RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11683549 \ CV EXPL 25-1440
Vonnis van 13 januari 2026
in de zaak van
[partij A] ,
te [woonplaats],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A],
gemachtigde: mr. J.J.M. Pinners,
tegen
WOONSTICHTING VECHTHORST,
te Nieuwleusen,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Vechthorst,
gemachtigde: mr. A.M. Takkenberg.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 oktober 2025- de akte van [partij A], waarvan de ingescande producties buiten beschouwing zijn gelaten- de akte van Vechthorst.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Met ingang van 16 januari 2020 heeft Vechthorst een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten met de moeder van [partij A] met betrekking tot een eengezinswoning aan het adres [adres] (hierna: de woning).
[partij A] woont sinds 16 januari 2020 eveneens in de woning aan het [adres]. [partij A] is geen medehuurder.
Op [overlijdensdatum] 2024 is de moeder van [partij A] overleden.
Op 3 december 2024 heeft [partij A] telefonisch contact opgenomen met Vechthorst naar aanleiding van het overlijden van zijn moeder.
Op 18 december 2024 heeft Vechthorst een huisbezoek gebracht bij [partij A]. Daarbij was ook iemand van de schuldhulpverlening van de gemeente Dalfsen aanwezig. Tijdens dit huisbezoek heeft [partij A] aan Vechthorst gevraagd om de huur voort te mogen zetten.
Op 20 december 2024 en op 22 januari 2025 heeft Vechthorst per e-mail aan [partij A] gevraagd om bepaalde documenten aan te leveren die nodig zijn om het verzoek van [partij A] te beoordelen. In deze e-mailberichten is uitgelegd dat het gaat om informatie over de inkomsten van [partij A] en informatie van de afgelopen twee jaar waaruit blijkt dat [partij A] een duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder voerde, zoals afschriften of ander bewijs van betaling waaruit blijkt of en hoe lang [partij A] de aan de vaste lasten heeft bijgedragen.
Op 23 januari 2025 heeft [partij A] een e-mailbericht aan Vechthorst gestuurd. Daarin staat het volgende: “Ik heb contact gehad met me tante , en ervaar door jullie gedram dat ik bijna niet meer aan slapen toe kom. Voor de verdere afwikkeling, kun je contact opnemen. Ik wens niet langer met jullie te praten.
[naam] is haar naam”
Op 30 januari 2025 heeft Vechthorst een e-mailbericht aan [partij A] gestuurd, waarin Vechthorst aangeeft dat [partij A] nog tot 15 januari 2025 de tijd heeft om de documenten aan te leveren. Deze e-mail is ook naar de tante van [partij A] gestuurd. Naar aanleiding van dit bericht heeft Vechthorst een aantal documenten ontvangen, namelijk:
een overzicht van de Rabobank van boekingen van [partij A] richting zijn moeder in de periode van 17 juli 2018 tot en met 31 maart 2022,
een prognose van de omzet van het bedrijf van [partij A] over het jaar 2025, opgesteld door administratiekantoor [bedrijf 1]
een “Verklaring geregistreerd inkomen 2024” van de Belastingdienst waarin staat dat er geen inkomensgegevens bekend zijn over 2024,
verzekeringsberichten van het UWV waarin vermeld is dat [partij A] vanaf maart 2022 geen (geregistreerd) inkomen heeft.
Op 13 februari 2025 heeft Vechthorst per e-mail aan [partij A] gevraagd om uiterlijk op 21 februari 2025 gegevens aan te leveren waaruit duidelijk wordt welke inkomsten [partij A] over 2023 en 2024 heeft ontvangen. In de e-mail staat dat afgesproken is dat [partij A] daarvoor een verklaring van zijn inkomen zal opvragen bij de Belastingdienst en dat hij daarnaast bij het UWV zijn arbeidsverleden (met bijbehorend inkomen) van de afgelopen twee jaar zal opvragen. Verder is vermeld dat Vechthorst op een eerder moment van [partij A] het volgende document heeft ontvangen:
- een aantal overboekingen van de SNS Bank verspreid over 2024 van de zakelijke rekening van [partij A] naar zijn moeder.
