RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11977481 \ CV EXPL 25-3468
Vonnis van 7 april 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [vestigingsplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] of de [eiseres]
gemachtigde: mr. A. Hoekman,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend zonder gemachtigde.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 17 november 2025 met producties 1 tot en met 11;
de conclusie van antwoord met bijlagen 1 tot en met 3;
de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald, en
het bericht van 23 februari 2026 met producties 12 tot en met 14 van [eiseres].
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 maart 2026 in Almelo, waarbij namens [eiseres] de heer [naam 1] (hierna: [naam 1]) is verschenen, samen met zijn echtgenote (mevrouw [naam 2]) en de gemachtigde van [eiseres]. Namens [gedaagde] is de heer [naam 3] verschenen. In de zittingsaantekeningen zijn de spreekaantekeningen van (de gemachtigde van) [eiseres] opgenomen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De samenvatting
[eiseres] vordert betaling van € 9.735,- van [gedaagde], primair omdat zij dat hebben afgesproken, subsidiair als schadevergoeding. [gedaagde] doet een beroep op verrekening en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. De kantonrechter wijst de vordering van [eiseres] toe.
3. De feiten
[naam 1] is (was) met zijn bedrijf genaamd [bedrijf] B.V. (verder: de BV) actief in de fotografie. Hij houdt de aandelen in [eiseres] B.V., die op haar beurt de aandelen van de BV houdt. In de [eiseres] heeft [naam 1] onder andere zijn pensioen- en stamrechtverplichting ondergebracht.
In 2013 heeft [naam 1] de (fotografie)activiteiten van de BV voortgezet in de vorm van een eenmanszaak, genaamd [eenmanszaak] (verder ook: de eenmanszaak). Daarbij is ook de bankrekening van [eiseres] te naam gesteld van [naam 1] in privé. De BV is niet opgeheven.
[gedaagde] heeft in de periode van 2013 tot en met 2021 in opdracht van de [eiseres] en de eenmanszaak verschillende (administratieve) werkzaamheden verricht, bestaande uit onder meer het opstellen van jaarrekeningen en het verrichten van fiscale aangiften.
In 2019 heeft de Belastingdienst contact opgenomen met [naam 1] omdat (onder meer) de belastingaangiftes die [gedaagde] namens de [eiseres] en de eenmanszaak had ingediend niet klopten, onder meer vanwege de wijziging in de tenaamstelling van de bankrekening en omdat er geen aangifte voor een fiscale eenheid was gedaan. De Belastingdienst was kortgezegd van oordeel dat de tenaamstellingswijziging heeft geleid tot afkoop van de in de [eiseres] ondergebrachte pensioen- en stamrechtverplichting ten behoeve van [naam 1]. Daarom heeft de Belastingdienst verschillende naheffingsaanslagen, verzuimboetes en boeterentes opgelegd.
Daarop heeft [naam 1] een fiscalist ([naam 4]) ingeschakeld om financieel onderzoek te doen naar de boekhouding van de [eiseres], de BV en de eenmanszaak. Deze fiscalist heeft ook het contact met de Belastingdienst overgenomen van [gedaagde]
[naam 1] en de [eiseres] enerzijds en de Belastingdienst anderzijds hebben in 2022 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin zij – kortgezegd – hebben afgesproken dat de Belastingdienst onder een aantal voorwaarden afstand zou doen van haar recht om navorderingsaanslagen op te leggen.
Vervolgens heeft de gemachtigde van de [eiseres] [gedaagde] bij brief van 12 april 2023 aansprakelijk gesteld voor de financiële schade, omdat zij tekort was geschoten in de administratie- en fiscale werkzaamheden. De schade bestaat volgens de gemachtigde uit het vervallen van de pensioenkorting, de verzuimboeten van de Belastingdienst, de kosten van de fiscalist en de juridische kosten van de gemachtigde van [eiseres], tot dat moment begroot op € 48.645,02.
[gedaagde] heeft op 16 juni 2023 haar aansprakelijkheid voor de vervallen pensioenkorting en de kosten voor de fiscalist en de gemachtigde betwist, onder meer omdat zij het niet eens was met de door de gemachtigde geschetste gang van zaken. Ten aanzien van de verzuimboeten heeft [gedaagde] geschreven dat zij niet schuldvrij is en wel wilde meewerken met compensatie. Daarbij heeft zij verzocht om een specificatie van het bedrag aan de verzuimboeten.
De gemachtigde van [eiseres] heeft bij brief van 7 augustus 2023 (kortgezegd) de totale schade gespecificeerd en het volgende voorgesteld:
[afbeelding]
Bij brief van 5 september 2023 heeft [gedaagde] – kort samengevat – opnieuw haar aansprakelijkheid betwist en voorgesteld om alleen het bedrag aan verzuimboeten van € 9.735,- tegen finale kwijting aan de [eiseres] te betalen.
