren gedrukt, waardoor de voorzijde van de Hyundai tegen de woning (woonwagen) aan botst. Door de botsing ontstaat schade aan de voor- en achterzijde van de Hyundai en aan de woning. [slachtoffer 2] huurt de woning van Vechtdal Wonen.
Niet ter discussie staat dat verdachte met zijn auto tegen de auto van [slachtoffer 2] is gereden, zoals hierboven is omschreven. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij (samen met [medeverdachte]) na de confrontatie met [slachtoffer 1] bij de woning van [medeverdachte] in paniek was, snel weg wilde en is weggereden. Verdachte is daarbij per ongeluk achteruit gereden en per ongeluk tegen de auto van [slachtoffer 2] gebotst.
De rechtbank acht op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat verdachte willens en wetens – en dus met vol opzet – tegen de auto van [slachtoffer 2] is gebotst. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte met volle vaart met zijn auto achteruit is gereden, een bocht heeft genomen en met de achterzijde van zijn auto exact tegen de achterzijde van de auto van [slachtoffer 2] aan is gereden. De verklaring van verdachte dat hij per ongeluk achteruit is gereden en per ongeluk tegen de auto van [slachtoffer 2] is aan gereden, acht de rechtbank gelet op de vastgestelde feiten niet aannemelijk. In het geval dat verdachte haastig met zijn auto wilde wegrijden had het voor de hand gelegen rechtdoor de straat uit te rijden in plaats van achteruit te rijden en te keren op de oprit van [slachtoffer 2].
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte opzet had om met zijn handelen de woning van Vechtdal Wonen te beschadigen, ook niet in voorwaardelijke zin. De rechtbank zal verdachte daarvan partieel vrijspreken.
Ten aanzien van feit 3
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 6 augustus 2023 wordt [slachtoffer 1] gebeld door het telefoonnummer [telefoonnummer 1] dat hij in zijn telefoon heeft opgeslagen onder de naam ‘[medeverdachte]’. [slachtoffer 1] herkent de mannenstem als de stem van verdachte en de vrouwenstem als de stem van de partner van verdachte, [medeverdachte] . Uit een opname van het gesprek volgt dat de mannenstem zegt: ‘als ik jou tegenkom breek ik al jouw botten, alleen, zonder pistool, zonder mes, zonder wapen, alleen breek ik jou botten. Want jij komt het ziekenhuus persoonlijk door mij te liggn’.
De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] op 6 augustus 2023 heeft bedreigd. Door de geuite bewoordingen kon bij [slachtoffer 1] de redelijke vrees ontstaan dat verdachte [slachtoffer 1] daadwerkelijk zwaar zou mishandelen. De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde daarmee wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 4
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op donderdagavond 25 januari 2024 hoort [slachtoffer 1], een harde knal. De auto van [slachtoffer 2], een Audi met het kenteken [kenteken 2], staat op de oprit van haar woning aan [adres 1] in [plaats 1] geparkeerd. [slachtoffer 2] ziet dat de ruiten van haar auto zijn vernield. Op camerabeelden is te zien dat er die avond omstreeks 22:56 uur een persoon naar de Audi loopt en met een stang meerdere ruiten van de Audi inslaat. De persoon loopt vervolgens weg in dezelfde richting als waar hij vandaan kwam. [slachtoffer 1] herkent de man op de camerabeelden als verdachte.
Even daarvoor, omstreeks 22:55 uur, ziet getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1]) een grijze Volkswagen Bora met het kenteken [kenteken 3] aan komen rijden over de [adres 2] in [plaats 1]. De bestuurder van de Bora parkeert ter hoogte van het steegje naar [adres 1]. [getuige 1] ziet een man uit de auto stappen en met versnelde pas het steegje in lopen. De man heeft een grondboor in zijn handen. [getuige 1] hoort vervolgens acht à tien dreunen of klappen. Hij ziet dat de man met versnelde pas naar zijn auto terugloopt en wegrijdt in de richting van Coevorden. Getuige [getuige 2] ziet dat de man die de Audi vernielt, dezelfde man is die daarna instapt in een grijze Volkswagen Bora die geparkeerd staat aan de [adres 2].