Naar aanleiding van dit bericht heeft Vechthorst een uitkeringsspecificatie van de moeder van [partij A] over het jaar 2022 ontvangen.
Op 27 februari 2025 heeft Vechthorst het verzoek van [partij A] tot voorzetting van de huur afgewezen.
3. Het geschil
Wat wil [partij A]?
[partij A] vordert - samengevat - (primair) een verklaring voor recht dat [partij A] met ingang van het overlijden van zijn moeder de huur van de woning aan het adres [adres] op grond van artikel 7:268 BW voortzet en (subsidiair) dat de kantonrechter zal bepalen dat [partij A] met ingang van het overlijden van zijn moeder de huurder van de woning aan het adres [adres] wordt, met veroordeling van Vechthorst in de proceskosten.
[partij A] legt daaraan ten grondslag dat hij graag in de woning van zijn inmiddels overleden moeder wil blijven wonen en daarvoor ook aan de voorwaarden voldoet die de wet daarvoor stelt. [partij A] stelt dat hij zijn hoofdverblijf had in de woning van zijn moeder en met haar een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde en dat hij vanuit financieel oogpunt hij voldoende waarborg biedt voor nakoming van de huur.
Wat vindt Vechthorst daarvan?
Vechthorst voert verweer. Vechthorst concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij A], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij A], met veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure.
Zij stelt zich op het standpunt dat [partij A] zonder recht of titel in de woning verblijft omdat hij niet aan de voorwaarden van artikel 7:268 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) voldoet. Vechthorst stelt dat [partij A] geen gemeenschappelijke huishouding voerde met zijn moeder en dat [partij A] evenmin het duurzame karakter van de inwoning heeft aangetoond. Verder stelt Vechthorst dat [partij A] geen voldoende financiële waarborg kan bieden voor de behoorlijke nakoming van de huur. Daarom heeft Vechthorst een tegenvordering (eis in reconventie) ingesteld tot ontruiming van de woning. Verder vordert Vechthorst dat [partij A] wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van de ontruiming en de proceskosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Omdat de vorderingen van [partij A] en de tegenvorderingen van Vechthorst nauw met elkaar samenhangen, zal de kantonrechter ze gezamenlijk behandelen.
Toetsingskader
[partij A] wil de huurovereenkomst die zijn moeder met Vechthorst had onder dezelfde voorwaarden voortzetten. Hij heeft daarvoor een beroep gedaan op artikel 7:268 lid 2 BW. Op grond van dat artikel kan een persoon die geen medehuurder is en die in de woonruimte van de overleden huurder zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huidhouding heeft gehad, binnen zes maanden na het overlijden van de huurder vorderen dat hij de huur mag voortzetten. De kantonrechter moet de vordering op grond van artikel 7:268 lid 3 BW in ieder geval afwijzen als die persoon niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan de voorwaarden van artikel 7:268 lid 2 BW voldoet of als hij uit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur.
De kantonrechter overweegt allereerst dat [partij A] zijn vordering tijdig heeft ingesteld. Zijn moeder is op [overlijdensdatum] 2024 overleden en zijn dagvaarding is op 22 april 2025 en daarmee binnen de termijn van zes maanden na overlijden door de deurwaarder aan Vechthorst betekend.
Voor de beantwoording van de vraag of een duurzame gemeenschappelijke huishouding bestaat, zijn volgens vaste jurisprudentie zowel objectieve als subjectieve factoren, zoals de bedoeling van de betrokkenen, van belang. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een samenleven van een kind en een ouder na het zelfstandig worden van het kind worden aangemerkt als een blijvende samenwoning met een gemeenschappelijke huishouding, ook indien het gaat om een volwassen kind dat, na te zijn uitgevlogen, terugkeert naar de ouderlijke woning. Daarbij kan mede betekenis toekomen aan het ontbreken van wederkerigheid in de relatie tussen ouder en kind.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding moeten verder alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd zoals het feitelijk gebruik van het gehuurde door de huurder en de medebewoner, alsmede de omstandigheid dat zij al dan niet
( i) gezamenlijk voorzien in de kosten van de huisvesting en/of de kosten van levensonderhoud,
(ii) gezamenlijk (of op grond van een afgesproken verdeling) huishoudelijke taken verrichten,
(iii) gezamenlijk de maaltijden bereiden en gebruiken,
(iv) gezamenlijk invulling geven aan vrije tijd en
( v) gezamenlijk deelnemen aan het sociaal verkeer.
