ECLI:NL:RBOVE:2026:181

ECLI:NL:RBOVE:2026:181, Rechtbank Overijssel, 13-01-2026, 11779456 \ CV EXPL 25-2047

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 13-01-2026
Datum publicatie 16-01-2026
Zaaknummer 11779456 \ CV EXPL 25-2047
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Gedaagde heeft zich borg gesteld voor het krediet dat Rabobank aan het bedrijf heeft verstrekt. Rabobank heeft gedaagde aangesproken voor de schulden van het bedrijf. Het verweer van gedaagde dat Rabobank niet tot uitwinning van de borg mocht overgaan en dat de hoogte van de vordering niet klopt, slaagt niet. De kantonrechter wijst de vordering toe.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 11779456 \ CV EXPL 25-2047

Vonnis van 13 januari 2026

in de zaak van

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

te Amsterdam,

eisende partij,

hierna te noemen: Rabobank,

gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

procederend in persoon.

1. Een korte samenvatting van de zaak

[gedaagde] heeft zich borg gesteld voor het krediet dat Rabobank aan [bedrijf] B.V. heeft verstrekt. Rabobank heeft [gedaagde] aangesproken voor de schulden van [bedrijf] B.V.. Het verweer van [gedaagde] dat Rabobank niet tot uitwinning van de borg mocht overgaan en dat de hoogte van de vordering niet klopt, slaagt niet. De kantonrechter wijst de vordering toe.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

Op 5 november 2014 heeft Rabobank een overeenkomst van geldlening in de vorm van een krediet in rekening-courant van € 50.000,00 gesloten met [bedrijf] B.V. op rekening [rekeningnummer] (hierna: de overeenkomst).

[gedaagde] heeft zich op 6 november 2014 als borg verbonden tot zekerheid van betaling van al hetgeen Rabobank van [bedrijf] B.V. blijkens haar administratie te vorderen heeft, tot een maximum van € 50.000,00 en te vermeerderen met rente en kosten.

Op 6 november 2023 heeft Rabobank een e-mailbericht aan [gedaagde] geschreven, inhoudende, voor zover van belang:

“[…] U heeft voorgesteld om de debetstand in twee gelijke termijnen te voldoen en wel op 30 november 2023 en op 31 december 2023. Ik ga daarmee akkoord op onderstaande voorwaarden:

- De huidige debetstand bedraagt €13.310,16 en zal in twee termijnen van €6.655,08 worden voldaan op 30 november 2023 en 31 december 2023

- Naast deze debetstand dient u rekening te houden dat daarbij ook nog lopende rente, provisie en andere bankkosten bijkomen. Eind december dient dat ook te worden voldaan.

- De rekening [rekeningnummer] zal zodra de debetstand is aangezuiverd en het saldo €0,- is worden opgeheven. […]

- […] Mocht de hierboven beschreven afspraken wederom niet worden nagekomen dan zullen wij direct over gaan tot het opzeggen van de financiering en u in prive aanspreken op uw borgtochtverplichting.

[…]”

Op 5 december 2023 heeft [bedrijf] B.V. een bedrag van € 6.800,00 voldaan.

Op 15 januari 2024 is de overeenkomst beëindigd en [gedaagde] is als borg aangesproken om de overeenkomst na te komen.

Op 11 maart 2024 heeft [gedaagde] een bedrag van € 1.500,00 betaald en op 13 maart 2024 heeft [gedaagde] een bedrag van € 750,00 betaald.

Op een rekeningafschrift van [rekeningnummer] van 5 juni 2025 staat vermeld dat op 25 maart 2024 een bedrag is bijgeschreven van € 4.859,94, met als omschrijving:

“Rabobank Nederland FR&R […] Afboeking [rekeningnummer] […] ”

4. Het geschil

Rabobank vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 5.044,38, vermeerderd met rente en kosten.

Rabobank stelt dat er op grond van de overeenkomst nog een bedrag van € 4.859,94 openstond. Daarnaast is volgens Rabobank een bedrag van € 400,15 aan wettelijke rente verschuldigd, berekend tot en met 20 juni 2025. Deze bedragen zijn verminderd met een bedrag van € 215,71, omdat [gedaagde] dat bedrag nog aan de deurwaarder heeft betaald.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Rabobank, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Rabobank.

[gedaagde] stelt - samengevat - dat Rabobank niet tot uitwinning van de borg mocht overgaan en dat de hoogte van de vordering niet klopt. Volgens [gedaagde] heeft Rabobank onvoldoende inzicht gegeven in het openstaande saldo en zijn betalingen van [gedaagde] niet goed verwerkt.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

Vaststaat dat [gedaagde] zich borg heeft gesteld voor het krediet dat Rabobank aan [bedrijf] B.V. heeft verstrekt.

[gedaagde] stelt dat zij met de Rabobank in november 2023 heeft afgesproken het restantbedrag van € 13.310,16 in twee termijnen te zullen voldoen. Volgens [gedaagde] handelt Rabobank in strijd met de afspraken door tot uitwinning van de borg over te gaan. Dit verweer slaagt niet. Rabobank betwist dat zij zich niet aan de afspraken heeft gehouden en wijst erop dat de afspraak tot stand is gekomen onder de voorwaarde dat Rabobank direct de financiering zou opzeggen als de betalingsafspraken niet werden nagekomen. Ook stelt Rabobank dat [bedrijf] B.V. de tweede termijn niet (volledig) heeft voldaan. [gedaagde] heeft dit alles niet weersproken. Dat betekent dat vast komt te staan dat de betalingsregeling niet is nagekomen. Rabobank heeft de financiering vervolgens beëindigd, omdat [bedrijf] B.V., ondanks meerdere verzoeken daartoe, de roodstand op de rekening niet heeft aangevuld. Omdat [bedrijf] B.V. in de nakoming van haar verbintenis is tekort geschoten, kon Rabobank [gedaagde] als borg aanspreken tot nakoming.

