ECLI:NL:RBOVE:2026:1942

ECLI:NL:RBOVE:2026:1942

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 09-04-2026
Datum publicatie 09-04-2026
Zaaknummer 0825094425
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 91 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en bijzondere voorwaarden. Ook heeft de rechtbank aan verdachte een 38v-maatregel opgelegd inhoudende een contactverbod met aangeefster. Daarnaast moet de verdachte een schadevergoeding betalen van € 2.658,00 aan de benadeelde partij. De verdachte is schuldig bevonden aan mishandeling en bedreiging van zijn toenmalige partner. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van poging doodslag dan wel poging zware mishandeling en mishandeling.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.250944.25 (P)

Datum vonnis: 9 april 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1999 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] .

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 maart 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. P.T. Pel, advocaat in Hattem, naar voren is gebracht.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) door mr. A. Derks, advocaat in Almere, is aangevoerd.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van 26 maart 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: heeft geprobeerd om [slachtoffer] te doden door haar te wurgen (primair), dan wel heeft geprobeerd haar op die manier zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (subsidiair);

feit 2: [slachtoffer] heeft mishandeld door met een schaar in haar borst te prikken en/of steken;

feit 3: [slachtoffer] heeft mishandeld door haar vast te pakken, te duwen, te slaan en/of te stompen;

feit 4: [slachtoffer] heeft bedreigd met de dood en/of met zware mishandeling.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1hij op of omstreeks 20 september 2025 te Olst, gemeente Olst-Wijhe ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet- één of meermalen die [slachtoffer] met beide handen (strak en met kracht om haar hals en/of haar nek en/of haar keel) voor langere tijd heeft gewurgd en/of gegrepen en/of vastgepakt en/of (daarbij) zodanige kracht heeft uitgeoefend althans een zodanige geweldshandeling heeft verricht op de hals en/of nek en/of keel van die [slachtoffer] dat deze geen ademmeer kon halen en/of zuurstof tekort kwam en/of (vervolgens)- één of meermalen met beide handen om haar hals en/of haar nek en/of haar keel die [slachtoffer] tegen de muur heeft gedrukt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 september 2025 te Olst, gemeente Olst-Wijhe ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet- één of meermalen die [slachtoffer] met beide handen (strak en met kracht om haar hals en/of haar nek en/of haar keel) voor langere tijd heeft gewurgd en/of gegrepen en/of vastgepakt en/of (daarbij) zodanige kracht heeft uitgeoefend althans een zodanige geweldshandeling heeft verricht op de hals en/of nek en/of keel van die [slachtoffer] dat deze geen adem meer kon halen en/of zuurstof tekort kwam en/of (vervolgens)- één of meermalen met beide handen om haar hals en/of haar nek en/of haar keel die [slachtoffer] tegen de muur heeft gedrukt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2hij op of omstreeks 20 september 2025 te Olst, gemeente Olst-Wijhe [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer]- één of meermalen (met kracht) met een schaar, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, in haar borst, althans haar lichaam, te prikken en/of te steken;

3

hij op of omstreeks 20 september 2025 te Olst, gemeente Olst-Wijhe [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer]- één of meermalen (met kracht) vast te pakken en/of te duwen en/of- één of meermalen tegen/op haar lichaam te slaan en/of te stompen;

4

hij op of omstreeks 20 september 2025 te Olst, gemeente Olst-Wijhe [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door- die [slachtoffer] een schaar, althans soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, te tonen en/of (vervolgens)- met deze schaar, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, in de richting van die [slachtoffer] te lopen en/of- die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "ik maak je dood!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3. De bewijsmotivering

Inleiding

[slachtoffer] en verdachte woonden samen aan de [adres 2] . Op 20 september 2025 kregen zij ruzie. Vervolgens heeft [slachtoffer] op 22 september 2025 aangifte gedaan van zware mishandeling.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat er door het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans op de dood bestond en verdachte deze kans willens en wetens heeft aanvaard. Ook de onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten kunnen naar het oordeel van de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en subsidiair, 2 en 4 ten laste gelegde wegens gebrek aan bewijs. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde

[slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte met beide handen haar keel vastpakte en dit tien tot vijftien seconden duurde. Zij werd hierdoor duizelig en zag sterren voor haar ogen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer] aan de achterkant van haar nek heeft vastgepakt en vervolgens direct heeft losgelaten. In het dossier is te lezen dat bij het nadien bij [slachtoffer] uitgevoerde forensisch medisch onderzoek een rode huidverkleuring in de nek en een bloeduitstorting aan beide zijden van de hals zichtbaar was. Uit foto’s die [slachtoffer] zelf heeft gemaakt op 20 september 2025 (omstreeks 12.40 uur) blijkt dat toen ook een rode huidverkleuring zichtbaar was in de hals.