Vechthorst betwist dat [partij A] een gemeenschappelijke huishouding voerde met zijn moeder. In dat geval ligt het op de weg van [partij A] om voldoende concrete feiten op dat punt aan te voeren. Hij heeft (ten aanzien van de gemeenschappelijkheid van de huishouding) een verzwaarde stelplicht.
Gemeenschappelijke huishouding
[partij A] stelt dat hij met zijn moeder samenleefde als gezin/partners en dat zij goed op elkaar waren ingesteld. Zij leefden volgens een ritme van samen ontbijten/koffie drinken, samen eten en samen GTST kijken. Ook op andere wijze brachten zij gezamenlijk hun vrije tijd door. [partij A] deed de boodschappen, omdat zijn moeder wat minder mobiel was. Verder stelt [partij A] dat hij samen met zijn moeder het huishouden deed. Tot slot stelt [partij A] dat hij financieel bijdroeg aan de huur, energiekosten, internet en tv. Naar aanleiding van de mondelinge behandeling heeft [partij A] deze stellingen als volgt nader toegelicht. [partij A] kookte doorgaans het avondeten. Omdat zijn moeder ernstig overgewicht had en daarnaast ernstig letsel aan haar knie had opgelopen, ondervond zij grote moeite met traplopen. Daarom nam [partij A] vrijwel alle huishoudelijke en praktische taken voor zijn rekening. Ook zorgde hij voor zijn moeder, omdat zij baarmoederhalskanker had. [partij A] verleende zijn moeder regelmatig praktische ondersteuning, onder meer door haar te begeleiden en te vervoeren naar medische afspraken en andere noodzakelijke bezoeken. Zijn moeder hing de schone was op en ruimde deze op. Daarnaast deed zij voornamelijk de administratieve taken, zoals de post en betalingen.
De kantonrechter is van oordeel dat [partij A] hiermee niet heeft voldaan aan zijn verzwaarde stelplicht. [partij A] stelt weliswaar dat hij met zijn moeder samenleefde als een gezin/partners, maar voert geen concrete feiten en omstandigheden aan waaruit dat dan blijkt. [partij A] stelt dat zijn moeder hulpbehoevend was en dat daarom sprake was van bijzondere omstandigheden die maken dat geen sprake is van een gebruikelijke ouder-kind relatie. Dat zijn moeder hulpbehoevend was, is door Vechthorst niet betwist, zodat de kantonrechter daar vanuit zal gaan. Maar anders dan [partij A] stelt, volgt daaruit niet dat sprake was van een wederkerige zorgrelatie. Daargelaten dat [partij A] onvoldoende duidelijk heeft gemaakt welke concrete zorg hij aan zijn moeder verleende, schetst [partij A] een beeld van eenzijdige zorg voor zijn moeder. Dit gebrek aan wederkerigheid is een contra-indicatie voor het aannemen van een gemeenschappelijke huishouding. Over de overige omstandigheden heeft [partij A] zich slechts in algemeenheden uitgelaten en [partij A] heeft essentiële stellingen niet onderbouwd. De stellingen over de onderlinge taakverdeling zijn weinig concreet. De kantonrechter heeft geen beeld kunnen krijgen van de onderlinge kostenverdeling, waardoor de financiële verwevenheid niet is aangetoond. Uit de overboekingen die [partij A] – al dan niet vanaf de rekening van zijn bedrijf [bedrijf 2] B.V. – naar zijn moeder heeft gedaan (zonder kenmerk of met als omschrijvingen als “huur”, “energie”, “huur achterstand”, “huur alles” “boodschappen”, “kostgeld”, “voorgeschoten” en/of “rekeningen”) volgt onvoldoende dat hij voor een evenredig deel bijdroeg aan de gemeenschappelijke huishouding. Er zit geen regelmaat in de betalingen en er zijn ook periodes