RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 71.103477.24 (P)
Datum vonnis: 7 april 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 maart 2026 en 7 april 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. N.C.M.L. Bloebaum, advocaat in Maastricht, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feiten 1 en 2: samen met anderen (een levensgevaarlijke vorm van) mensensmokkel heeft voorbereid.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1. zaaksdossier 2)
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 3 juli 2024 tot en met 6 juli 2024 te Wieringerwaard en/althans (elders) in Nederland en/of in België en/of in Frankrijk, althans ook elders, tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/althans alleen,
(telkens) ter voorbereiding van het misdrijf om een of meer perso(o)n(en),
behulpzaam te zijn bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door, en/of uit winstbejag behulpzaam te zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, en/of die perso(o)n(en) daartoe (telkens) gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,
terwijl de verdachte en/of zijn mededaders(s) wist(en) of ernstige redenen hadden te vermoeden dat die toegang en/of die doorreis en/of dat verblijf (telkens) wederrechtelijk was,
en/of door die/dat misdrijf/ven (telkens) levensgevaar voor de te smokkelen personen te duchten was, (telkens) een misdrijf als strafbaar gesteld in artikel 197a (lid 5) Wetboek van Strafrecht,
(door) opzettelijk voorwerpen en/of vervoersmiddel(en) en/of (een) ruimte(n), bestemd tot het begaan van die/dat misdrijf/misdrijven heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, te weten:
- een of meerdere buitenboordmotoren;
2 ( zaaksdossier 1)
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 augustus 2024 tot en met 6 september 2024 te Geleen en/althans (elders) in Nederland en/of in België en/of in Frankrijk, althans ook elders, tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/althans alleen,
(telkens) ter voorbereiding van het misdrijf om een of meer perso(o)n(en),
behulpzaam te zijn bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door, en/of uit winstbejag behulpzaam te zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, en/of die perso(o)n(en) daartoe (telkens) gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,
terwijl de verdachte en/of zijn mededaders(s) wist(en) of ernstige redenen hadden te vermoeden dat die toegang en/of die doorreis en/of dat verblijf (telkens) wederrechtelijk was,
en/of door die/dat misdrijf/ven (telkens) levensgevaar voor de te smokkelen personen te duchten was, (telkens) een misdrijf als strafbaar gesteld in artikel 197a (lid 5) Wetboek van Strafrecht,
(door) opzettelijk voorwerpen en/of vervoersmiddel(en) en/of (een) ruimte(n), bestemd tot het begaan van die/dat misdrijf/misdrijven heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, te weten:
- een of meerdere rubberbo(o)t(en), en/of
- een of meerdere bodemplaten,, en/of
- een of meerdere zijrails, en/of
- een of meerdere opblaaspomp(en), en/of
- een opslaglocatie bij [bedrijf] te [vestigingsplaats] , en/of
- een geldbedrag ad. € 3000 beschikbaar gesteld voor de aankoop van rubberbo(o)t(en).
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich – overeenkomstig een aan de rechtbank overgelegd schriftelijk requisitoir – op het standpunt gesteld dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte ten tijde van dit feit ervan op de hoogte was dat de buitenboordmotor die hij in opdracht van medeverdachte [medeverdachte] heeft gekocht bestemd was voor mensensmokkel. Hierbij is van belang dat verdachte de video die ziet op mensensmokkelactiviteiten heeft ontvangen op 27 augustus 2024, te weten ongeveer 6 weken na de ten laste gelegde periode van het onderhavige feit.
De rechtbank is van oordeel dat wel wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
De juridische kaders
Artikel 197a Wetboek van Strafrecht ( mensensmokkel )
Voor een bewezenverklaring van artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is vereist dat de verdachte, al dan niet uit winstbejag, behulpzaam is geweest een persoon toegang tot of doorreis door of verblijf te verschaffen in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie (EU), of dat de verdachte daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden, dat de toegang of doorreis of het verblijf wederrechtelijk is.
