RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/337508 / KG ZA 25-200
Vonnis in kort geding van 15 januari 2026
in de zaak van
1. [eiser 1],
2. [eiser 2],
beiden wonende in [woonplaats 1],
eisende partijen, hierna samen en in mannelijk enkelvoud te noemen: [eisers],
advocaat: mr. R. Kuizenga,
tegen
[gedaagde] , handelend onder de naam [bedrijf],
wonende en zaakdoende in [woonplaats 2],
gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde],
verschenen in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 september 2025;
- de mondelinge behandeling van 18 september 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 september 2025, met daarin de afspraken die partijen ter zitting hebben gemaakt;
- het bericht van [eisers] van 9 december 2025 met het verzoek om vonnis te wijzen.
Daarop heeft de voorzieningenrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.
2. De feiten
In oktober 2023 zijn partijen overeengekomen dat [gedaagde] verbouwings- en renovatiewerkzaamheden aan de woning van [eisers] zou uitvoeren. [gedaagde] heeft vijf offertes opgesteld voor een totaalbedrag van € 42.985,17. De offertes zijn door [eisers] geaccepteerd.
Volgens de vijf offertes bestaan de overeengekomen werkzaamheden uit:
werkzaamheden aan de keuken, tuindeur en twee nieuwe trappen;
renovatie van het dak;
betimmering van de zolder;
vervanging van de badkamer en wc;
het plaatsen van een nieuwe voordeur.
In december 2023 heeft [eisers] 70% van het geoffreerde bedrag voldaan.
In februari 2024 is [gedaagde] begonnen met de werkzaamheden.
Op 13 december 2024 heeft [eisers] [gedaagde] schriftelijk aangemaand om de werkzaamheden naar de eisen van goed en deugdelijk werk uit te voeren, de overeengekomen materialen te leveren en de werkzaamheden met de nodige voortvarendheid uit te voeren, zodat deze binnen een redelijke termijn zouden worden voltooid.
Op 20 februari 2025 hebben partijen samen het werk bekeken en afspraken gemaakt over wat er nog moet gebeuren. De afspraken zijn in de e-mails van 4 en 5 maart 2025 door mr. Kuizenga aan [gedaagde] bevestigd. Op 4 maart 2025 heeft mr. Kuizenga aan [gedaagde] gemaild:
“Op 20 februari hebben wij het werk bekeken en de navolgende afspraken gemaakt:
Zolder
U zult het kozijn rond het raam afwerken met gipsplaat;
U plaatst een kraan en een afvoer voor de wasmachine;
Badkamer
cliënt heeft toegezegd na te zullen denken over de plaatsing van de door u voorgestelde plinten, zodat de scheve voegen niet meer zichtbaar zijn;
de defecte afvoer wordt veroorzaakt door de afvoerplug. Cliënt draagt zorg voor een nieuwe;
de gaten in de muren worden door u gerepareerd;
u plaatst de trap naar de zolder;
u werkt de ruimte rond de kozijnen in de diverse slaapkamers af;
Begane grond
na betaling van de factuur voltooit u de werkzaamheden in de keuken, waarbij aandacht is voor het geratel in de afzuigkap;
U doet offerte voor een tuindeur, die van buiten af kan worden gesloten;
u plaatst de trap naar de eerste verdieping:
u plaatst een luik;
het schilderen van de trappen bedraagt € 400,00 per trap. U heeft aangeboden de kosten van één trap voor uw rekening te nemen, waarmee de kosten van het schilderen tussen u en cliënt worden gedeeld;
de voordeur zoals getoond op de foto dient te worden geplaatst (dit is overigens niet ter sprake gekomen).
(…)
Afronding
U gaf aan dat de werkzaamheden in twee weken afgerond kunnen worden. Dat doet u in juni 2025.
Na afronding zullen wij gezamenlijk de oplevering regelen.
Kunt u de bovenstaande afspraken bevestigen en aangeven wanneer u op het werk zult verschijnen?”
Op 5 maart 2025 heeft mr. Kuizenga aan [gedaagde] gemaild:
“Excuus, toch iets vergeten op te nemen in het verslag. U heeft ook toegezegd tegels te zullen leggen in de gang.”
