RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11827064 \ CV EXPL 25-2311
Vonnis van 31 maart 2026
in de zaak van
de stichting,
WONINGSTICHTING DOMIJN,
gevestigd te Enschede,
eisende partij, hierna te noemen: Domijn,
gemachtigde: mr. L.M. Winkelhorst namens Groothuis Ligtermoet & Nijhuis,
tegen
1. [gedaagde 1],
2. [gedaagde 2],
beiden wonende te [woonplaats],
gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagden],
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 13 januari 2026;
- de akte van Domijn van 5 maart 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De zaak in het kort
[gedaagden] huren een woning van Domijn. Door financiële problemen hebben [gedaagden] de huurbetalingen een aantal maanden niet kunnen voldoen en is er een betalingsachterstand ontstaan. Domijn heeft daarom een dagvaardingsprocedure ingesteld, in eerste instantie met de bedoeling om de huurovereenkomst onvoorwaardelijk te ontbinden en [gedaagden] te veroordelen in alle kosten.
Domijn en [gedaagden] zijn gedurende de procedure een betalingsregeling overeengekomen. Domijn heeft de kantonrechter nog slechts verzocht om de huurovereenkomst voorwaardelijk te ontbinden. De kantonrechter wijst de voorwaardelijke ontbinding van de huurovereenkomst af, omdat de kantonrechter toewijzing van deze vordering in het licht van alle omstandigheden ongerechtvaardigd vindt.
3. De feiten en de vordering
De kantonrechter heeft in haar tussenvonnis van 13 januari 2026 een mondelinge behandeling via Teams bevolen.
Domijn heeft de kantonrechter voorafgaand aan de geplande mondelinge behandeling geïnformeerd over de betalingsregeling die Domijn en [gedaagden] hebben getroffen, inhoudende betaling van 1,79% van de vordering, tegen finale kwijting voor het restant van de vordering. Domijn heeft de kantonrechter daarnaast verzocht om de gevorderde ontbinding en ontruiming van de woning voorwaardelijk toe te wijzen.
4. De beoordeling
De kantonrechter begrijpt de akte van Domijn zo dat Domijn haar vordering vermindert en nog slechts vraagt om de voorwaardelijke ontbinding en ontruiming van de huurovereenkomst toe te wijzen.
De kantonrechter overweegt als volgt. Nu [gedaagden] de verschuldigdheid van de door Domijn gestelde huurachterstand, namelijk € 7.843,84 erkennen, staat deze vast. Hoewel dit bedrag – gelet op de tussen partijen gesloten overeenkomst – niet wordt toegewezen, is vaststelling van de hoogte van de huurachterstand van belang voor de beoordeling van de voorwaardelijke ontbinding en ontruiming.
De kantonrechter overweegt dat een tekortkoming van voldoende gewicht de andere partij het recht geeft op ontbinding van de overeenkomst. De ontstane huurachterstand van [gedaagden] is van zodanige omvang, dat deze de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst in beginsel rechtvaardigt.
De kantonrechter begrijpt uit het verweer van [gedaagden] echter dat zij een beroep doen op de ‘tenzij-clausule’ en aanvoeren dat sprake is van bijzondere omstandigheden die de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde niet rechtvaardigen. De Hoge Raad heeft beslist (HR 28 september 2018, ECLI:HR:NL:2018:1810) dat de afweging die plaatsvindt bij de beantwoording van de vraag of de ontbinding in het concrete geval gerechtvaardigd is, niet slechts plaatsvindt aan de hand van de in artikel 6:265 lid 1 BW genoemde gezichtspunten, maar dat alle overige omstandigheden van het geval van belang kunnen zijn.
De kantonrechter oordeelt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die toewijzing van de voorwaardelijke ontbinding en ontruiming niet rechtvaardigen. [gedaagden] hebben toegelicht dat de betalingsproblemen zijn ontstaan doordat er in de coronaperiode schulden ontstonden binnen het eigen bedrijf van [gedaagde 1]. [gedaagde 1] is toen in loondienst gaan werken, maar door de schulden is er loonbeslag op zijn loon gelegd waardoor uiteindelijk (opnieuw) financiële problemen zijn ontstaan. [gedaagden] hebben hulp bij het ROZ gezocht en aan de hand daarvan is een betalingsregeling met Domijn gesloten. [gedaagden] ontvangen inkomen uit loondienst en betalen de lopende huur sinds maart 2025 consequent. In het licht van al deze omstandigheden, mede nu ook sprake is van (een) minderjarige kind(eren), ziet de kantonrechter geen reden om de gevorderde voorwaardelijke ontbinding en ontruiming uit te spreken. Indien er in de toekomst opnieuw een achterstand in de huurbetalingen ontstaat, zal bij de beoordeling meewegen dat [gedaagden] eerder een huurachterstand hebben laten ontstaan.
Proceskosten
Omdat partijen voor wat betreft de huurachterstand tot een betalingsregeling zijn gekomen en de door Domijn gevorderde voorwaardelijke ontbinding en ontruiming niet wordt toegewezen, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren. Dit betekent dat ieder haar eigen proceskosten draagt.
5. De beslissing
De kantonrechter:
wijst het gevorderde af;
compenseert de proceskosten, wat betekent dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.