Op 26 januari 2024 omstreeks 01:34 uur gaat de politie naar de woning van [medeverdachte], en treft daar verdachte aan. Verbalisanten zien een grijze Volkswagen Bora achter de woning van [medeverdachte] geparkeerd staan. [medeverdachte] verklaart dat haar auto een grijze Volkswagen Bora met het kenteken [kenteken 3] betreft.
De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 25 januari 2024 de auto van [slachtoffer 2] heeft beschadigd. Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden volgt dat de man die de Audi heeft beschadigd, in- en uitstapt in de Volkswagen Bora waarvan het kenteken op één letter na overeenkomt met het kenteken van de Volkswagen Bora van de partner van verdachte. Daarnaast wordt verdachte op de camerabeelden herkend door [slachtoffer 1].
Het voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen
Voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen, heeft de raadsman verzocht een drietal getuigen te horen die kunnen verklaren over waar verdachte op de avond van 25 januari 2024 was, te weten [getuige 5], [getuige 3] en [getuige 4]. De rechtbank wijst dit voorwaardelijk verzoek af. De rechtbank is gelet op het hiervoor overwogene van oordeel dat de noodzaak van het horen van deze getuigen niet is gebleken.
Ten aanzien van feit 5
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 18 maart 2024 om 16:31 uur wordt [slachtoffer 1], terwijl hij in de woning bij [slachtoffer 2] te [plaats 1] aangifte doet tegen verdachte, gebeld door een anoniem nummer. De aanwezige verbalisant hoort een mannenstem via de telefoon op agressieve wijze zeggen dat hij [slachtoffer 1] door de kop zou schieten en dat hij de wagen in de brand ging steken. Ook zegt de mannenstem: ‘ik schiet je dood’ en ‘ik maak je af met je kankerhoofd’. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] herkennen de mannenstem als de stem van verdachte.
Uit onderzoek van de politie volgt dat het anonieme telefoonnummer waarmee [slachtoffer 1] op 18 maart 2024 om 16:31 uur is gebeld, het telefoonnummer +[telefoonnummer 2] betreft. Dit nummer is sinds 22 november 2023 bij de politie bekend als het nummer van verdachte. Ook heeft verdachte in zijn verhoor van 13 januari 2025 verklaard dat dit zijn telefoonnummer is.
Verdachte heeft over de bedreiging tegenover de politie verklaard dat het ‘zou kunnen dat hij dit heeft gezegd’ en ‘dat men ook kan horen waarom hij dat zegt’.
De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 18 maart 2024 heeft bedreigd. Door de geuite bewoordingen kon bij [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] de redelijke vrees ontstaan dat daadwerkelijk een misdrijf tegen het leven zou worden gepleegd en brand zou worden gesticht. De rechtbank acht het onder 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 6
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 22 april 2024 krijgt verdachte een gedragsaanwijzing, behorend tot parketnummer 08.134305.24 en gedateerd 19 april 2024, uitgereikt. De gedragsaanwijzing houdt in dat verdachte gedurende negentig dagen (vanaf het moment van uitreiking) op geen enkele wijze contact mag opnemen met [slachtoffer 1].
Op 3 juli 2024 om 22:52 uur wordt [slachtoffer 1] gebeld met een privénummer. [slachtoffer 1] herkent de stem van de persoon die hem belt als de stem van verdachte. [slachtoffer 2] neemt het gesprek op. De mannenstem op de opname zegt onder meer meerdere keren: ‘Jij hebt mijn auto's in de brand gestoken’.
Een verbalisant herkent de mannenstem op de opname als de stem van verdachte. Ook heeft verdachte ter zitting meerdere keren verklaard dat hij [slachtoffer 1] ervan verdenkt dat hij zijn auto’s in de brand heeft gestoken.