Op 13 juni 2025 heeft mr. Kuizenga [gedaagde] gesommeerd om per omgaande een afspraak met [eisers] te maken en de afgesproken werkzaamheden uiterlijk op 30 juni 2025 af te ronden.
[gedaagde] heeft de werkzaamheden, ook na verloop van de termijn die partijen op de mondelinge behandeling zijn overeengekomen, niet voltooid.
3. Het geschil
[eisers] vordert dat de voorzieningenrechter [gedaagde] zal veroordelen tot:
nakoming van de met [eisers] gesloten overeenkomsten van aanneming van werk en de op 20 februari 2025 gemaakte afspraken, inhoudende dat [gedaagde] de werkzaamheden zoals weergegeven in genoemde e-mails van 4 en 5 maart 2025 binnen vier weken na betekening van dit vonnis, dient uit te voeren en af te ronden, op straffe van een dwangsom van € 1.500,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,00;
betaling van een bedrag van € 2.315,25 aan buitengerechtelijke incassokosten;
betaling van de proceskosten en de nakosten.
[gedaagde] heeft ter zitting verweer gevoerd.
4. De beoordeling
Spoedeisend belang
Het gaat hier om een vordering in kort geding. Voor toewijzing daarvan is nodig dat [eisers] een spoedeisend belang bij zijn vordering heeft. [eisers] heeft gesteld dat hij veel hinder van de niet afgeronde werkzaamheden ondervindt. Het woongenot wordt geschaad. [eisers] heeft kleine kinderen en hij wil dat er op korte termijn weer normaal gebruik kan worden gemaakt van de woning. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eisers] daarmee het spoedeisend belang bij de vordering voldoende aannemelijk gemaakt.
De vordering
Ter zitting heeft [eisers] desgevraagd toegelicht dat de afspraken die op 20 februari 2025 zijn gemaakt aanvullende afspraken zijn, die voortvloeien uit de afspraken uit de overeengekomen offertes. De voorzieningenrechter vat de vordering tot nakoming van de overeengekomen offertes én de nadien gemaakte afspraken dan ook zo op, dat in geval van tegenstrijdigheid de laatst gemaakte afspraken (dus de op 20 februari 2025 gemaakte afspraken die zijn neergelegd in de e-mails van 4 en 5 maart 2025) bepalend zijn. Verder gaat de voorzieningenrechter er, gelet op deze afspraken, van uit dat de werkzaamheden uit de offertes die niet in de e-mails van 4 en 5 maart 2025 zijn genoemd reeds door [gedaagde] zijn uitgevoerd. In zoverre zal de voorzieningenrechter de vordering dan ook afwijzen.
De werkzaamheden
[gedaagde] heeft ter zitting erkend dat hij het grootste deel van de in de e-mails van 4 en 5 maart 2025 genoemde werkzaamheden nog moet uitvoeren. Hierna zal worden ingegaan op de werkzaamheden waartegen [gedaagde] verweer heeft gevoerd.
Ten aanzien van het luik, genoemd in de e-mail van 4 maart 2025, heeft [gedaagde] aangevoerd dat het plaatsen van een luik oorspronkelijk niet is overeengekomen, maar dat [eisers] later alsnog een luik wenste. Volgens [eisers] heeft [gedaagde] het plaatsen van een luik op 20 februari 2025 toegezegd. [gedaagde] heeft dat niet weersproken en heeft ook niet gereageerd op de e-mail van 4 maart 2025 waarin het plaatsen van het luik is opgenomen. Als [gedaagde] vond dat in die e-mail werkzaamheden zijn genoemd die op 20 februari 2025 niet zijn overeengekomen had hij dat moeten aangeven. [gedaagde] moet dus ook het luik plaatsen. Dat betekent overigens niet dat [gedaagde] daarvoor geen extra kosten in rekening kan brengen als de plaatsing van een luik oorspronkelijk niet is overeengekomen.