Voor zowel een bewezenverklaring van poging tot doodslag als poging tot zware mishandeling is vereist dat bij verdachte sprake was van opzet op de dood of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank is van oordeel dat er geen bewijs is dat verdachte [slachtoffer] willens en wetens wilde doden dan wel zwaar lichamelijke letsel wilde toe brengen. Van vol opzet is daarom geen sprake.

Van voorwaardelijk opzet is sprake wanneer verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het doden dan wel toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat verdachte [slachtoffer] bij haar hals heeft vastgepakt. De rechtbank kan echter niet vaststellen op welke wijze, met welke kracht en voor welke duur verdachte de hals heeft vastgepakt. Daarbij komt dat de getuige-deskundige, G. Reijnen, ter zitting heeft verklaard dat het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel in de hals ook veroorzaakt kan zijn door een stompende krachtsinwerking. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat [slachtoffer] zou overlijden of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen en dat verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen van zowel het onder 1 primair als subsidiair tenlastegelegde. De rechtbank zal verdachte dan ook ten aanzien van feit 1 integraal vrijspreken.

Vrijspraak onder 2 ten laste gelegde

[slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte haar meermalen met een schaar in haar borst heeft geprikt. De rechtbank constateert dat het dossier geen bewijsmiddelen bevat die de verklaring van [slachtoffer] op dit punt ondersteunen. De officier van justitie heeft bepleit dat de foto’s van het letsel en het T-shirt als steunbewijs kunnen dienen. De rechtbank volgt de officier van justitie hierin niet, nu zij op de foto’s geen letsel of gaatje in het T-shirt kan waarnemen. Ook uit de letselinterpretatie blijkt niet dat [slachtoffer] ter hoogte van haar borst letsel heeft opgelopen.

De rechtbank is gelet op vorenstaande van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het onder 2 tenlastegelegde, zodat de rechtbank verdachte ook hiervan zal vrijspreken.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 maart 2026;

het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] van 22 september 2025, pagina’s 9-10.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

[slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte op 20 september 2025 met een schaar in zijn hand op haar af is gelopen. Daarbij heeft verdachte meerdere keren gezegd dat hij haar dood zal maken. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij tijdens de ruzie heeft gezegd dat hij haar zal vermoorden. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij alleen heeft gezegd dat als hij en [slachtoffer] op deze manier met elkaar doorgaan één van hen de ander zal afmaken.

In lijn met wat ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde is overwogen acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte de schaar heeft vastgepakt en daarmee op [slachtoffer] is afgelopen. Er is immers geen steunbewijs aanwezig in het dossier voor de verklaring van [slachtoffer] op dit punt. De rechtbank zal verdachte voor deze handelingen dan ook partieel vrijspreken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

De rechtbank ziet dit anders als het gaat om de mondelinge bedreiging. De verklaring van [slachtoffer] vindt steun in de verklaring van verdachte die hij bij de politie heeft afgelegd. Hoewel verdachte terugkomt op de exacte bewoordingen, stelt de rechtbank vast dat verdachte [slachtoffer] met enig misdrijf tegen het leven heeft bedreigd. De bedreiging werd geuit tijdens een hoogoplopende ruzie waarbij verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld. De rechtbank is, anders dan de raadsman, gelet op de omstandigheden waaronder de bedreiging is geuit, van oordeel dat bij [slachtoffer] de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte haar van het leven zou beroven.

Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de bedreiging zoals tenlastegelegd onder het derde gedachtestreepje van feit 4 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 3

hij op of omstreeks 20 september 2025 te Olst, gemeente Olst-Wijhe, [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] - één of meermalen met kracht vast te pakken en/of te duwen en/of - één of meermalen tegen/op haar lichaam te slaan en/of te stompen;

feit 4

hij op of omstreeks 20 september 2025 te Olst, gemeente Olst-Wijhe, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door- die [slachtoffer] een schaar, althans soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, te tonen en/of (vervolgens)- met deze schaar, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, in de richting van die [slachtoffer] te lopen en/of- die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "ik maak je dood!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij daarvan zal vrijspreken.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 3

het misdrijf: mishandeling;

feit 4

het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6. De op te leggen straf of maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel als neergelegd in artikel 38v Sr wordt opgelegd inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] voor een periode van drie jaren en te bepalen dat voor iedere afzonderlijke overtreding vervangende hechtenis zal worden toegepast van twee weken met een maximum van in totaal zes maanden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om, bij een bewezenverklaring zoals hij die heeft bepleit, een straf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest.

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

De ernst van de feiten

Op 20 september 2025 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Hij sloeg zijn toenmalige vriendin, terwijl zij op de grond lag en bedreigde haar met de dood. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij ‘als een zotte tekeer is gegaan’ en van zichzelf is geschrokken. Door dit geweld heeft [slachtoffer] meerdere blauwe plekken opgelopen en zich angstig gevoeld. Verdachte heeft hiermee een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Het geweld vond plaats binnen de relationele sfeer in het huis waar verdachte en [slachtoffer] samenwoonden. [slachtoffer] had zich bij uitstek in haar woning en binnen haar relatie veilig moeten voelen. Uit de namens [slachtoffer] ingediende vordering tot schadevergoeding blijkt welke enorme impact het handelen van verdachte op haar heeft gehad en nog altijd heeft. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Positief is dat verdachte oprecht spijt heeft van zijn handelen en dat hij zichzelf verwijt dat hij tijdens deze ruzie te ver is gegaan. De relatie met [slachtoffer] is geëindigd. Hoewel verdachte hier veel moeite mee heeft gehad, lijkt hij nu in te zien dat dit voor hem en [slachtoffer] het beste is.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 22 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 19 februari 2026. Hieruit volgt dat verdachte ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen onder invloed was van cannabis en niet in staat was om zijn impulsen te beheersen. De reclassering merkt de relatie met [slachtoffer] , het middelengebruik en het psychosociaal functioneren van verdachte als delict gerelateerde factoren aan. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een contactverbod op te leggen met [slachtoffer] in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v Sr. De reclassering adviseert deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De reclassering adviseert daarnaast een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden:

- meldplicht;

- ambulante behandeling met mogelijkheid tot kortdurende opname; en

- beheersing middelengebruik.

De op te leggen straf

Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Daarnaast acht zij het van belang dat verdachte een stok achter de deur heeft in de vorm van een voorwaardelijk strafdeel. Alles afwegende acht de rechtbank het passend en geboden om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 91 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van drie jaren met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar moeten zijn nu er, gelet op de ernst van onderhavige feiten en risico op recidive, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van één of meer personen.

Ter zitting heeft de advocaat van [slachtoffer] aangegeven dat het slachtoffer niet langer een contactverbod wenst, zodat zij (op aanraden van haar psycholoog) in gesprek kan met verdachte. Uit het dossier komt een beeld van een turbulente en gewelddadige (over en weer) relatie naar voren en de rechtbank maakt zich dan ook zorgen om deze ontwikkeling. Hoewel verdachte heeft verklaard geen contact meer te willen met [slachtoffer] is de (relatie)breuk nog maar pril. De rechtbank acht het noodzakelijk om zowel verdachte als [slachtoffer] in bescherming te nemen. De rechtbank zal dan ook, ter voorkoming van toekomstige strafbare feiten, aan verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid op grond van artikel 38v Sr opleggen. Deze maatregel behelst een contactverbod met [slachtoffer] . Het contactverbod houdt in dat verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact mag opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2002. Het verbod geldt voor de duur van drie jaren. Voor iedere keer dat verdachte dit verbod overtreedt, zal een vervangende hechtenis voor de duur van één week worden opgelegd, met een maximum van twee maanden.