De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 3 juli 2024 het contactverbod met [slachtoffer 1] heeft overtreden door telefonisch contact op te nemen met [slachtoffer 1]. Het onder 6 ten laste gelegde is daarmee wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 7
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 6 november 2024 omstreeks 15:13 uur is verdachte als glazenwasser aan het werk bij de woning gelegen aan [adres 3] in [plaats 2]. Op camerabeelden van deze woning is te zien dat een man om 15:14:05 uur de achtertuin in loopt en een tuinslang in zijn handen heeft. Een verbalisant herkent de man op de beelden als verdachte. De bewoner van [adres 3], getuige [getuige 6], verklaart dat zijn glazenwasser ‘[naam 1]’ heet.
Op dat moment rijden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in hun auto (een Volkswagen Caddy) op de [adres 3] in [plaats 2]. Aan de linkerkant van de weg zien zij verdachte staan. [slachtoffer 2] ziet dat verdachte een glazenwassersstok in zijn handen heeft. Op het moment dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met de auto langs verdachte rijden, horen zij een harde klap op hun auto. Zij zien daarna in hun autospiegels dat verdachte een voorwerp van de straat afpakt. Door de klap is schade aan de linker zijkant van de auto ontstaan.
Op camerabeelden van de woning gelegen aan de [adres 4] is te zien dat de auto van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] omstreeks 15:16:47 uur voorbijrijdt. Op datzelfde moment valt er een voorwerp op de straat. Op de beelden is te zien dat een man daarna de [adres 3] op loopt, dit voorwerp van de grond oppakt en hiermee naar een bus loopt. Het voorwerp betreft een lang en smal voorwerp. De verbalisant ziet dat de man op deze camerabeelden dezelfde man is als de man op de camerabeelden van de woning gelegen aan [adres 3], zijnde verdachte.
De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 6 november 2024 de auto van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft beschadigd door een voorwerp tegen de auto aan te gooien. Het onder 7 ten laste gelegde is daarmee wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 8
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 8 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
1. Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 13 januari 2025 (pagina 194).
2. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 13 december 2024 (pagina 106).
3. Een geschrift, zijnde de verlenging gedragsaanwijzing behorend tot parketnummer 08.029130.24, gedateerd 10 oktober 2024.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 1 primair
hij op of omstreeks 14 september 2023 te [plaats 1], gemeente Hardenberg
openlijk, te weten op of aan de openbare weg, [adres 1] , in elk geval op of aan de
openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een goed, te weten een auto (Hyundai, kenteken [kenteken 1]), door meermaals op de auto te slaan/stompen en/of met een voorwerp op de auto te slaan
feit 2
hij op of omstreeks 11 september 2023 te [plaats 1], gemeente Hardenberg
opzettelijk en wederrechtelijk
- een auto (Hyundai, kenteken [kenteken 1]), in elk geval enig goed, dat /die geheel of
ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander toebehoorde (n), en/of
- een woning, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Vechtdal Wonen,
in elk geval aan een ander toebehoorde(n)
heef t vernield, beschadigd , onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
feit 3
hij in of omstreeks de periode van 3 augustus 2023 tot en met 8 augustus 2023 te
[plaats 1], gemeente Hardenberg
[slachtoffer 1] heeft bedreigd
enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "Als ik jou tegenkom
breek ik al jouw botten, alleen, zonder pistool, zonder mes, zonder wapen, alleen
breek ik jou botten. Want jij komt het ziekenhuus persoonlijk door mij te liggn",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
feit 4
hij op of omstreeks 25 januari 2024 te [plaats 1], gemeente Hardenberg
opzettelijk en wederrechtelijk een auto (Audi, kenteken [kenteken 2] ), in elk geval enig
goed, dat/ die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander
toebehoorde (n) heeft beschadigd , onbruikbaar gemaakt en/of
weggemaakt;
feit 5
hij op of omstreeks 18 maart 2024 te [plaats 1], gemeente Hardenberg, en/of
Coevorden , althans in Nederland,
[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en /of met zware mishandeling en /of met
brandstichting,
door die voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] telefonisch dreigend de woorden toe
te voegen:
- dat hij, verdachte, (zakelijk weergegeven) de wagen van voornoemde [slachtoffer 1]
en /of [slachtoffer 2] in de brand zou steken en /of voornoemde [slachtoffer 1] door de kop zou
schieten en /of
- “ik schiet je dood” en /of “ik maak je af met je kankerhoofd”.
