RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.139860.24 (P)
Datum vonnis: 31 maart 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1980 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres 1] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en haar raadsman mr. D.P. Kant, advocaat in Capelle aan den IJssel, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op
14 september 2023 in Slagharen openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een auto (primair) dan wel samen met een ander een auto heeft vernield (subsidiair).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
zij op of omstreeks 14 september 2023 te Slagharen, gemeente Hardenberg
openlijk, te weten op of aan de openbare weg, [adres 2] , in elk geval op of aan de
openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een goed, te weten een auto (Hyundai, kenteken
[kenteken] ), door meermaals op de auto te slaan/stompen en/of met een voorwerp
op de auto te slaan,
terwijl zij, verdachte deze goederen opzettelijk heeft vernield;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
zij op of omstreeks 14 september 2023 te Slagharen, gemeente Hardenberg
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
opzettelijk en wederrechtelijk een auto (Hyundai, kenteken [kenteken] ), in elk geval
enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander
toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of
weggemaakt.
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat geen sprake is van de voor openlijke geweldpleging vereiste ‘nauwe en bewuste samenwerking’ tussen verdachte en de medeverdachte met betrekking tot het door hen gepleegde geweld.
De raadsman heeft voorts vrijspraak bepleit van de subsidiair ten laste gelegde vernieling, omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat het slaan op de auto door verdachte schade aan de auto heeft veroorzaakt.
Het oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 14 september 2023 omstreeks 21:00 uur rijden verdachte en haar partner [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) achter elkaar aan naar de woning van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) aan [adres 2] . De auto van [slachtoffer] , een Hyundai met het kenteken [kenteken] , staat op de oprit geparkeerd. [medeverdachte 1] loopt naar de Hyundai toe en slaat vervolgens meerdere keren met een lang en dun voorwerp met kracht tegen de achterruit en de ruit van het linker achterportier. Hierdoor ontstaat schade aan het linker achterportier en de achterruit van de Hyundai sneuvelt volledig. Daarna slaat [medeverdachte 1] nog tegen de rechterzij-/achterkant van de Hyundai. Vervolgens loopt [medeverdachte 1] de oprit af en praten verdachte en [medeverdachte 1] even met elkaar Verdachte loopt dan vanaf haar auto richting de woning van [slachtoffer] . Daarna gooit [medeverdachte 1] het voorwerp waarmee hij zojuist heeft geslagen op de oprit van [slachtoffer] . Verdachte loopt naar de Hyundai en slaat met haar vuisten op de voorruit en de motorkap. Ze pakt het voorwerp van de grond op en slaat hiermee meerdere keren op de voorruit, de motorkap, het rechter voorlicht en het linker achterlicht van de Hyundai. Hierdoor ontstaat schade aan de voorruit. Verdachte en [medeverdachte 1] rijden vervolgens achter elkaar aan weg in dezelfde richting.
Openlijke geweldpleging: het ‘in vereniging’ plegen van geweld
Van het ‘in vereniging’ plegen van geweld in de zin van artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is sprake als de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan dat t geweld. Bovendien moet sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het openlijk plegen van geweld tegen (in dit geval) een auto. Voor een nauwe en bewuste samenwerking is niet vereist dat de medeplegers op hetzelfde moment starten met het toepassen van geweld.
De rechtbank is, anders dan door de verdediging is betoogd, van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van geweld in vereniging. De bijdrage van verdachte aan het geweld is significant en wezenlijk. Ook is op basis van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] ten aanzien van het openlijk geweld tegen de auto. Zij komen kort na elkaar bij de woning van [slachtoffer] aan en slaan vervolgens beiden meermalen (met een voorwerp) tegen de auto van [slachtoffer] . De omstandigheid dat verdachte en [medeverdachte 1] dit geweld niet precies tegelijk plegen maakt niet dat geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Eerst slaat [medeverdachte 1] in aanwezigheid van verdachte met een voorwerp tegen de Hyundai en kort daarna slaat verdachte in aanwezigheid van [medeverdachte 1] eerst met haar vuisten en daarna met hetzelfde voorwerp tegen de Hyundai. Ondertussen hebben zij ook nog met elkaar gesproken.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het openlijk in vereniging geweld plegen tegen de auto van [slachtoffer] .
De strafverzwarende omstandigheid ex artikel 141, tweede lid, Sr
Aan verdachte is de strafverzwarende omstandigheid ten laste gelegd dat zij door dat openlijke geweld de auto van [slachtoffer] heeft vernield. Van vernielen is juridisch gezien sprake indien de auto zodanig is beschadigd dat het door reparatie niet meer in de oude toestand kan worden hersteld. De rechtbank stelt vast dat daarvan geen sprake is, zodat verdachte van de strafverzwarende omstandigheid moet worden vrijgesproken.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op of omstreeks 14 september 2023 te Slagharen, gemeente Hardenberg
openlijk, te weten op of aan de openbare weg, [adres 2] , in elk geval op of aan de
openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een goed, te weten een auto (Hyundai, kenteken
[kenteken] ), door meermaals op de auto te slaan /stompen en /of met een voorwerp
op de auto te slaan.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 141 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
primair
het misdrijf: openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.