Naar vaste rechtspraak moet het bestanddeel ‘behulpzaam zijn bij’ uitgelegd worden overeenkomstig artikel 48 Sr, waarin medeplichtigheid in algemene zin strafbaar is gesteld. In deze strafzaak gaat het erom of de verdachte behulpzaam is geweest bij het verschaffen van de doorreis door, het verblijf in en toegang tot een lidstaat van de EU van een persoon of dat de verdachte daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft of dit in enigerlei opzicht bevorderd heeft of gemakkelijk heeft gemaakt. Als behulpzaamheden die onder artikel 197a Sr vallen, is onder meer genoemd: de begeleiding tijdens de reis, bijvoorbeeld door feitelijk met een groep gesmokkelden mee te reizen, het verlenen of verzorgen van onderdak en vervoer tijdens de reis en het verzorgen van (valse of vervalste) documenten.
Wederrechtelijkheid
Het begrip ‘wederrechtelijk’ in de delictsomschrijving van artikel 197a Sr moet worden uitgelegd als ‘zonder enig subjectief recht of enige bevoegdheid’. De hulp moet dus verleend zijn ten opzichte van iemand die tot het verblijf of de toegang in Nederland of het Schengen-rechtsgebied aan geen rechtsregel – van nationale of internationale herkomst – enige titel kan ontlenen.
Levensgevaar ( lid 5 )
In lid 5 van artikel 197a Sr is voor een ander te duchten levensgevaar als strafverzwarende omstandigheid opgenomen. Voor de invulling van het begrip ‘levensgevaar’ wordt er door de Hoge Raad aansluiting gezocht bij de jurisprudentie, die ziet op ‘levensgevaar’ zoals bedoeld in artikel 157 Sr. De Hoge Raad vult het te duchten gevaar aan de hand van het vereiste van voorzienbaarheid in. Daarbij wordt uitgegaan van voorzienbaarheid ten tijde van het handelen van de verdachte. Om het levensgevaar voor een ander als vaststaand te kunnen aannemen is in algemene zin vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat levensgevaar te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar ten tijde van het behulpzaam zijn bij de doorreis in de Europese Unie naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Dat de verdachte zelf dat gevaar wellicht niet heeft voorzien, is niet van belang.
Medeplegen
De medepleger wordt ingevolge artikel 47 Sr als dader bestraft. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor een bewezenverklaring van medeplegen vereist is dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen twee of meer personen aan een delict, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Deze samenwerking kan in sommige gevallen afgeleid worden uit een gezamenlijk plan of gezamenlijk optreden. Het begrip samenwerking heeft ook een intentionele betekenis; uit de uiterlijke verschijningsvorm van gedragingen kan in bepaalde gevallen het doelgerichte karakter worden afgeleid en daarmee ook de gezamenlijke intenties van de betrokken verdachten om het doel te verwezenlijken.
Strafbare voorbereidingshandelingen
Iemand die behulpzaam is bij de oversteek die moet leiden tot de illegale toegang tot het Verenigd Koninkrijk en weet of moet vermoeden dat die reis wederrechtelijk is, maakt zich schuldig aan mensensmokkel. Het opzettelijk verwerven, voorhanden hebben, invoeren, doorvoeren en uitvoeren van vervoersmiddelen en andere voorwerpen, bedoeld om deze illegale overtocht over het Kanaal te maken, zijn voorbereidingshandelingen, strafbaar gesteld in artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Voor de bewezenverklaring van het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in dit artikel, is tevens vereist dat de verdachte een misdrijf heeft voorbereid waar een gevangenisstraf van acht jaar of meer op staat. Dat betekent dat het voorbereiden van een misdrijf zoals omschreven in artikel 197a lid 1 Sr, waarvoor een gevangenisstraf voor de duur van ten hoogste zes jaren kan worden opgelegd, op zichzelf niet strafbaar is. Voor strafbare voorbereidingshandelingen inzake artikel 197a Sr moet sprake zijn van strafverzwarende omstandigheden, zoals ‘een beroep of gewoonte maken’ (lid 4, maximumstraf van tien jaren), ‘in vereniging plegen’ (lid 4, maximumstraf van tien jaren) en ‘terwijl levensgevaar te duchten was’ (lid 5, maximumstraf van 15 jaren).