van maanden waarin geen overboekingen worden gedaan vanaf de rekening van [bedrijf 2] B.V. voor huur, energie of andere kosten van levensonderhoud. Ten aanzien van deze maanden heeft [partij A] ook niet laten zien dat wel betalingen werden gedaan vanaf zijn eigen bankrekening. Uit het enkele feit dat vanaf de rekening van [bedrijf 2] B.V. boodschappen werden betaald bij diverse supermarkten en een drogist, kan niet worden afgeleid dat het gaat om uitgaven ten behoeve van de (gestelde) gemeenschappelijke huishouding. Dat [partij A] zijn moeder niet financieel heeft geholpen toen sprake was van een huurachterstand, is bovendien een contra-indicatie dat sprake was van financiële verwevenheid en wederzijdse zorg. De verklaring dat hij mogelijk niet wist van deze huurachterstand, onderstreept des te meer dat geen sprake was financiële verwevenheid en het gezamenlijk voeren van de (financiële) huishouding. Tot slot stelt [partij A] wel dat zij op andere wijze gezamenlijk de tijd doorbrachten, maar heeft hij dit op geen enkele manier geconcretiseerd. Er zijn geen verklaringen van derden die dit ondersteunen.
Gelet op alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien, heeft [partij A] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat [partij A] en zijn moeder een huishouding voerden waaraan zij beiden in gezamenlijkheid hebben deelgenomen.
Aan het bewijsaanbod dat [partij A] in de dagvaarding en nog tijdens de mondelinge behandeling heeft gedaan, komt de kantonrechter niet toe. Er bestaat geen ruimte voor het toelaten tot (getuigen)bewijslevering als geoordeeld wordt dat terzake niet aan de (verzwaarde) stelplicht is voldaan door een partij op wie stelplicht en bewijslast rusten.
Duurzaamheid
Als [partij A] en zijn moeder al een gemeenschappelijke huishouding zouden hebben gevoerd, dan is niet komen vast te staan dat deze een duurzaam karakter had. [partij A] stelt in de dagvaarding alleen dat hij simpelweg nooit plannen heeft gehad om ergens anders te gaan wonen. Vechthorst stelt in dat verband terecht dat [partij A] nooit een aanvraag voor medehuurderschap (in de zin van artikel 7:267 BW) heeft gedaan en dat is door [partij A] niet weersproken. Het had op de weg van [partij A] gelegen om zijn stelling dat het samenwonen met moeder blijvend en op de toekomst gericht was nader concreet te onderbouwen. Dat heeft [partij A] onvoldoende gedaan. Het feit dat hij als woningzoekende stond ingeschreven van 2016 tot 2020 wijst op het tegendeel. [partij A] stelt dat hij deze inschrijving bewust heeft laten verlopen, omdat hij in 2020 het plan heeft opgevat om was bij zijn moeder in de woning aan het [adres] te blijven wonen. Dit wordt door Vechthorst betwist. Deze nadere uitleg is niet alleen in tegenspraak met de eerder stelling dat hij simpelweg nooit plannen heeft gehad om elders te wonen, maar [partij A] heeft deze stelling ook niet nader onderbouwd. Dat had wel op zijn weg gelegen. De kantonrechter is van oordeel dat niet vast is komen te staan dat [partij A] en zijn moeder een blijvende samenwoning op het oog hadden.
Financiële waarborg
De verhuurder dient te stellen en bewijzen dat de huurder niet voldoende financiële waarborg biedt. Van de huurder kan vervolgens worden verlangd dat hij de stelling van de verhuurder gemotiveerd betwist en daartoe voldoende concrete gegevens verschaft, met name over zijn inkomen en vermogen.