De gemachtigde van [eiseres] heeft bij e-mailbericht van 3 november 2023 aan [gedaagde] geschreven dat de [eiseres] akkoord zou gaan met betaling van € 9.735,- aan verzuimboeten, maar dat [gedaagde] ook de juridische kosten van de gemachtigde van de [eiseres] zou moeten voldoen, tot dat moment begroot op € 8.000,-.
Op 12 december 2023 heeft [gedaagde] gereageerd dat zij zich niet aansprakelijk acht voor de juridische kosten. Daarnaast heeft zij het volgende geschreven:
[afbeelding]
Op 27 december 2023 heeft de gemachtigde van [eiseres] geschreven dat deze akkoord kon gaan met betaling van € 9.735,- door [gedaagde] tegen finale kwijting over en weer, binnen een week te betalen, en dat partijen na betaling niets meer van elkaar te vorderen zouden hebben.
[gedaagde] heeft niet meer gereageerd en heeft niet betaald.
4. Het geschil
[eiseres] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 9.735,-, vermeerderd met wettelijke handelsrente en kosten. Zij legt primair aan de vordering ten grondslag dat een overeenkomst tot stand is gekomen, op grond waarvan zij nakoming (betaling) vordert. Subsidiair vordert [eiseres] schadevergoeding van [gedaagde] bestaande uit de verzuimboetes, omdat zij bepaalde belastingaangiftes niet juist en/of niet tijdig heeft ingediend.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres], met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure. [gedaagde] heeft daartoe aangevoerd dat zij weliswaar heeft toegezegd het bedrag van € 9.735,- te betalen, maar dat partijen op 5 oktober 2022 hebben afgesproken dat zij de verzuimboeten hebben verrekend met onbetaalde facturen. Daarom hoeft [gedaagde] niet meer te betalen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
Nakoming overeenkomst
De kantonrechter stelt vast dat partijen op 27 december 2023 overeenstemming hebben bereikt (een overeenkomst hebben gesloten) over betaling van een bedrag van € 9.735,- door [gedaagde] aan [eiseres]. Het aanbod van [gedaagde] (zie rechtsoverweging 3.12) heeft de gemachtigde van [eiseres] heeft op 27 december 2023 (zie rechtsoverweging 3.13) aanvaard. [gedaagde] heeft niet betaald. De vordering tot betaling ligt daarom in beginsel voor toewijzing gereed, op grond van de primaire grondslag (nakoming).
Verrekening
De kantonrechter gaat voorbij aan het verrekeningsverweer van [gedaagde] nu de gegrondheid daarvan niet op eenvoudige wijze is vast te stellen (artikel 6:136 Burgerlijk Wetboek (BW)). [gedaagde] beroept zich voor het eerst – tijdens deze procedure – op verrekening, terwijl zij daar in de correspondentie en onderhandelindelingen met (de gemachtigde van) [eiseres] niets over heeft gezegd, met name niet als reactie op de e-mails van de gemachtigde van [eiseres] van 27 december 2023. [eiseres] heeft gemotiveerd betwist dat sprake is van onbetaalde facturen, zodat er in haar ogen niets te verrekenen valt en [gedaagde] heeft verder ook geen stukken ingebracht waaruit de gestelde verrekeningsafspraak blijkt. Daar komt nog bij dat de betreffende facturen grotendeels zijn gericht aan een andere wederpartij dan [eiseres] (namelijk [bedrijf]), zodat deze ook niet voor verrekening in aanmerking komen (artikel 6:127 BW). Kortom: [gedaagde] moet het overeengekomen bedrag van € 9.735,- aan [eiseres] betalen.
Wettelijke handelsrente
Het gaat in dit geschil om betaling van een geldsom die voortvloeit uit een handelsovereenkomst. Beide partijen zijn de overeenkomst aangegaan in de uitoefening van hun beroep of bedrijf. [gedaagde] heeft niet betaald en ook geen verweer tegen de wettelijke handelsrente gevoerd. De gevorderde wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW) is toewijsbaar, te rekenen vanaf 4 januari 2024. Dat is namelijk de dag waarop de betalingstermijn van een week na 27 december 2023 (zie rechtsoverweging 3.13) is verstreken.
Buitengerechtelijke incassokosten
De nevenvordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [gedaagde] heeft de buitengerechtelijke incassokosten betwist, omdat zij haar aansprakelijkheid voor de verzuimboetes al had erkend waardoor de door [eiseres] verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden onnodig zijn verricht. Dat verweer kan de kantonrechter niet volgen, aangezien partijen pas in december 2023 – nadat [eiseres] haar gemachtigde had ingeschakeld – overeenstemming hebben bereikt over betaling van € 9.735,-. [eiseres] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden en zal een bedrag van € 861,75 worden toegewezen.
Proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
119,40
- griffierecht
€
543,–
- salaris gemachtigde
€
864,–
(2 punten × € 432,–)
- nakosten
€
144,–
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1670,40
6. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om binnen een week na heden aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 9.735,–, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 4 januari 2024, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 861,75 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.670,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.B. de Groot en in het openbaar uitgesproken door mr. A.M.S. Kuipers op 7 april 2026.