RECHTBANK OVERIJSSEL
[verzoeker] ,
Team Toezicht
Zittingsplaats Almelo
rekestnummer: NL:TZ:2503160:R-RK
uitspraakdatum: 3 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken op het verzoek van:
geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
verder [verzoeker] te noemen.
Het procesverloop
[verzoeker] heeft een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend.
[verzoeker] is bij brief van 27 november 2025 opgeroepen ter zitting van 20 januari 2026 te verschijnen voor de behandeling van haar verzoek schuldsanering.
Op 20 januari 2026 is ter griffie een brief van [verzoeker] die is gedateerd op 9 januari 2026 binnengekomen, waarin [verzoeker] bericht niet ter zitting te kunnen verschijnen op 20 januari 2026.
De rechtbank zal vandaag uitspraak doen op het verzoek schuldsanering zonder [verzoeker] te hebben gehoord.
De beoordeling
De feiten
In de brief die op 20 januari 2026 ter griffie is binnengekomen, stelt [verzoeker] niet ter zitting te kunnen verschijnen omdat ze op 20 januari 2026 dienst heeft ([verzoeker] werkt in de zorg) en ze de dienst niet heeft kunnen ruilen met een collega.
De overwegingen van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van [verzoeker] moet worden afgewezen en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank gaat ervan uit dat [verzoeker] de oproepbrief voor de zitting van 20 januari 2026 eind november 2025 of begin december 2025 heeft ontvangen. Dat betekent dat [verzoeker] ruim de tijd heeft gehad om voor vervanging voor haar dienst op 20 januari 2026 te zorgen. De rechtbank acht dan ook niet aannemelijk dat het onmogelijk was om een vervanger voor de dienst van 20 januari 2026 te vinden.
Voorts is het de rechtbank niet duidelijk waarom [verzoeker] met een brief kenbaar maakt dat ze niet aanwezig zal zijn ter zitting. Los van de vraag of [verzoeker] de brief wel op 9 januari 2026 op de post heeft gedaan, bestaat er in het geval van een brief immers altijd grote onzekerheid of en zo ja wanneer de brief arriveert. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het op de weg van [verzoeker] had gelegen om (tijdig) te bellen met de rechtbank (het telefoonnummer van de insolventiegriffie is vermeld in de oproepbrief) of een email te sturen.
De rechtbank concludeert op grond van vorenstaande dat [verzoeker] zonder gegronde, tijdig kenbaar gemaakte reden, niet ter zitting is verschenen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding [verzoeker] nogmaals op te roepen voor een behandeling ter zitting en zal het verzoek op de volgende gronden afwijzen.
Door niet ter zitting te verschijnen, heeft [verzoeker] niet aannemelijk gemaakt te goeder trouw te zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de drie jaar voor de indiening van het verzoek schuldsanering. Ook heeft [verzoeker] door niet ter zitting te verschijnen niet aannemelijk gemaakt dat ze verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek afwijzen op grond van artikel 288
lid 1 onder b en c Faillissementswet.
De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Gewezen door mr. M.M. Verhoeven, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare
terechtzitting van 3 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.