[gedaagde] stelt dat zij de vordering niet kan controleren, omdat er geen duidelijk en sluitend overzicht is gegeven van de aflossingen en het exacte openstaande saldo en omdat er gedurende de looptijd zijn bedragen afgeschreven zonder dat deze zichtbaar waren op de rekeningafschriften. De kantonrechter begrijpt het verweer zo dat zij de hoogte van de vordering betwist, maar dat verweer slaagt niet. De kantonrechter legt dat hierna uit.

De kantonrechter stelt eerst vast dat partijen het erover eens zijn dat [bedrijf] B.V. € 6.800,00 heeft betaald op 5 december 2023 en dat [gedaagde] nog € 1.500,00 en € 750,00 heeft betaald in maart 2024. [gedaagde] stelt dat Rabobank deze bedragen niet correct meerekent, maar onderbouwt dat niet. Dat Rabobank deze bedragen niet aanmerkt als een betaling komt niet vast te staan, want Rabobank heeft dat niet gezegd in haar conclusie van repliek. Daarin stelt zij alleen dat de bedragen weliswaar zijn betaald, maar dat dat te weinig was om het openstaande saldo te voldoen. Daarvoor was namelijk nodig dat [gedaagde], zoals zij ook met Rabobank had afgesproken, twee betalingen van € 6.655,08 zou doen.

Ter onderbouwing van de hoogte van de vordering heeft Rabobank verwezen naar een rekeningafschrift van 5 juni 2025, waaruit blijkt dat het debetsaldo op 25 maart 2024 € 4.859,94 bedraagt. In repliek heeft Rabobank toegelicht dat dat bedrag in de kolom bijschrijvingen is vermeld, omdat zij het bedrag administratief moest afboeken om de rekening op te kunnen heffen (de kantonrechter begrijpt het zo: het saldo moest daarvoor op € 0,00 staan). Dit is door [gedaagde] niet weersproken, zodat dat vast komt te staan.

[gedaagde] stelt - zo begrijpt de kantonrechter - dat zij niet van de juistheid van dat bedrag uit kan gaan, omdat er ook afschrijvingen plaatsvonden die niet zichtbaar waren op de rekeningafschriften. Maar Rabobank heeft dat gemotiveerd betwist. Zij stelt dat [gedaagde] (namens [bedrijf] B.V.) het saldo tijdens de looptijd steeds online kon inzien. Ook heeft Rabobank bij repliek alle rekeningafschriften overgelegd. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om nader te onderbouwen dat sprake is geweest van afschrijvingen die niet zichtbaar waren op de rekeningafschriften. Dat heeft zij niet gedaan en dat komt daarom niet vast te staan. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van het op de rekeningafschriften vermelde debetsaldo van € 4.859,94. De kantonrechter is van oordeel dat Rabobank daarmee de hoogte van de vordering voldoende heeft onderbouwd.

[gedaagde] betwist dat zij in verzuim is met nakoming van de overeenkomst, omdat zij in maart 2024 nog bedragen heeft betaald. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] op 19 februari 2024 is aangesproken de schuld van [bedrijf] B.V. in te lossen en daarbij twee weken de tijd heeft gekregen om de vordering te voldoen (productie 4 bij de dagvaarding). Zij heeft niet binnen deze termijn betaald, waardoor op dat moment het verzuim is ingetreden. Zij heeft weliswaar op 11 en 13 maart 2024 nog betalingen gedaan, maar dat was onvoldoende om de openstaande vordering te voldoen.

Tot slot stelt [gedaagde] dat het uitwinnen van de borgstelling niet redelijk is en niet in verhouding. De kantonrechter begrijp dat [gedaagde] een beroep doet op artikel 6:248, lid 2, BW. Daarin staat dat een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Maar de kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] niet heeft uitgelegd waarom een beroep op de borgstelling in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dat zij een betalingsregeling heeft aangeboden en betalingen heeft gedaan, maakt niet dat Rabobank geen beroep kon doen op de borgstelling. Het springende punt is namelijk dat [bedrijf] B.V. de betalingsregeling niet is nagekomen en onvoldoende heeft betaald om de roodstand aan te vullen, hoewel Rabobank haar daarom meermaals heeft gevraagd. Precies voor dat geval is de borgstelling bedoeld. Dat Rabobank geen volledige en correcte specificaties zou hebben verstrekt en haar administratie tegenstrijdigheden zou bevatten, is niet vast komen te staan. Dit verweer kan daarom niet slagen.

Omdat [gedaagde] niet op tijd heeft betaald, moet zij ook de wettelijke rente betalen. Hiertegen is geen afzonderlijk verweer gevoerd. Het bedrag van € 400,15 aan wettelijke rente tot en met 20 juni 2025 zal dan ook worden toegewezen, net als de wettelijke rente vanaf 21 juni 2025 over de nog openstaande hoofdsom zoals hierna vermeld.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rabobank worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

146,14

- griffierecht

543,00

- salaris gemachtigde

678,00

(2 punten × € 339,00)

- nakosten

135,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.502,14

6. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt [gedaagde] om aan Rabobank te betalen een bedrag van € 5.044,38, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 4.859,94, met ingang van 21 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.502,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op

13 januari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?