Algemene overweging van de rechtbank over het bestanddeel levensgevaar
Het is algemeen bekend dat de laatste jaren op grote schaal illegale migratie plaatsvindt vanuit Frankrijk naar het Verenigd Koninkrijk door met rubberbootjes met een lengte tussen de 5 en 12 meter, de drukst bevaren zeeroute ter wereld, het Kanaal, over te steken. Bekend zijn de beelden van rubberboten met buitenboordmotor, veelal beladen met meer mensen dan waarvoor die boten geschikt zijn. Die rubberboten voldoen niet aan de voorwaarden voor zeewaardigheid (zo zijn deze onder meer onvoldoende uitgerust met navigatie- en veiligheidsmiddelen, is voortstuwing onvoldoende, en voldoen niet aan stabiliteits- of sterkte-vereisten) en begeven zich desalniettemin op volle zee, blootgesteld aan golven, koud water, sterke stroming, grillige weersomstandigheden en druk scheepvaartverkeer, waarbij de opvarenden vaak niet beschikken over voldoende vaar- en zwemvaardigheden. Meer dan eens belanden de opvarenden van die bootjes in levensgevaarlijke situaties, waarbij mensen daadwerkelijk om het leven komen.
De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat het bij mensensmokkel vanuit Frankrijk naar het Verenigd Koninkrijk met behulp van rubberboten met een buitenboordmotor een feit van algemene bekendheid is dat daarbij levensgevaar voor de opvarenden te duchten is.
Zaaksdossier 1 (feit 2)
Op 27 augustus 2024 stuurt medeverdachte [medeverdachte] , hierna te noemen [medeverdachte] , naar verdachte een video met een wit/lichtgrijze rubberboot varend op zee met een buitenboordmotor met ongeveer 30 jonge mannen erin. Op de video is te horen dat gezegd wordt “de datum is 27-08, hier zijn jouw passagiers, [naam boot] , richting Brittannië” en “ [naam boot] ”. Vervolgens stuurt [medeverdachte] een bericht aan verdachte met de tekst “Wis hem”, waarna verdachte terugstuurt “een beest, moge God jou belonen”. Vervolgens stuurt [medeverdachte] aan verdachte een bericht met de tekst “Dank je wel. Ik wil morgen rubberboten hebben, dringend”.
Op 29 augustus 2024 heeft verdachte contact met een verkoper over de aanschaf van een rubberboot voor € 1000,00 in [plaats] . Op 29 augustus 2024 en op 2 september 2024 hebben verdachte en [medeverdachte] veelvuldig contact via WhatsApp over de aanschaf van een rubberboot. [medeverdachte] geeft verdachte op 2 september 2024 de opdracht om de boot in [plaats] te kopen en om een videofragment op te nemen om zeker te weten dat de boot niet lekt of beschadigd is. Verdachte stuurt [medeverdachte] vervolgens een video waarop de boot te zien is en waarop verdachte zegt “Kijk [naam 1] , dit is jouw monster (beest), kijk…”. [medeverdachte] zegt daarna dat verdachte de auto met de boot ergens moet parkeren en moet bedekken.
Opsporingsambtenaren van het Team Heimelijke Inwinning hebben op 5 september 2024 een boot gezien in de gang van de kapperszaak van verdachte, [bedrijf] te [vestigingsplaats] . Verder zagen zij in deze kapperszaak [medeverdachte] en zijn zoon en een onbekende man die met de boot bezig was.
Op 6 september 2024 is verdachte aangehouden door de Koninklijke Marechaussee op de A76 ter hoogte van [vestigingsplaats] in de richting van de Belgische grens. In zijn auto werd een rubberboot aangetroffen. Bij de rubberboot werden ook vijf aluminium en twee houten bodemplaten aangetroffen, een voetpomp en vier zijrails. Verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee hebben onderzoek verricht aan deze rubberboot. Uit onderzoek bleek dat de in beslag genomen boot waarschijnlijk dezelfde boot betrof als de boot in de video die verdachte op 2 september 2024 aan [medeverdachte] heeft verzonden. Op 11 september 2024 vertelde de broer van verdachte aan de opsporingsambtenaren van het Team Heimelijke Inwinning dat verdachte aangehouden is door de politie met de boot die de opsporingsambtenaren bij de kapperszaak hadden gezien.