Wat betreft de afzuigkap heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eisers] de afzuigkap zelf heeft gekocht. [gedaagde] heeft de afzuigkap alleen geplaatst. [gedaagde] weet daarom niet of het geratel in de afzuigkap door zijn werkzaamheden is veroorzaakt.
De voorzieningenrechter overweegt hierover dat in de afspraken tussen partijen is opgenomen dat de werkzaamheden in de keuken worden uitgevoerd, waarbij er “aandacht is voor het geratel in de afzuigkap”. Dat betekent niet dat [gedaagde] de afzuigkap moet repareren als het geratel niet aan zijn werkzaamheden is te wijten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is aannemelijk dat partijen hebben bedoeld dat [gedaagde] naar het geratel zou kijken om te kunnen beoordelen waardoor het geratel komt. Alleen als het geratel door werkzaamheden van [gedaagde] is ontstaan, is het aan [gedaagde] om herstelwerkzaamheden uit te voeren. Ook de afspraak om de werkzaamheden in de keuken af te maken ‘met aandacht voor het geratel in de afzuigkap’ zal [gedaagde] dus moeten nakomen.
[gedaagde] heeft ook verweer gevoerd tegen het uitvoeren van aftimmerwerkzaamheden. Volgens [gedaagde] volgt dat werk niet uit de overeenkomsten en zou het uitvoeren van aftimmerwerkzaamheden tot meerwerk leiden. Daarover overweegt de voorzieningenrechter dat uit de offertes volgt dat enkel timmerwerkzaamheden aan de zolder zijn overeengekomen. Ter zitting heeft [gedaagde] benadrukt dat het aftimmeren aan de binnenzijde voor het overige niet bij zijn opdracht hoorde. Dat is door [eisers] ook erkend. In de offertes en in de emails van 4 en 5 maart 2025 zijn verder geen andere (af)timmerwerkzaamheden overeengekomen. Daartoe is [gedaagde] dan ook niet gehouden.
Over de post “afwerking ruimtes rond kozijnen in de slaapkamers” verschillen partijen van mening. Mede gelet op de onduidelijkheid daaromtrent neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat partijen ter zitting zijn overeengekomen dat de post “afwerking ruimtes rond kozijnen in de slaapkamers” zal komen te vervallen in ruil voor het leggen van de tegels in de gang. De voorzieningenrechter neemt dit over en wijst dit deel van de vordering af.
Wat betreft de voordeur heeft [gedaagde] aangevoerd dat de voordeur die [eisers] wil hebben niet te krijgen is. Het kan ook geen standaarddeur zijn, in verband met de bijzondere afmetingen van de deur, aldus [gedaagde]. Hiervoor geldt dat [gedaagde] pas een voordeur kan bestellen als hem duidelijk is welke voordeur [eisers] wil hebben. Omdat dat tussen partijen – in ieder geval ter zitting – nog niet volledig duidelijk blijkt te zijn en de plaatsing van een voordeur ook deels van (de tijdige keuze van) [eisers] afhangt, zal de voorzieningenrechter [gedaagde] wel veroordelen om de voordeur te plaatsen, maar zal de voorzieningenrechter aan dat deel van de veroordeling geen dwangsom verbinden.
Ten slotte heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eisers] reeds akkoord is gegaan met de badkamer en dat deze dus is opgeleverd. Dat heeft [eisers] niet weersproken. Wat betreft de badkamer is [gedaagde] dus alleen gehouden om de werkzaamheden uit te voeren die op 20 februari 2025 nog zijn afgesproken.
De voorzieningenrechter zal [gedaagde] veroordelen om, met inachtneming van het voorgaande, de in de e-mails van 4 en 5 maart 2025 opgenomen afspraken na te komen. Het betreft dan de volgende werkzaamheden die [gedaagde] zal moeten uitvoeren: Zolder
het afwerken van het kozijn rond het raam met gipsplaat;
het plaatsen van een kraan en een afvoer voor de wasmachine;
Badkamer
het repareren van de gaten in de muren;
het plaatsen van de trap naar de zolder;
Begane grond
het voltooien van de werkzaamheden in de keuken, waarbij [gedaagde] zal kijken naar het geratel in de afzuigkap;
het uitbrengen van een offerte voor een tuindeur, die van buiten af kan worden gesloten;
het plaatsen van een trap naar de eerste verdieping;
het plaatsen van een luik (meerwerk, dus tegen betaling);
het betalen van het schilderen van één trap (€ 400,00 per trap);
het plaatsen van de voordeur;
het leggen van de tegels in de gang.
