RECHTBANK Overijssel
Team Insolventie
Zittingsplaats Almelo
Rekestnummer: NL:TZ:2502433:R-RK
Vonnis van dinsdag 13 januari 2026
op het verzoek van
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats],
wonende te [adres 1],
verzoekster, hierna te noemen [verzoekster],
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Samenvatting
[verzoekster] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling en heeft daarbij om een eerdere ingangsdatum verzocht.
De rechtbank wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling toe en wijst het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum af.
1. De procedure
De procedure bestaat uit:
- het schuldsaneringsverzoekschrift met bijlagen;
- de zitting van dinsdag 6 januari 2026, waarbij aanwezig waren:
- [verzoekster];
- Mevrouw [naam], Schuldhulp Oost Nederland B.V.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Het verzoek
[verzoekster] verzoekt om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling waarbij zij ook verzoekt om de ingangsdatum van de termijn van de schuldsanering op een eerdere datum te bepalen. Volgens [verzoekster] heeft zij een schuldenlast die zij niet zelf kan aflossen.
3. De beoordeling
Het is een hoofdinsolventieprocedure (artikel 3, eerste lid, van de Insolventieverordening (EU 2015/848)).
De rechtbank wijst het verzoek toe. Het verzoek voldoet aan de daaraan gestelde eisen. [verzoekster] heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 van de Faillissementswet. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.
[verzoekster] verzoekt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling te bepalen op 1 april 2025. Bij aanvang van het minnelijk traject is een bedrag van € 7.162,99 ingebracht. Vervolgens is de maandelijkse spaarcapaciteit niet meer afgedragen. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat die afdracht om haar onbekende redenen niet heeft plaatsgevonden. Volgens een overzicht dat de Stadsbank Oost Nederland heeft opgesteld, had er, afgezien van vakantiegeld en incidentele baten, over de periode april 2025 tot en met oktober 2025 reeds circa € 1.750 moeten worden gespaard voor de schuldeisers. Op grond van vorenstaande moet naar het oordeel van de rechtbank het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum worden afgewezen. De inbreng van € 7.162,99 bij aanvang van het minnelijk traject valt sowieso in de boedel en kan niet worden toegerekend aan de daarop volgende maanden van het minnelijk traject. Om een eerdere ingangsdatum te bepalen, had naast het bedrag van € 7.162,99 ook de spaarcapaciteit over de maanden april 2025 tot en met heden moeten worden afgedragen.
4. De beslissing
De rechtbank:
spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster],geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats];
stelt de termijn van deze schuldsaneringsregeling vast op de achttien maanden, te rekenen vanaf 13 januari 2026;
wijst het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum af;
benoemt tot rechter-commissaris mr. D. van den Berg;
benoemt tot bewindvoerder [bewindvoerder], [adres 2];
geeft de bewindvoerder de opdracht om de post van [verzoekster] in te zien totdat de schuldsaneringsregeling eindigt, maar in elk geval niet langer dan dertien maanden;
bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag opnemen volgens het besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen zolang de schuldsaneringsregeling loopt en voor zover de boedel toereikend is;
stelt vast dat door deze uitspraak alle gelegde beslagen komen te vervallen.
Gewezen te Almelo door mr. M.M. Verhoeven, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.