RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12022149 \ CV EXPL 25-3718
Vonnis van 31 maart 2026
in de zaak van
de stichting STICHTING MIJANDE WONEN,
gevestigd te Vriezenveen,
eisende partij,
hierna te noemen: Mijande Wonen,
gemachtigde: Groothuis Ligtermoet & Nijhuis,
tegen
1. [gedaagde 1],
wonende te [woonplaats 1],2. [gedaagde 2],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek tevens inhoudende een vermeerdering van eis.
[gedaagden] hebben hierna, hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld, niet meer gereageerd.
Vervolgens is vonnis bepaald op heden.
2. De feiten
Mijande Wonen verhuurt met ingang van 1 september 2000 aan [gedaagde 1] de woning aan het adres [adres] (hierna: het gehuurde). [gedaagde 2] is door zijn huwelijk met [gedaagde 1] van rechtswege medehuurder geworden. De huur bedraagt € 637,20 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
[gedaagden] hebben (een deel van) de huur niet betaald. Mijande Wonen heeft
[gedaagden] meerdere keren aangemaand om aan hun betalingsverplichtingen te voldoen.
Mijande Wonen heeft [gedaagden] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. Mijande Wonen heeft [gedaagden] daarna bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering.
3. Het geschil
Mijande Wonen vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van € 3.961,40 aan huurachterstand, berekend tot 1 januari 2026 met nevenvorderingen.
Mijande Wonen legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagden] zijn in hun verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan hun betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens Mijande Wonen de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] erkennen de huurachterstand en hebben in de conclusie van antwoord aangegeven de gehele vordering op 7 januari 2026 aan de gemachtigde van Mijande Wonen te betalen. [gedaagden] willen in de woning blijven wonen. [gedaagden] voeren aan dat zij vanwege hun persoonlijke en financiële omstandigheden niet in staat zijn geweest de achterstallige huurbedragen op tijd te voldoen
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
De gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en/of de gevorderde vergoeding van rente dient de kantonrechter ambtshalve te beoordelen. Van belang hierbij is of in de overeenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bepalingen zijn opgenomen die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden. Dat is niet het geval.
[gedaagden] hebben de huurachterstand tot 1 januari 2026 van € 3.961,41 erkend.
Mijande Wonen heeft in haar conclusie van repliek gesteld dat [gedaagden] de toegezegde betaling van de gehele vordering niet heeft voldaan en dat ook de lopende huur voor de maand januari 2026 niet door [gedaagden] is betaald. Mijande Wonen heeft daarom haar vordering vermeerderd met een bedrag van € 637,20. [gedaagden] hebben hierna, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet meer gereageerd, zodat de kantonrechter [gedaagden] zal veroordelen tot betaling van de huurachterstand t/m januari 2026 zijnde € 4.598,60.
[gedaagden] zijn te laat met het betalen van de verschillende huurtermijnen en daarom zal de gevorderde wettelijke rente van € 107,64 over de huurachterstand worden toegewezen.
Mijande Wonen vordert een bedrag van € 553,48 aan vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Mijande Wonen heeft aan [gedaagden] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
[gedaagden] hebben, zoals in de dagvaarding staat, inmiddels een bedrag van € 200,00 betaald. Dit bedrag zal op de toegewezen bedragen in mindering worden gebracht.
De kantonrechter heeft vastgesteld dat Mijande Wonen heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen.
Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand ruim vijf maanden. Daarna is de huurachterstand opgelopen en bedraagt de huurachterstand inmiddels ruim zes maanden. De huurachterstand is daarom ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden. De door [gedaagden] aangevoerde persoonlijke en financiële omstandigheden
leveren geen overmacht op en ontslaan hen niet van de verplichting om de huurpenningen tijdig te voldoen. Daar komt bij dat [gedaagden] in december 2025 hebben gezegd ‘alles rond’ te hebben en betalingen te zullen doen. Dat is niet gebeurd.
De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen. [gedaagden] zullen worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.
Mijande Wonen wil ook dat [gedaagden] worden veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 637,20, te rekenen vanaf de maand februari 2026 tot het moment dat [gedaagden] het gehuurde ontruimen. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [gedaagden] nog in het gehuurde verblijven. Deze vordering zal worden toegewezen.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Mijande Wonen worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,43
- griffierecht
€
514,00
- salaris gemachtigde
€
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.380,43
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
5. De beslissing
De kantonrechter
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres],
veroordeelt [gedaagden] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Mijande Wonen zijn, en de sleutels af te geven aan Mijande Wonen,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om te betalen aan Mijande Wonen:
- € 5.059,72 aan achterstallige huur tot en met januari 2026, buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente tot 10 december 205, te vermeerderen met de wettelijke rente over
€ 4.598,60 tot de dag van de volledige betaling,
- € 637,20 per maand vanaf februari 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.380,43, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026. (PHR)