Gelet op het feit dat de werkzaamheden wellicht in overleg moeten worden gepland, zal de voorzieningenrechter [gedaagde], in plaats van de gevorderde 4 weken, een termijn van 8 weken gunnen om de nog niet verrichte werkzaamheden uit te voeren en af te ronden.
Dwangsom
De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, met uitzondering van de posten die zien op het plaatsen van de voordeur, zoals in r.o. 4.8 is omschreven, en het voltooien van de werkzaamheden in de keuken, omdat onvoldoende vast staat om welke werkzaamheden het daarbij nog gaat. Voor de overige posten wordt [gedaagde] veroordeeld tot nakoming op straffe van dwangsom, omdat [gedaagde] meerdere malen de kans heeft gekregen om de werkzaamheden af te ronden en hij dat nog niet (volledig) heeft gedaan. De dwangsom zal wel worden gematigd. De voorzieningenrechter zal [gedaagde] veroordelen om een dwangsom te betalen van € 200,00 per dag per dag of dagdeel dat [gedaagde] in gebreke blijft met het uitvoeren en afronden van de in de overeengekomen offertes en de op 20 februari 2025 gemaakte afspraken, afgezien van de verplichting tot het plaatsen van een voordeur, met een maximum van € 20.000,00.
Buitengerechtelijke incassokosten
[eisers] heeft een bedrag van € 2.315,25 exclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Dat is het bedrag dat mr. Kuizenga aan [eisers] heeft gefactureerd. [eisers] heeft de facturen overgelegd. De voorzieningenrechter overweegt dat [eisers] in redelijkheid tot het laten uitvoeren van buitengerechtelijke werkzaamheden heeft kunnen komen. Ook het aantal bestede uren (6,7 uur tot en met 31 december 2024 en 3,8 uur tot en met eind februari 2025) komt de voorzieningenrechter niet onredelijk voor. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen.
De proceskosten
[gedaagde] wordt in deze procedure in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eisers] betalen. Deze worden begroot op:
kosten dagvaarding € 145,45
griffierecht € 1.374,00
salaris gemachtigde € 715,00
nakosten € 178,00 (plus de kosten van betekening)
totaal € 2.412,45
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt [gedaagde] tot het verrichten van de volgende werkzaamheden:
Zolder
het afwerken van het kozijn rond het raam met gipsplaat;
het plaatsen van een kraan en een afvoer voor de wasmachine;
Badkamer
het repareren van de gaten in de muren;
het plaatsen van de trap naar de zolder;
Begane grond
het uitbrengen van een offerte voor een tuindeur, die van buiten af kan worden gesloten;
het plaatsen van een trap naar de eerste verdieping;
het plaatsen van een luik (meerwerk, dus tegen betaling);
het betalen van het schilderen van één trap (€ 400,00 per trap);
het leggen van de tegels in de gang;
binnen acht weken na betekening van dit vonnis uit te voeren en af te ronden, op straffe van een dwangsom van € 200,00 per dag per dag of dagdeel dat [gedaagde] in gebreke blijft met het uitvoeren en afronden van deze werkzaamheden, met een maximum van € 20.000,00;
- daarnaast wordt [gedaagde] veroordeeld tot het plaatsen van de voordeur en het voltooien van de werkzaamheden in de keuken, waarbij [gedaagde] ook zal kijken naar het geratel in de afzuigkap, hieraan wordt geen dwangsom verbonden;
veroordeelt [gedaagde] om een bedrag van € 2.315,25 exclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten aan [eisers] te betalen;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] begroot op € 2.412,45, te vermeerderen met € 92,00 en de explootkosten in geval van betekening van het vonnis;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026. (SB)