Vechthorst stelt dat [partij A] niet beschikt over voldoende financiële middelen om waarborg te kunnen bieden voor het tijdig en volledig betalen van de huurprijs. Vechthorst wijst erop dat uit de door [partij A] overgelegde gegevens volgt dat hij sinds 2022 geen (bij het UWV geregistreerd) inkomen meer heeft en dat de Belastingdienst voor het jaar 2024 geen inkomen heeft geregistreerd. [partij A] heeft een prognose van administratiekantoor [bedrijf 1] met betrekking tot zijn in 2025 te verwachten inkomsten ingediend. Maar dit is slechts een algemene inschatting en het is niet duidelijk waarop de prognose is gebaseerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [partij A] er nog op gewezen dat hij inkomsten heeft van werkzaamheden bij diverse rietdekkersbedrijven. Maar [partij A] heeft niet gesteld hoe hoog de inkomsten uit deze werkzaamheden zijn, terwijl dat wel van hem kan worden verwacht. De gegevens omtrent de financiële positie van [partij A] behoren immers tot zijn domein. Ook heeft [partij A] niet gesteld wat de verwachtingen zijn op de langere termijn en evenmin facturen dan wel correspondentie aangeleverd waarmee hij de gestelde werkzaamheden kan onderbouwen. Kortom: [partij A] heeft niet voldoende concrete gegevens verschaft over zijn inkomen en vermogen, terwijl hij daar ruimschoots toe in de gelegenheid is gesteld. Het enkele feit dat – zoals [partij A] stelt en Vechthorst niet betwist – er op dit moment geen huurachterstand bestaat of is ontstaan na het overlijden van zijn moeder, is onvoldoende om aan te nemen dat hij voldoende financiële waarborg biedt voor het voldoen van de huur.
Dit alles betekent dat [partij A] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat hij niet voldoende financiële waarborg biedt. Aan het bewijsaanbod dat [partij A] nog tijdens de mondelinge behandeling heeft gedaan, komt de kantonrechter dan ook niet toe.
Omdat [partij A] niet voldoet aan de vereisten die artikel 7:268 lid 2 en 3 BW stellen aan het mogen voortzetten van de huur na het overlijden van de huurder, zal zijn vordering daartoe worden afgewezen.
[partij A] moet de woning ontruimen
Dat betekent dat de huurovereenkomst tussen Vechthorst en de moeder van [partij A] op grond van artikel 7:268 lid 6 BW twee maanden na het overlijden van de moeder van [partij A] is geëindigd, dus op 31 januari 2025.
[partij A] heeft geen recht om de huurovereenkomst voort te zetten en dus ook niet om in de woning te blijven wonen. De door Vechthorst gevorderde ontruiming wordt daarom toegewezen. De kantonrechter zal echter een ontruimingstermijn bepalen van veertien dagen in plaats van de gevorderde vijf dagen.
Uitvoerbaar bij voorraad
Als een bewoner op tijd een vordering tot voortzetting van de huur heeft ingesteld, dan zet hij de huur op grond van artikel 7:268 lid 2 BW voort zolang een rechter niet onherroepelijk op die vordering heeft beslist. Daarmee heeft de wetgever willen aangeven dat die persoon in de huurwoning mag blijven zolang de procedure (eventueel met hoger beroep) nog loopt. Dat betekent dat een veroordeling tot ontruiming in beginsel niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. Dit kan anders zijn wanneer sprake is van misbruik van rechtsmiddelen of andere voor verhuurder zwaarwegende omstandigheden/onevenredigheid in wederzijdse belangen.
Vechthorst vordert dat de beslissing uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Volgens haar levert een beroep op 7:628 BW in dit geval misbruik van recht op, omdat het evident is dat aan [partij A] geen geslaagd beroep op die bepaling toekomt en hij met deze procedure alleen probeert om langer in de woning te blijven, waarbij hij in de tussentijd niet heeft onderzocht wat zijn mogelijkheden elders zijn. Daarnaast stelt Vechthorst dat het belang van [partij A] moet wijken voor het belang van Vechthorst om uitvoering te geven aan haar wettelijke taak om woningen beschikbaar te houden ten toe te delen aan mensen die op een wachtlijst staan, wetende dat er enorm lange wachtlijsten zijn waar ook veel gezinnen op staan die in de eengezinswoning zouden kunnen wonen.
