RECHTBANK Overijssel
Team Insolventie
Zittingsplaats Almelo
Rekestnummer: NL:TZ:2502472:R-RK
Vonnis van maandag 5 januari 2026
op het verzoek van
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats]
wonende te [adres 1]
verzoekster, hierna te noemen [verzoekster],
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Samenvatting
[verzoekster] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling en heeft daarbij om een eerdere ingangsdatum verzocht.
De rechtbank wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling toe en wijst het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum af.
1. De procedure
De procedure bestaat uit:
- het schuldsaneringsverzoekschrift met bijlagen;
- de zitting van maandag 22 december 2025, waarbij aanwezig waren:
- [verzoekster];
- [echtgenoot], echtgenoot van [verzoekster].
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Het verzoek
[verzoekster] verzoekt om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling waarbij zij ook verzoekt om de ingangsdatum van de termijn van de schuldsanering op een eerdere datum te bepalen. Volgens [verzoekster] heeft zij een schuldenlast die zij niet zelf kan aflossen.
3. De beoordeling
Het betreft een hoofdinsolventieprocedure (artikel 3, eerste lid, van de Insolventieverordening (EU 2015/848)).
De rechtbank wijst het verzoek toe. Het verzoek voldoet aan de daaraan gestelde eisen. [verzoekster] heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 van de Faillissementswet. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.
[verzoekster] verzoekt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling te bepalen op 30 januari 2025, het moment waarop [verzoekster] (en [echtgenoot]) de schuldregelingsovereenkomst met De Stadsbank hebben ondertekend. Gedurende het gehele minnelijke traject is sprake geweest van beslag op de uitkering.
De rechtbank wijst het verzoek af; enerzijds omdat [verzoekster] is gehuwd in gemeenschap van goederen met [echtgenoot], wiens verzoek om een eerdere ingangsdatum is afgewezen, en anderzijds omdat niet is gebleken dat [verzoekster] heeft voldaan aan de vereisten om in aanmerking te komen voor een eerdere ingangsdatum.
Omdat [verzoekster] en [echtgenoot] op 26 augustus 1983 in gemeenschap van goederen zijn gehuwd is sprake van een huwelijksgemeenschap en zijn zowel [verzoekster] als [echtgenoot] aansprakelijk voor de schulden van de gemeenschap. De afwijzing van het verzoek om een eerdere ingangsdatum van [echtgenoot] heeft tot gevolg dat een eventuele eerdere ingangsdatum van [verzoekster] (en daarmee een eerder einde van de schuldsaneringsregeling) niet het voor haar gewenste gevolg zal hebben, omdat door de gemeenschap van goederen via [echtgenoot] verhaalsaansprakelijk blijft voor de schulden van [echtgenoot].
Daarnaast heeft [verzoekster] niet aangetoond dat de wijze waarop zij tijdens het minnelijk traject stelt te hebben gesolliciteerd, vergelijkbaar is met de wijze waarop zij dat tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling dient te doen, noch dat deze verplichting op vergelijkbare wijze als in de Wsnp is gecontroleerd. Hierdoor heeft [verzoekster] niet voldaan aan de inspanningsplicht zoals deze geldt in de Wsnp en daarom wijst de rechtbank het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum af.
4. De beslissing
De rechtbank:
spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats];
wonende te [adres 1]
stelt de termijn van deze schuldsaneringsregeling vast op de achttien maanden, te rekenen vanaf 5 januari 2026;
wijst het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum af;
benoemt tot rechter-commissaris mr. R.P. van Eerde;
benoemt tot bewindvoerder [bewindvoerder], [adres 2];
geeft de bewindvoerder de opdracht om de post van [verzoekster] in te zien totdat de schuldsaneringsregeling eindigt, maar in elk geval niet langer dan dertien maanden;
bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag opnemen volgens het besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen zolang de schuldsaneringsregeling loopt en voor zover de boedel toereikend is;
stelt vast dat door deze uitspraak alle gelegde beslagen komen te vervallen.
Gewezen te Almelo door mr. M.M. Verhoeven, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.