RECHTBANK Overijssel
Team Insolventie
Zittingsplaats Zwolle
Rekestnummer: NL:TZ:2502358:R-RK
Vonnis van maandag 19 januari 2026
op het verzoek van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],
wonende te [adres 1],
verzoeker, hierna te noemen [verzoeker],
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Samenvatting
[verzoeker] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling en heeft daarbij om een eerdere ingangsdatum verzocht.
De rechtbank wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling toe en wijst het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum af.
1. De procedure
De procedure bestaat uit:
- het schuldsaneringsverzoekschrift met bijlagen;
- de zitting van maandag 12 januari 2026, waarbij aanwezig waren:
- [verzoeker];
- [naam 1] namens de Kredietbank Nederland;
- [naam 2], beschermingsbewindvoerder namens [bedrijf] B.V.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Het verzoek
[verzoeker] verzoekt om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling waarbij hij ook verzoekt om de ingangsdatum van de termijn van de schuldsanering op een eerdere datum te bepalen. Volgens [verzoeker] heeft hij een schuldenlast die hij niet zelf kan aflossen.
3. De beoordeling
Het betreft een hoofdinsolventieprocedure (artikel 3, eerste lid, van de Insolventieverordening (EU 2015/848)).
De rechtbank wijst het verzoek toe. Het verzoek voldoet aan de daaraan gestelde eisen. [verzoeker] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen. Ook heeft [verzoeker] voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
[verzoeker] verzoekt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling in het verzoekschrift te bepalen op 1 april 2025, het moment waarop het minnelijk traject is gestart. Ter zitting heeft de heer Wiersema verklaard dat 23 mei 2025 de feitelijke startdatum is geweest.
Op 20 december 2024 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2024:1913) prejudiciële vragen beantwoord over het bepalen van een eerder aanvangsmoment van het Wsnp-traject. De Hoge Raad heeft onder andere bepaald dat een aflossing aan één of enkele schuldeisers uit hoofde van een ten laste van een schuldenaar gelegd beslag ook als eerste aflossing kan worden aangemerkt. Bij de beoordeling van een eerder aanvangsmoment is echter ook van belang of de wijze waarop de schuldenaar zich tijdens het minnelijke voortraject heeft ingespannen ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers, een eerder aanvangsmoment rechtvaardigt. Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Tijdens het minnelijk voortraject geldt onder meer de verplichting dat een schuldenaar geen nieuwe schulden mag maken.
Uit het verzoekschrift blijkt dat in de drie jaar voorafgaand aan het indienen ervan een aantal schulden niet te goeder trouw is ontstaan. [verzoeker] heeft daarom een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet. De rechtbank is van oordeel dat het laten ontstaan van nieuwe schulden die niet te goeder trouw zijn en waarvoor een beroep op de hardheidsclausule noodzakelijk is, een omstandigheid is die maakt dat het bepalen van een eerdere ingangsdatum niet gerechtvaardigd is. De rechtbank wijst het verzoek om een eerdere ingangsdatum af.
4. De beslissing
De rechtbank:
spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats], wonende te [adres 1];
stelt de termijn van deze schuldsaneringsregeling vast op de achttien maanden, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak;
wijst het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum af;
benoemt tot rechter-commissaris mr. R.P. van Eerde;
benoemt tot bewindvoerder [bewindvoerder], [adres 2];
geeft de bewindvoerder de opdracht om de post van [verzoeker] in te zien totdat de schuldsaneringsregeling eindigt, maar in elk geval niet langer dan dertien maanden;
bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag opnemen volgens het besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen zolang de schuldsaneringsregeling loopt en voor zover de boedel toereikend is;
stelt vast dat door deze uitspraak alle gelegde beslagen komen te vervallen.
Dit is de beslissing van mr. K.J. Haarhuis, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.