Verdachte heeft op 24 januari 2025 en ter terechtzitting van 17 maart 2026 verklaard dat hij voor € 1000,00 een boot heeft gekocht in opdracht van [medeverdachte] , dat hij hiervoor € 2000,00 heeft ontvangen van de zoon van [medeverdachte] , dat hij de boot in zijn woning in [woonplaats] heeft bewaard en dat hij de boot naar een persoon genaamd [naam 2] in Maasmechelen (België) zou brengen, maar dat hij bij de Nederlands/Belgische grens is aangehouden.
[medeverdachte] heeft ter terechtzitting van 17 maart 2026 verklaard dat hij verdachte een boot heeft laten kopen in opdracht van [naam 3] , die verdachte vervolgens voor [naam 3] naar Maasmechelen (België) moest brengen.
De rechtbank stelt op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden vast dat verdachte samen met anderen nautische goederen, te weten een rubberboot, vijf aluminium en twee houten bodemplaten, een voetpomp en vier zijrails, waarvan hij een ernstige reden had te vermoeden dat ze bestemd waren voor een illegale en levensgevaarlijke overtocht van Frankrijk naar het Verenigd Koninkrijk, heeft verworven en voorhanden gehad. Verder heeft verdachte deze goederen bewaard in zijn kapsalon, te weten [bedrijf] te [vestigingsplaats] , en heeft [medeverdachte] € 2.000,00 beschikbaar gesteld aan verdachte voor de aanschaf van deze goederen, welk geld [medeverdachte] van [naam 3] had ontvangen. Voor de wetenschap dat de goederen bestemd waren voor mensensmokkel verwijst de rechtbank naar de video die ziet op mensensmokkelactiviteiten over het Kanaal naar het Verenigd Koninkrijk, die verdachte op 27 augustus 2024 heeft ontvangen van [medeverdachte] , gevolgd door de berichten dat verdachte de video moest wissen en dat [medeverdachte] rubberboten nodig had. De combinatie van de video en de instructie om meerdere rubberboten te kopen, waarbij verdachte bovendien [medeverdachte] niet vroeg waarvoor de rubberboten bedoeld waren, brengen de rechtbank tot het oordeel dat verdachte tenminste ernstige redenen had te vermoeden dat de aankoop van die rubberboten ten behoeve van mensensmokkel was.
De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat verdachte samen met anderen opzettelijk voorbereidingshandelingen heeft verricht teneinde mensensmokkel via het Kanaal naar het Verenigd Koninkrijk te faciliteren, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.
Winstbejag
Het bestanddeel ‘uit winstbejag’ behulpzaam zijn bij “het toegang verschaffen tot of de doorreis door” maakt sinds 1 januari 2005 geen deel meer uit van lid 1 van artikel 197a Sr, maar alleen nog van lid 2. Artikel 197a, lid 2, Sr heeft betrekking op hulp bij illegaal verblijf. Op basis van de stukken in het dossier stelt de rechtbank vast dat de (voorbereidings)handelingen van verdachte gericht waren op het illegale transport van personen en niet op hulp bij illegaal verblijf. Om die reden wordt verdachte vrijgesproken van het bestanddeel ‘uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf’.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
2 (zaaksdossier 1)
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 augustus 2024 tot en met 6 september 2024 te Geleen en/althans (elders) in Nederland en/of in België en/of in Frankrijk, althans ook elders, tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/althans alleen,
(telkens) ter voorbereiding van het misdrijf om een of meer perso(o)n(en),
behulpzaam te zijn bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door, en/of uit winstbejag behulpzaam te zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Protocol tegen de smokkel
van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, en/of die perso(o)n(en) daartoe (telkens) gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,
terwijl de verdachte en/of zijn mededaders(s) wist(en) of ernstige redenen hadden te vermoeden dat die toegang en/of die doorreis en/of dat verblijf (telkens) wederrechtelijk was,
en/of door die/dat misdrijf/ven (telkens) levensgevaar voor de te smokkelen personen te duchten was, (telkens) een misdrijf als strafbaar gesteld in artikel 197a (lid 5) Wetboek van Strafrecht,
(door) opzettelijk voorwerpen en/of vervoersmiddel(en) en/of (een) ruimte(n), bestemd tot het begaan van die/dat misdrijf/misdrijven heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, te weten:
- een of meerdere rubberbo(o)t(en), en/of
- een of meerdere bodemplaten,, en/of
- een of meerdere zijrails, en/of
- een of meerdere opblaaspomp(en), en/of
- een opslaglocatie bij [bedrijf] te [vestigingsplaats] , en/of
- een geldbedrag ad. € 2.000 beschikbaar gesteld voor de aankoop van rubberbo(o)t(en).
