RECHTBANK Overijssel
Team Insolventie
Zittingsplaats Almelo
Rekestnummer: NL:TZ:2504230:R-RK
Vonnis van maandag 9 maart 2026
op het verzoek van
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] ,
verzoekster, hierna te noemen [verzoekster] ,
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Samenvatting
[verzoekster] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling en heeft daarbij om een eerdere ingangsdatum verzocht.
De rechtbank wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling toe en wijst het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum af.
1. De procedure
De procedure bestaat uit:
- het schuldsaneringsverzoekschrift met bijlagen;
- de zitting van maandag 23 februari 2026, waarbij aanwezig waren:
- [verzoekster] ;
- dhr. [naam 1] , partner van [verzoekster] ;
- mw. [naam 2] h.o.d.n. [bedrijf] (beschermingsbewindvoerder);
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Het verzoek
[verzoekster] verzoekt om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling waarbij zij ook verzoekt om de ingangsdatum van de termijn van de schuldsanering op een eerdere datum te bepalen. Volgens [verzoekster] heeft zij een schuldenlast die zij niet zelf kan aflossen.
3. De beoordeling
Het betreft een hoofdinsolventieprocedure (artikel 3, eerste lid, van de Insolventieverordening (EU 2015/848)).
De rechtbank wijst het verzoek toe. Het verzoek voldoet aan de daaraan gestelde eisen. [verzoekster] heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 van de Faillissementswet. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.
[verzoekster] verzoekt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling te bepalen op 6 juni 2025. Ter onderbouwing van dit verzoek wordt gesteld dat sprake zou zijn van beslag op het inkomen van [naam 1] , de partner van [verzoekster] . De rechtbank wijst het verzoek af omdat uit het verzoekschrift en hetgeen ter zitting is besproken niet blijkt dat daadwerkelijk sprake is geweest van beslaglegging. De beschermingsbewindvoerder heeft verklaard dat de werkgever de beslaglegging administratief niet goed verwerkte, waarna zij dit heeft overgenomen. De beschermingsbewindvoerder maakt maandelijks een bedrag over aan de deurwaarder. Feitelijk gezien is daarmee geen sprake van beslaglegging, maar van een betalingsregeling waarbij één schuldeiser wordt bevoordeeld ten opzichte van de overige schuldeisers. Daarbij is in het geheel niet onderbouwd op basis waarvan de maandelijkse afdrachten zijn vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank wordt hiermee niet voldaan aan de vereisten voor een eerdere ingangsdatum.
4. De beslissing
De rechtbank:
spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] ;,
stelt de termijn van deze schuldsaneringsregeling vast op de achttien maanden, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak;
wijst het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum af;
benoemt tot rechter-commissaris mr. A.E. Zweers;
benoemt tot bewindvoerder [bewindvoerder] , [adres 2] ;
geeft de bewindvoerder de opdracht om de post van [verzoekster] in te zien totdat de schuldsaneringsregeling eindigt, maar in elk geval niet langer dan dertien maanden;
bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag opnemen volgens het besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen zolang de schuldsaneringsregeling loopt en voor zover de boedel toereikend is;
stelt vast dat door deze uitspraak alle gelegde beslagen komen te vervallen.
Gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld-Koekkoek, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 maart 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.