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
feit 6
hij op of omstreeks 3 juli 2024 in Nederland,
opzettelijk
heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel
509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de
gedragsaanwijzing (behorend tot parketnummer 08.134305.24) d.d. 19 april 2024
gegeven door de officier van justitie te Oost-Nederland (kort weergegeven)
inhoudende dat hij, verdachte, zich dient te onthouden van (ieder) contact met
[slachtoffer 1],
door telefonisch contact met voornoemde [slachtoffer 1] op te nemen;
feit 7
hij op of omstreeks 6 november 2024 te [plaats 2], gemeente Hardenberg , althans in
Nederland,
opzettelijk en wederrechtelijk
een auto , in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]
, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd,
onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt .
feit 8
hij op of omstreeks 12 december 2024 te [plaats 1], in Nederland, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de verlenging van de gedragsaanwijzing (behorend tot parketnummer 08.029130.24) d.d. 10 oktober 2024 gegeven door de officier van justitie te Oost-Nederland (kort weergegeven) inhoudende dat hij, verdachte, zich dient te onthouden van (ieder) contact met [slachtoffer 2], door telefonisch contact met voornoemde [slachtoffer 2] op te nemen.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 141, 285, 184a en 350 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1 primair
het misdrijf: openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen;
feit 2
het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;
feit 3
het misdrijf: bedreiging met zware mishandeling;
feit 4
het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;
feit 5
het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met brandstichting;
feit 6
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering;
feit 7
het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;
feit 8
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.
6. De op te leggen straf en maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 120 uren.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen in de vorm van een locatieverbod voor [plaats 1] en het adres van [slachtoffer 1] in [plaats 3] en een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. De officier van justitie heeft daarbij toepassing van de glijdende schaal gevorderd – inhoudende dat de eerste overtreding één week vervangende hechtenis oplevert, de tweede overtreding twee weken vervangende hechtenis, et cetera – met een maximum van zes maanden vervangende hechtenis. De officier van justitie heeft verzocht de maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de ouderdom van de feiten.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en ernst van de feiten
De bewezen verklaarde feiten houden verband met een langdurig conflict tussen verdachte en [slachtoffer 1], waarbij de partners van beide ([medeverdachte] en [slachtoffer 2]) ook betrokken zijn geraakt. In een periode van ongeveer anderhalf jaar heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een openlijke geweldpleging (met [medeverdachte]), drie keer een auto beschadigd, twee bedreigingen en twee keer het overtreden van een contactverbod, allen gericht tegen [slachtoffer 1] en diens partner [slachtoffer 2]. Verdachte heeft zich laten leiden door boosheid richting [slachtoffer 1], die hij ervan beschuldigd zijn auto’s in de brand te hebben gestoken. Hij heeft zijn emoties afgereageerd door de auto’s van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te beschadigen en [slachtoffer 1] meermalen te bedreigen. De opgelegde contactverboden weerhielden verdachte er niet van om contact op te nemen met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Verdachte heeft door zijn handelen niet alleen schade aan de auto’s van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] veroorzaakt, waarmee hij heeft laten zien geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van anderen, maar ook heeft hij bij hen telkens gezorgd voor gevoelens van angst en onveiligheid. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.