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 2 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 46, 47 en 197a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 2: het misdrijf: medeplegen van het voorbereiden van mensensmokkel, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. De verdediging heeft subsidiair verzocht verdachte niet meer dan een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van het strafbare feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met anderen voorbereiden van mensensmokkel, door onder andere een rubberboot, bodemplaten, zijrails, een opblaaspomp in de richting van Frankrijk te vervoeren. Verder heeft verdachte zijn kapsalon in [vestigingsplaats] beschikbaar gesteld om de boot te bewaren en kreeg verdachte € 2.000,00 ter beschikking gesteld om de nautische spullen te kopen. Deze spullen waren bedoeld om migranten zonder geldige reispapieren via het Kanaal de oversteek naar het Verenigd Koninkrijk te laten maken en daarmee illegale migratie te bevorderen. Mede omdat de door de verdachte vervoerde goederen niet zeewaardig zijn, is een dergelijke overtocht levensgevaarlijk.
Mensensmokkel doorkruist tevens het overheidsbeleid aangaande bestrijding van wederrechtelijke toegang tot en/of doorreis door Europese landen en draagt daarmee bij aan het in stand houden van een illegaal circuit. De handelwijze van verdachte ondermijnt dit beleid en veroorzaakt onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Bovendien leiden dit soort feiten tot vormen van uitbuiting en misbruik van kwetsbare personen, als ook tot levensgevaarlijke situaties waarbij mensen ook daadwerkelijk overlijden. De verdachte was een onmisbare schakel in dit geheel. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezen verklaard. Verdachte heeft verklaard gehandeld te hebben vanwege financiële problemen. Dat vormt echter geen enkele rechtvaardiging voor het plegen van dit soort feiten waarbij het leven en welzijn van anderen in gevaar komen.
De rechtbank betrekt bij haar oordeel omtrent de straftoemeting dat het gaat om voorbereidingshandelingen, waarvan artikel 46, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat het maximum van de hoofdstraf die op het misdrijf wordt gesteld met de helft wordt verminderd.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft ook acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 12 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Strafoplegging
Gelet op de ernst van het feit en de straffen die doorgaans worden opgelegd in soortgelijke zaken acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats.
De rechtbank is echter gelet op de ter zitting besproken persoonlijke omstandigheden van verdachte, de omstandigheid dat verdachte vooral een faciliterende en ondergeschikte rol heeft gespeeld en de grote gevolgen die een gevangenisstraf in zijn persoonlijke leven zou hebben, van oordeel dat een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden zijn.
Alles overwegende komt de rechtbank tot de oplegging van een taakstraf voor de duur van 180 uren met aftrek van voorarrest en een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De rechtbank acht deze voorwaardelijke gevangenisstraf met poeftijd op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden in de toekomst, mocht hij wederom in financiële problemen komen, opnieuw strafbare feiten te plegen om die problemen “op te lossen”.
7. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d Sr.
8. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
feit 2: het misdrijf: medeplegen van het voorbereiden van mensensmokkel, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;
- beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste zestig dagen doorgebracht in verzekering of voorlopige hechtenis, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. S.K. Huisman en mr. R.P. van Campen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C. van Druten, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
Buiten staat
Mr. van Campen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.