In het licht van de voormelde omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat het verzoek van Vechthorst om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren moet worden toegewezen. De vordering van [partij A] heeft geen reële kans van slagen. Hij heeft niet voldoende onderbouwd of op enige wijze aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van een duurzame huishouding en, hoewel hij daartoe ruimschoots door Vechthorst in de gelegenheid is gesteld, geen inzicht gegeven in zijn inkomen en vermogen. Het beroep van [partij A] op artikel 7:268 lid 2 BW levert tegen die achtergrond misbruik van recht op. De kantonrechter weegt daarbij ook de schaarste aan sociale huurwoningen mee en de bijbehorende extreem lange wachttijden voor woningzoekenden die wel recht hebben op een woning als de onderhavige, waaronder gezinnen. Gelet op de onevenredigheid tussen de belangen van partijen, kan [partij A] in redelijkheid niet tot uitoefening komen van zijn recht om een beroep te doen op artikel 7:268 BW. Al deze omstandigheden tezamen maken dat de kantonrechter de beslissing uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren, zoals is gevorderd door Vechthorst. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing.
Kosten van de ontruiming
Vechthorst vordert dat [partij A] de kosten van de ontruiming moet betalen, uitsluitend indien en voor het geval de ontruiming door de deurwaarder moet worden uitgevoerd. De kantonrechter wijst deze vordering af. De partij die ongelijk krijgt kan alleen worden veroordeeld tot betaling van kosten die vóór de uitspraak zijn gemaakt (artikel 237 lid 3 Rv) dan wel kosten die na de uitspraak worden gemaakt maar die zich wel laten begroten (artikel 237 lid 4 Rv). Dat is niet het geval bij ontruimingskosten, omdat niet vast staat of die kosten worden gemaakt, en zo ja in welke omvang.
[partij A] moet de proceskosten van Vechthorst in conventie en in reconventie betalen
Omdat de vorderingen van [partij A] zullen worden afgewezen en de tegenvorderingen van Vechthorst zullen worden toegewezen, moet [partij A] de proceskosten van Vechthorst in conventie en in reconventie betalen. De proceskosten zijn de kosten die Vechthorst heeft gemaakt om deze procedure te voeren. Onder de proceskosten vallen ook de nakosten. Dat zijn de kosten die Vechthorst maakt om [partij A] ertoe te brengen aan de veroordelingen in dit vonnis te voldoen.
De proceskosten van Vechthorst in conventie worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
542,00
(2 punten x € 271,00)
- nakosten
€
135,00
(0,5 x liquidatietarief met een maximum van € 135,00, plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
677,00
De proceskosten van Vechthorst in reconventie worden begroot op € 204,00 (2 punten x factor 0,5 x € 204,00) aan salaris van de gemachtigde, omdat de tegenvordering voortvloeit uit het verweer in conventie. Omdat Vechthorst ook in conventie gelijk heeft gekregen en voor dat deel van de procedure nakosten worden toegekend, zullen er gelet op de aanbeveling van het LOVCK geen extra nakosten voor de reconventie worden toegekend.
5. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
wijst de vorderingen van [partij A] af,
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 677,00, te betalen binnen veertien dagen dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening indien [partij A] niet binnen genoemde termijn betaalt en vervolgens betekening van het vonnis plaatsvindt,
in reconventie
veroordeelt [partij A] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan het [adres] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [partij A] (mochten) bevinden en de woning met alle sleutels ter beschikking van Vechthorst te stellen en ontruimd te houden,
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 204,00, te betalen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening,
wijst het meer of anders gevorderde af,
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.3. en 5.4. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op
13 januari 2026.