Het dossier en de bevindingen ter zitting schetsen een beeld van verdachte als iemand die herhaaldelijk actief confrontaties op zoekt, voor eigen rechter speelt en geen moment onbenut laat om zich af te reageren op [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]. Ter zitting is gebleken dat het conflict tussen verdachte en [slachtoffer 1] tot op heden nog niet is opgelost. Verdachte houdt koste wat kost vast aan zijn eigen gelijk en kan het onrecht dat hem naar zijn idee is aangedaan niet verkroppen. Zijn leven lijkt nog altijd in het teken te staan van de haatgevoelens richting [slachtoffer 1] en verdachte lijkt niet op andere gedachten te kunnen worden gebracht. Dit baart de rechtbank zorgen.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 6 februari 2026. Hieruit volgt dat verdachte op 19 januari 2026 tot twee geldboetes is veroordeeld voor het rijden onder invloed en vuurwapenbezit, zodat artikel 63 Sr van toepassing is. Verder volgt hieruit dat verdachte in het verleden onherroepelijk is veroordeeld voor onder meer vernieling en openlijke geweldpleging. Deze feiten zijn echter gedateerd, zodat dit niet van invloed is op de strafmaat.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het over verdachte opgestelde reclasseringsadvies van 26 februari 2026, opgemaakt door reclasseringswerker [naam 2]. De reclassering beschrijft dat, nu verdachte niet heeft willen meewerken met de reclassering, zij geen inschatting kan maken van het risico op recidive. Wel is duidelijk dat het sociaal netwerk en de houding van verdachte de grootste criminogene factoren zijn. Verdachte neemt op geen enkele wijze verantwoordelijkheid voor zijn handelen en benadrukt dat hij degene is die onrechtvaardig is behandeld. Er is nog steeds sprake van een felle boosheid in de richting van aangevers en verdachte lijkt zich weinig aan te trekken van wetten en regels. Verdachte heeft kenbaar gemaakt onder geen beding te willen meewerken met de reclassering. Gezien het voorgaande ziet de reclassering geen mogelijkheden om door middel van interventies gedragsverandering bij verdachte te bewerkstelligen. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden.
De op te leggen straf en maatregel
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. De rechtbank houdt in strafmatigende zin rekening met het feit dat het (ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4) inmiddels meer dan twee jaar geleden is dat verdachte voor het eerst bij de politie is verhoord. Hoewel geen sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), betreft het wel oude feiten.
De rechtbank ziet in het gedrag en de houding van verdachte aanleiding om een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, om verdachte te motiveren in de toekomst op een andere manier om te gaan met zijn frustraties.
Al het voorgaande overwegend, acht de rechtbank een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Zij legt aan verdachte op een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door zestig dagen hechtenis. Daarnaast zal de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van drie maanden met een proeftijd twee jaren.
De rechtbank acht daarnaast een maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr aangewezen in de vorm van een contact- en een locatieverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte op geen enkele manier (direct of indirect) contact mag opnemen, zoeken, of hebben met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Het locatieverbod houdt in dat verdachte zich niet mag ophouden in het dorp [plaats 1] (in de gemeente Hardenberg) en in de stad [plaats 3] in het rood omlijnde gebied (inclusief de rode lijn), zoals aangegeven op het kaartje in de bijlage bij dit vonnis. De maatregel geldt voor de duur van drie jaren. De rechtbank ziet geen aanleiding voor toepassing van de glijdende schaal, zoals is gevorderd door de officier van justitie. De rechtbank bepaalt dat iedere overtreding van de maatregel twee weken hechtenis oplevert, met een maximum van zes maanden.
De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 38v Sr opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar moet zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen. De rechtbank acht een dergelijke situatie aan de orde gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de houding en het gedrag van verdachte.
7. De schade van benadeelden
De vordering van de benadeelde partij Vechtdal Wonen (feit 2)
Vechtdal Wonen heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.300,00, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag is ter vergoeding van materiële schade en ziet op herstelkosten van de woning.
De rechtbank spreekt verdachte vrij van feit 2 voor zover dit feit ziet op de vernieling van de woning van Vechtdal Wonen. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 3)
[slachtoffer 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag is ter vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt [slachtoffer 1] de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Aantasting in de persoon op andere wijze
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106, sub b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De vordering van [slachtoffer 1] is in dit geval (primair) op deze laatste grondslag gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer 1] onvoldoende (concrete) gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat hij door de bedreiging geestelijk letsel heeft opgelopen dan wel waaruit blijkt dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon. Van een uitzonderlijke situatie waarin geen onderbouwing nodig is, is in dit geval geen sprake, gelet op rechtspraak van de Hoge Raad. [slachtoffer 1] krijgt geen gelegenheid om de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure.
