ECLI:NL:RBOVE:2026:1712

ECLI:NL:RBOVE:2026:1712

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 02-04-2026
Datum publicatie 02-04-2026
Zaaknummer 08.102260.25 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

De rechtbank verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij. De verdachte was ten laste gelegd dat hij aangever zou hebben verkracht.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.102260.25 (P)

Datum vonnis: 2 april 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats],

wonende aan de [woonplaats].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 30 oktober 2025, 15 januari 2026 en 19 maart 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. J.H. Rump, advocaat in Zwolle, naar voren is gebracht.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat namens de benadeelde partij [aangever] (hierna: aangeefster) door mr. J. Bouwhuis, advocaat in Zwolle, is aangevoerd.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging van 30 oktober 2025, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van aangeefster en/of bij haar seksueel is binnengedrongen, terwijl hij wist dat zij in een staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 december 2022 tot en met 30 december 2022 te Zwolle, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [aangever] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangever], te weten

- het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis in de vagina en/of tussen de schaamlippen en/of in de anus, althans tussen de billen van die [aangever] en/of;

- het meermalen brengen en/of heen en weer bewegen van een of meer vingers in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [aangever] en/of;

- het betasten van de vulva en/of de borsten van die [aangever] en/of;

- het daarbij meermalen voorbij gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet en/of weerstand van die [aangever] en/of;

- ( aldus) voor die [aangever] een bedreigende situatie te doen ontstaan;

en/of;

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 december 2022 tot en met 30 december 2022 te Zwolle, althans in Nederland, met [aangever], van wie hij verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening en/of verstandelijke handicap leed, dat deze niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangever], te vreten

- het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis in de vagina en/of tussen de schaamlippen en/of in de anus, althans tussen de billen van die [aangever] en/of;

- het meermalen brengen en/of heen en weer bewegen van een of meer vingers in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [aangever] en/of;

- het betasten van de vulva en/of de borsten van die [aangever].

3. De bewijsmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het impliciet primair ten laste gelegde (de verkrachting) wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Op 29 december 2022 was er een ‘afterparty’ in de woning van [getuige 1] (hierna: getuige [getuige 1]) aan de [adres]. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte en zij daar beiden aanwezig waren, dat zij op een gegeven moment wilde slapen en dat verdachte toen naast haar kwam liggen op de slaapbank. Volgens aangeefster is verdachte haar vervolgens tegen haar wil gaan vingeren en heeft hij haar gepenetreerd. Bij aangeefster is op de binnenste schaamlippen en diep vaginaal DNA aangetroffen dat afkomstig kan zijn van verdachte of een in de mannelijke lijn aan verdachte verwante man.

Verdachte heeft in zijn eerste verhoor na zijn aanhouding verklaart dat hij best bij een after-party kan zijn geweest in die nacht doch hij ontkent seks te hebben gehad met aangeefster. Hij suggereert dat het aangetroffen DNA van zijn broer afkomstig zou kunnen zijn.

De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat verdachte die bewuste avond op de ‘afterparty’ in de woning van getuige [getuige 1] is geweest. Zo verklaart getuige [getuige 1] dat iemand die zich voorstelde als verdachte mee is gegaan naar haar woning. Daarnaast verklaart aangeefster dat verdachte daar was en dat zij met elkaar in gesprek raakten over het feit dat zij hetzelfde sterrenbeeld hebben. De rechtbank constateert dat verdachte en aangeefster beiden het sterrenbeeld Leeuw hebben. De broer van verdachte heeft een ander sterrenbeeld. Geen van de getuigen verklaart dat de broer van verdachte, [naam], op de afterparty aanwezig was.

Verkrachting (impliciet primair tenlastegelegde)

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte aangeefster die bewuste nacht heeft verkracht en dat er dus sprake is geweest van seksueel binnendringen onder dwang. Van dwang in de zin van artikel 242 Wetboek van Strafrecht (oud) (Sr) is sprake wanneer een verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat een slachtoffer de handelingen tegen zijn/haar wil heeft verricht of ondergaan. Deze dwang kan worden veroorzaakt door (bedreiging met) geweld of (bedreiging met) andere feitelijkheden van verdachte richting het slachtoffer. Om te kunnen spreken van dwang in de zin van artikel 242 Sr (oud) moet de dwang van een zodanig gewicht zijn dat de ander zich naar redelijke verwachting niet tegen de seksuele handelingen heeft kunnen verzetten, dan wel door toedoen van de verdachte in een zodanige al dan niet bedreigende situatie is gebracht dat deze zich daaraan niet heeft kunnen onttrekken.

Uit het aangetroffen DNA, de verklaringen van aangeefster en het feit dat geen van de getuigen heeft verklaard dat [naam] die avond/nacht op de afterparty aanwezig was, kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat tussen verdachte en aangeefster seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, waaronder seksueel binnendringen. Voor een bewezenverklaring van verkrachting zoals neergelegd in artikel 242 Sr (oud) is echter ook vereist dat komt vast te staan dat sprake was van dwang door middel van geweld, bedreiging of andere feitelijkheden.

