RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer : 12084419 \ CV EXPL 26-209
Vonnis van 7 april 2026
in de zaak van
de stichting WONINGSTICHTING DOMIJN,gevestigd en kantoorhoudende te Enschede,
eisende partij, hierna te noemen Domijn,
gemachtigde: Groothuis Ligtermoet & Nijhuis,
tegen
[bewindvoerder] (h.o.d.n. [bedrijf]), kantoorhoudende te [vestigingsplaats], in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de gelden en goederen van [gedaagde], wonende te [woonplaats],
gedaagde partij, hierna te noemen de bewindvoerder,
verschenen in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 januari 2026,
- de conclusie van antwoord van 10 februari 2026,
- de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 10 februari 2026,
- de vaststellingsovereenkomst d.d. 27 februari 2026.
De bewindvoerder is bij de vaststellingsovereenkomst in het geding verschenen. De bewindvoerder heeft daarmee deze procedure van de rechthebbende overgenomen waardoor de bewindvoerder als formele procespartij beschouwd dient te worden.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Tussen Domijn en [gedaagde] (hierna: [gedaagde]) bestaat een huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan het adres [adres]. Uit hoofde van deze overeenkomst dient maandelijks, bij vooruitbetaling, een huurbedrag van € 668,79 te worden betaald.
Er is een achterstand ontstaan in de betaling van de maandelijkse huurbedragen.
3. Het geschil
Domijn vordert kort gezegd - ontbinding van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, alsmede betaling van de huurachterstand, buitengerechtelijke kosten en rente, en een veroordeling in de proceskosten.
Domijn legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] haar verplichting om de huurbedragen te betalen niet is nagekomen. Tot 1 februari 2026 was sprake van een huurachterstand van € 3.842,93. Domijn heeft zich als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde] genoodzaakt gezien haar vordering ter incasso uit handen te geven aan haar gemachtigde. De kosten daarvoor bedragen € 454,40 en komen net als de tot
6 januari 2026 berekende wettelijke rente van € 28,00, voor rekening van [gedaagde]. [gedaagde] heeft hierop reeds € 150,00 bij de gemachtigde van Domijn voldaan.
Partijen hebben - onder verband van een vonnis – in een vaststellingsovereenkomst een betalingsregeling afgesproken voor een totaalbedrag van € 4.191,80 (huurachterstand t/m februari 2026 € 3.842,93 + buitengerechtelijke kosten € 454,40 + wettelijke rente tot
27 februari 2026 € 44,47 minus € 150,00 aan betalingen), te vermeerderen met de proceskosten. Een afschrift van de vaststellingsovereenkomst wordt aan dit vonnis gehecht.
4. De beoordeling
De kantonrechter heeft ambtshalve beoordeeld of in de overeenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van de gevorderde hoofdsom, de gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en/of de gevorderde vergoeding van rente, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden. Dat is niet het geval.
De kantonrechter overweegt als volgt. Nu de bewindvoerder de verschuldigdheid van de door Domijn gestelde huurachterstand zoals gespecificeerd in de vaststellingsovereenkomst erkent, staat deze achterstand vast en zal de veroordeling tot betaling daarvan worden toegewezen.
Vaststaat dat de bewindvoerder niet tijdig heeft betaald en hierdoor in verzuim is geraakt. Naar het oordeel van de kantonrechter is de bewindvoerder daarom ook de nadien in rekening gebrachte rente verschuldigd.
Domijn heeft een bedrag van € 454,40 inclusief BTW aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Domijn heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
Partijen zijn het eens over het volgende:
de betalingsachterstand tot en met februari 2026 inclusief rente en buitengerechtelijke kosten bedraagt € 4.191,80, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.842,93 vanaf 28 februari 2026 tot de dag van volledige betaling;
de bewindvoerder zal de betalingsachterstand en de proceskosten aan Domijn betalen in maandelijkse termijnen van € 80,00 ingaande 1 maart 2026;
de bewindvoerder zal de nieuwe huurtermijnen tijdig en volledig betalen.
Domijn wijzigt haar vordering tot wat de bewindvoerder volgens deze afspraken verschuldigd is en verzoekt de gevorderde ontbinding en ontruiming voorwaardelijk uit te spreken. De bewindvoerder heeft zich niet verzet tegen toewijzing daarvan.
De kantonrechter overweegt dat een tekortkoming van voldoende gewicht de andere partij het recht geeft op ontbinding van de overeenkomst. De betalingsachterstand is van zodanige omvang, dat deze de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst in beginsel rechtvaardigt.
Gelet op het woonbelang van [gedaagde] en de door partijen overeengekomen betalingsregeling zal de kantonrechter een voorwaardelijke ontbinding en ontruiming toewijzen.
Dat betekent kort gezegd dat [gedaagde] zal worden veroordeeld om de woning te verlaten als de bewindvoerder binnen één jaar:
de betalingsregeling niet nakomt; of
de lopende huur niet tijdig of volledig betaalt.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal de bewindvoerder in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Domijn worden begroot op:
dagvaarding € 153,02
griffierecht € 529,00
salaris gemachtigde € 542,00 (2 punten x tarief € 271,00)
totaal € 1.224,02
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt de bewindvoerder om aan Domijn te betalen een bedrag van € 4.191,80 wegens de tot en met februari 2026 verschuldigde huurpenningen inclusief buitengerechtelijke kosten en rente, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.842,93 vanaf 28 februari 2026 tot aan de dag van volledige betaling;
veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten begroot op € 1.224,02;
ontbindt de huurovereenkomsten tussen Domijn en [gedaagde] met betrekking tot de woning aan de [adres] en veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen en te verlaten met alle personen en zaken die zich vanwege haar daar bevinden en het gehuurde onder overgave van de sleutels ter beschikking van Domijn te stellen, indien en zodra binnen één jaar na heden aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- de bewindvoerder betaalt niet of niet tijdig de maandelijkse termijnen van € 80,00, met ingang van 1 maart 2026;
- de bewindvoerder betaalt niet of niet tijdig de maandelijkse huur;
veroordeelt de bewindvoerder tot betaling van een bedrag gelijk aan de geldende huurprijs als vergoeding voor voortgezet gebruik voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde] de woning vanaf de eventuele ontbinding in gebruik heeft tot en met de dag van ontruiming;
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026. (PHR(O)