RECHTBANK Overijssel
Team Insolventie
Zittingsplaats Almelo
Rekestnummer: NL:TZ:2502944:R-RK
Vonnis van dinsdag 27 januari 2026
op het verzoek van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1]
verzoeker, hierna te noemen [verzoeker] ,
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Samenvatting
[verzoeker] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling en heeft daarbij om een eerdere ingangsdatum verzocht.
De rechtbank wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling toe en wijst het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum af.
1. De procedure
De procedure bestaat uit:
- het schuldsaneringsverzoekschrift met bijlagen;
- de zitting van dinsdag 20 januari 2026, waarbij aanwezig waren:
- [verzoeker] ;
- mevrouw [echtgenote] , echtgenote van [verzoeker] ;
- mevrouw [naam] (h.o.d.n.) [bedrijf] , beschermingsbewindvoerder.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Het verzoek
[verzoeker] verzoekt om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling waarbij hij ook verzoekt om de ingangsdatum van de termijn van de schuldsanering op een eerdere datum te bepalen. Volgens [verzoeker] heeft hij een schuldenlast die hij niet zelf kan aflossen.
3. De beoordeling
Het is een hoofdinsolventieprocedure (artikel 3, eerste lid, van de Insolventieverordening (EU 2015/848)).
De rechtbank wijst het verzoek toe. Het verzoek voldoet aan de daaraan gestelde eisen. [verzoeker] heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 van de Faillissementswet. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.
[verzoeker] verzoekt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling te bepalen op 1 april 2025, zijnde de datum waarop de schuldregelingsovereenkomst is getekend. De rechtbank dient te bepalen of [verzoeker] tijdens het minnelijk traject aan de inspanningsplicht heeft voldaan en maximaal heeft gespaard voor de schuldeisers. In 2019 is een eerder verzoek schuldsanering van [verzoeker] afgewezen. [verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat hij eerst nadat hem in juni 2024 door de Stadsbank dringend is geadviseerd betaald aan de slag te gaan, heeft geprobeerd betaalde arbeid te verwerven, hetgeen is gelukt. Volgens [verzoeker] werkt hij sinds september 2024 20 á 30 uur per week. De rechtbank is op grond van vorenstaande van oordeel dat [verzoeker] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij tijdens het minnelijk traject aan de inspanningsplicht heeft voldaan.
Wat betreft de verplichting om maximaal te sparen voor de schuldeisers overweegt de rechtbank als volgt. Volgens het verzoekschrift kon er wegens beslag op het inkomen van [verzoeker] en [echtgenote] tijdens het minnelijk traject niet worden afgedragen voor de schuldeisers. Volgens de beschermingsbewindvoerder ligt er geen beslag (meer) op het inkomen. Het is de rechtbank niet duidelijk hoe de situatie er wat betreft afdracht de afdracht boven het vrij te laten bedrag in het minnelijk traject heeft uitgezien.
Betreffende het leefgeld dat door de beschermingsbewindvoerder wordt overgeboekt valt op dat het elke maand om hoge bedragen gaat (het basisbedrag aan leefgeld dat wordt overgeboekt, bedraagt ongeveer € 155 per week). Volgens [verzoeker] hebben ze regelmatig extra geld nodig om verjaardagscadeautjes voor hun (klein)kinderen te kopen.
De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij maximaal heeft gespaard voor zijn schuldeisers.
Het is onduidelijk of er spaarcapaciteit bestond in het minnelijk traject en of die is afgedragen. Wat wel duidelijk is, is dat [verzoeker] en [echtgenote] er ten nadele van de schuldeisers een royaal bestedingspatroon op na hebben gehouden. Van hen had gelet op hun reeds jarenlang bestaande problematische schuldensituatie mogen worden verwacht dat zij zoveel mogelijk opzij hadden gezet om hun schulden te kunnen aflossen. Het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum wordt dan ook afgewezen.
4. De beslissing
De rechtbank:
spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] ;
stelt de termijn van deze schuldsaneringsregeling vast op de achttien maanden, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak;
wijst het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum af;
benoemt tot rechter-commissaris mr. S.J.S. Groeneveld;
benoemt tot bewindvoerder [bewindvoerder] , [adres 2] ;
geeft de bewindvoerder de opdracht om de post van [verzoeker] in te zien totdat de schuldsaneringsregeling eindigt, maar in elk geval niet langer dan dertien maanden;
bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag opnemen volgens het besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen zolang de schuldsaneringsregeling loopt en voor zover de boedel toereikend is;
stelt vast dat door deze uitspraak alle gelegde beslagen komen te vervallen.
Gewezen door mr. M.M. Verhoeven, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.