6. De op te leggen straf en maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van veertig uren met een proeftijd van twee jaren.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen in de vorm van een contactverbod met [medeverdachte 2] en [slachtoffer] . De officier van justitie heeft daarbij toepassing van de glijdende schaal gevorderd – inhoudende dat de eerste overtreding één week vervangende hechtenis oplevert, de tweede overtreding twee weken vervangende hechtenis, et cetera – met een maximum van zes maanden vervangende hechtenis. De officier van justitie heeft verzocht de maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, in het geval van een bewezenverklaring, verzocht te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf dan wel met de oplegging van een taakstraf van beperkte duur. Ook moet rekening worden gehouden met een overschrijding van de redelijk termijn.
De gronden voor een straf en maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder deze is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich samen met haar [medeverdachte 1] schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een auto van [slachtoffer] . De achtergrond van dit geweld betreft een langdurig conflict tussen [medeverdachte 1] en de partner van [slachtoffer] waarin verdachte zich ook heeft gemengd. Verdachte heeft zich laten leiden door boosheid richting [slachtoffer] en diens partner en heeft ‘s avonds in een woonwijk haar emoties afgereageerd op de auto van [slachtoffer] . Verdachte heeft daarmee laten zien geen respect te hebben voor de eigendommen van een ander en heeft met [medeverdachte 1] grote schade aangericht aan de auto. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 12 maart 2026. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 6 februari 2025 en het reclasseringsrapport van 19 februari 2026, beide opgemaakt door reclasseringswerker
[reclasseringswerker] . De reclassering beschrijft dat zij de relatie tussen verdachte en de medeverdachte, het sociaal netwerk en het alcoholgebruik van verdachte als delictgerelateerde risicofactoren ziet. Evenwel ziet de reclassering geen meerwaarde voor reclasseringsinterventies, nu verdachte haar leven grotendeels op orde lijkt te hebben en zij sinds onderhavig feit niet opnieuw met politie in aanraking is gekomen. Ook is verdachte tot het inzicht gekomen dat alcoholgebruik bij haar kan leiden tot agressief gedrag en heeft verdachte haar alcoholconsumptie daarom geminderd. De reclassering schat het risico op recidive in als laag en adviseert de oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden.
De op te leggen straf en maatregel
De ernst van het feit rechtvaardigt in beginsel een onvoorwaardelijke taakstraf. Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en naar de straffen die in soortgelijke gevallen zijn opgelegd. Volgens de oriëntatiepunten is het uitgangspunt voor openlijke geweldpleging waarbij sprake is van beschadiging van meerdere auto’s, een taakstraf voor de duur van zestig uren. In het geval van verdachte is sprake van de vernieling van één auto.
De rechtbank houdt in strafmatigende zin rekening met het feit dat het inmiddels meer dan twee jaar geleden is dat verdachte bij de politie is verhoord. Hoewel geen sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), betreft het wel een oud feit.. De rechtbank zal daarom afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke taakstraf.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is aan verdachte op te leggen een geheel voorwaardelijke taakstraf van veertig uren, te vervangen door twintig dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.
De rechtbank acht daarnaast een maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr aangewezen in de vorm van een contactverbod. Dit contactverbod houdt in dat verdachte op geen enkele manier (direct of indirect) contact mag opnemen, zoeken, of hebben met [medeverdachte 2] en [slachtoffer] . De maatregel geldt voor de duur van drie jaren. De rechtbank ziet geen aanleiding voor toepassing van de glijdende schaal, zoals is gevorderd door de officier van justitie. De rechtbank bepaalt dat iedere overtreding van de maatregel een week hechtenis oplevert, met een maximum van zes maanden.
De rechtbank zal de maatregel niet dadelijk uitvoerbaar verklaren, nu niet is gebleken dat voldaan is aan het vereiste van artikel 38v, vierde lid, Sr, te weten dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.
7. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 38w Sr.
8. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair, het misdrijf: openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 40 (veertig) uren;
- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen;
- bepaalt dat deze taakstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
-
maatregel
- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid als
bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van 3 (drie) jaren;
- beveelt dat verdachte gedurende 3 (drie) jaren op geen enkele wijze – direct of
indirect – contact op zal nemen, zoeken of hebben met [medeverdachte 2] (geboren op [geboortedatum 2] 1987) en [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 3] 1992);
- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door 1 (een) week hechtenis en bepaalt daarbij dat de maximale hechtenis zes maanden bedraagt;
- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. B.C. van Haren en
mr. A.S. Metgod, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Kannegieter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
Buiten staat
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.