De rechtbank stelt vast dat aangeefster tijdens het informatieve gesprek en in haar aangifte uiteenlopende verklaringen heeft afgelegd over zowel de seksuele handelingen als de volgorde waarin en omstandigheden waaronder deze zouden hebben plaatsgevonden. Ook de door aangeefster geschetste tijdlijn van die avond/nacht wisselt. Anders dan de verdediging brengt dit de rechtbank echter niet tot de conclusie dat de verklaringen van aangeefster geheel onbetrouwbaar zijn en daarom moeten worden uitgesloten van het bewijs. Het leidt er wel toe dat de rechtbank behoedzaam met haar verklaringen omgaat.

Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen dienen de verklaringen van aangeefster hoe dan ook te worden aangevuld met voldoende steunbewijs. Uit de wet vloeit namelijk voort dat een beschuldiging nooit alleen op grond van de verklaring van één getuige (in dit geval de verklaring van alleen de aangeefster) kan worden bewezen met name indien de beschuldigingen geen enkel aanknopingspunt vinden in het dossier en dus geheel op zichzelf staan. Dit brengt de rechtbank bij de vraag of er voldoende steunbewijs is.

Objectief steunbewijs voor dwang ontbreekt in het dossier. Steun voor de verklaring van aangeefster dat van dwang sprake is geweest, moet in deze zaak worden gezocht in de getuigenverklaringen. De getuigen [getuige 2] en [getuige 3], die beiden ter zitting zijn gehoord, hebben niets verklaard dat als steun kan dienen. Getuige [getuige 1] is ruim een jaar na de afterparty van 29 december 2022 bij de politie gehoord. Zij verklaart tussentijds best wel veel contact met aangeefster te hebben gehad. Zij verklaart voorts dat zij zich niet goed voelde die avond en van de hele avond niet veel meer wist. Zij had die avond genoeg gedronken om dronken te worden en gebruikte destijds 3mmc. [getuige 1] verklaart dat aangeefster en verdachte naast elkaar in de woonkamer op de bank lagen. [getuige 1] sliep in een andere kamer. Op een gegeven moment moest zij naar de wc. Toen zij terugkwam van de wc en de woonkamer inliep, hoorde zij aangeefster “stop” zeggen. Zij had geen idee waarom ze dat zei en heeft daar verder ook niet op gereageerd en is weer naar de slaapkamer gegaan. [getuige 1] denkt dat dit omstreeks 03.00 uur of 04.00 uur is geweest. Toen getuige [getuige 1] later wakker werd, kwam aangeefster naar haar toe en toen heeft ze verteld wat er was gebeurd. Getuige [getuige 1] weet echter het hele verhaal niet meer, maar in ieder geval dat hij haar heeft verkracht.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van getuige [getuige 1], mede doordat zij die avond onder invloed was van middelen en ruim een jaar na dato expliciet heeft verklaard niet veel meer te weten van de avond, niet als voldoende steun kan dienen voor de dwang. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat wat getuige [getuige 1] heeft verklaard, voor wat betreft de tijdlijn niet past bij de verschillende verklaringen van aangeefster.

De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring van het bestanddeel dwang te komen.

De rechtbank acht daarom de impliciet primair tenlastegelegde verkrachting niet bewezen, zodat zij verdachte daarvan zal vrijspreken.

Lichamelijk onmacht (impliciet subsidiair tenlastegelegde)

Impliciet subsidiair is het seksueel binnendringen van een onmachtige zoals bedoeld in artikel 243 Sr (oud) tenlastegelegd. Voor een bewezenverklaring van dit feit is vereist dat aangeefster ten tijde van het seksueel binnendringen in een zodanige staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde dat zij haar wil niet kon bepalen en/of kenbaar kon maken.

Bewusteloosheid of verminderd bewustzijn is in onderhavig geval niet aan de orde. Onder lichamelijke onmacht valt onder meer de situatie waarbij iemand slaapt. Aangeefster heeft ook hierover uiteenlopend verklaard. Zo verklaarde zij tijdens “het informatief gesprek zeden” dat zij sliep toen verdachte seksueel bij haar binnendrong en in haar aangifte dat zij wakker was en deed alsof zij sliep. Gelet op deze wisselende verklaringen en de verdere inhoud van het dossier, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat aangeefster in een staat van lichamelijke onmacht verkeerde.

De rechtbank acht daarom het impliciet subsidiaire tenlastegelegde seksueel binnendringen van een onmachtige niet bewezen, zodat zij verdachte ook daarvan zal vrijspreken.

4. De schade van benadeelden

De vordering van de benadeelde partij

[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Zij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 12.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het aan hem ten laste gelegde feit. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

5. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het impliciet primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij [aangever] in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mr. J. de Ruiter en mr. R.J. Postma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M.A. van den Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. G.H. Meijer
  • mr. J. de Ruiter
  • mr. R.J. Postma

Griffier

  • mr. E.M.A. van den Hoek

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?