Het oogmerk om zodanig nadeel toe te brengen
De vordering van [slachtoffer 1] is subsidiair op artikel 6:106, sub a, BW gebaseerd. Vergoeding van immateriële schade is op grond van die bepaling mogelijk als de verdachte het oogmerk had om immateriële schade toe te brengen aan de benadeelde partij. Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat schadevergoeding op deze grondslag alleen kan worden toegekend als de verdachte het strafbare feit heeft gepleegd met het enkele doel om het slachtoffer schade toe te brengen. Daarvan is in dit geval niet gebleken.
De rechtbank bepaalt op grond van het voorgaande dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering en dat hij de vordering aan de burgerlijke rechter kan voorleggen.
De vordering van [slachtoffer 2] (feit 4)
[slachtoffer 2] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 8.003,92, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag is ter vergoeding van materiële schade. De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
De schade aan de Audi: € 7.903,91.
Het taxatierapport: € 100,01.
Verder verzoekt [slachtoffer 2] de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de gevorderde herstelkosten daadwerkelijk door [slachtoffer 2] zijn betaald.
Het oordeel van de rechtbank
Het gedeelte van de vordering dat ziet op de schade aan de Audi (€ 7.903,91) is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd door middel van de overgelegde schadecalculatie van 29 januari 2024. Dit betreft geleden schade aan de auto, niet vereist is dat de begrote herstelkosten (al) betaald zijn. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het onder 4 bewezen verklaarde .De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.
De rechtbank verklaart [slachtoffer 2] ten aanzien van het overige gedeelte van de vordering, te weten een bedrag van € 100,01 voor het taxatierapport, niet-ontvankelijk omdat dit deel van de vordering niet is onderbouwd. Uit de overgelegde schadecalculatie van 29 januari 2024 volgt niet dat de benadeelde deze schade heeft geleden. [slachtoffer 2] krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. Zij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.7.3.4 De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) [slachtoffer 2] de schadevergoeding niet zelf bij verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat verdachte een bedrag van
€ 7.903,91 aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2024 tot de dag dat verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 64 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38w en 57 Sr.
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1 primair
het misdrijf: openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen;
feit 2
het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;
feit 3
het misdrijf: bedreiging met zware mishandeling;
feit 4
het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;
feit 5
het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met brandstichting;
feit 6
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering;
feit 7
het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;
feit 8
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren;
- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;
maatregel
- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid als
bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van 3 (drie) jaren;
- beveelt dat verdachte gedurende 3 (drie) jaren op geen enkele wijze – direct of
indirect – contact op zal nemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] 1987) en [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 3] 1992);
- beveelt dat verdachte zich gedurende 3 (drie) jaren niet mag bevinden in het dorp [plaats 1] (in de gemeente Hardenberg) en in de stad [plaats 3] in het rood omlijnde gebied (inclusief de rode lijn), zoals aangegeven op het kaartje in de bijlage bij dit vonnis; ;
- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door 2 (twee) weken hechtenis en bepaalt daarbij dat de maximale hechtenis zes maanden bedraagt;
- beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is, omdat er ernstig rekening mee moet
worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich
belastend zal gedragen jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2];
- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
schadevergoeding Vechtdal Wonen (feit 2)
- bepaalt dat de benadeelde partij in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering;
- bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen;
schadevergoeding [slachtoffer 1] (feit 3)
- bepaalt dat de benadeelde partij in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen;
schadevergoeding [slachtoffer 2] (feit 4)
- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 7.903,91, bestaande uit materiële schade;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 7.903,91 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2024);
- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 7.903,91 (zegge: zevenduizend negenhonderddrie euro en eenennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2024, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 64 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige, te weten een bedrag van € 100,01 materiële schade, niet-ontvankelijk is in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. B.C. van Haren en
mr. A.S. Metgod, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Kannegieter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
Buiten staat
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage: kaartje locatieverbod centrum [plaats 3] (het rood omlijnde gebied inclusief de rode lijnen)
[Afbeelding]