De rechtbank is, mede op grond van de hierboven omschreven ontwikkeling, van oordeel dat de op grond van artikel 38v Sr opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar moet zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens [slachtoffer] .

7. De schade van benadeelde

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Zij vordert verdachte te veroordelen tot de betaling van een schadevergoeding van in totaal € 8.011,01, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.

De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- kosten openbaar vervoer € 76,45;

- kilometerkosten € 243,38;

- huur auto verhuizing € 191,18.

Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 7.500,00 gevorderd. De benadeelde partij heeft daarnaast op grond van artikel 532 Sv een vergoeding gevorderd van een bedrag van € 40,90 voor het opvragen van medische gegevens.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard dan wel moet worden afgewezen, gelet op de door hem bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft hij bepleit dat de vordering moeten worden afgewezen, omdat het een onredelijke belasting van het strafproces behelst. Meer subsidiair heeft hij aangevoerd dat de vordering bovenmatig en onredelijk is.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Het gedeelte van de vordering dat ziet op de kosten openbaar vervoer en kilometerkosten heeft de rechtbank per rit beoordeeld. De rechtbank constateert dat de kosten om met het openbaar vervoer naar de praktijkondersteuner en de Arboarts te reizen en de kilometerkosten om met de auto naar het LOEF-onderzoek, het Meander ziekenhuis en het politiebureau te rijden voldoende zijn onderbouwd en namens de verdachte niet zijn betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met de bewezen verklaarde feiten. Van de totaal gevorderde kosten onder openbaar vervoer en kilometerkosten wijst de rechtbank dan ook een bedrag toe van € 117,10.

De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van de reiskosten voor het doen van aangifte ter hoogte van € 29,64 af, omdat het doen van aangifte het strafvorderlijk belang dient en niet zijn gemaakt ter vaststelling van aansprakelijkheid of schade. Deze kosten kunnen daarom niet als schade ten laste van verdachte worden gebracht .

Met betrekking tot de door de benadeelde partij aangevoerde post voor het opvragen van medische gegevens, overweegt de rechtbank dat de in dit verband gemaakte kosten zijn aan te merken als vermogensschade op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Artikel 532 Sv is niet op deze kosten van toepassing. De rechtbank zal de grond voor de vordering tot vergoeding van deze kosten ambtshalve verbeteren. Nu deze kosten ter hoogte van € 40,90 voldoende zijn onderbouwd, zowel het maken van de kosten als de omvang daarvan naar het oordeel van de rechtbank redelijk is en de kosten namens de verdachte ook niet zijn betwist, is ook deze post toewijsbaar. Concluderend wijst de rechtbank ten aanzien van de materiële schade deel van de vordering ter hoogte van € 158,00 toe.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering, ter hoogte van € 364,27, niet-ontvankelijk omdat geen sprake is van een rechtstreeks verband tussen de overige ritten die de benadeelde partij heeft gemaakt, de verhuiskosten en de bewezen verklaarde feiten.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op zowel de eerste als de laatste grondslag is gebaseerd. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde mishandeling. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (de strafbare feiten) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. De benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door het door het verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de verslagen en verwijzing van de huisarts blijkt immers het vermoeden van PTSS naar aanleiding van de strafbare feiten.

De rechtbank neemt in haar beoordeling van de omvang van de schade mee dat het in onderhavig geval gaat om fysiek geweld binnen de relationele sfeer dat plaatsvond in de woning waar de benadeelde partij verbleef. Gelet op soortgelijke zaken en de Rotterdamse Schaal is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 2.500,00 billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij wegens immateriële schade daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering, ter hoogte van € 5.000,00, niet-ontvankelijk.

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.

Als door verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 26 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 38w en 57 Sr.

9. De beslissing

1. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 23 september 2025, pagina 90 en 92.

2. Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] van 22 september 2025, pagina’s 9-10.

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 3

het misdrijf: mishandeling;

feit 4

het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 91 (eenennegentig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien verdachte gedurende de

proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken bij de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;

- zich ambulant laat behandelen door IrisZorg te Doetinchem of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op: diagnostiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden en sociale vaardigheden. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;

- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

- beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid als

bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van 3 (drie) jaren;

- beveelt dat verdachte gedurende 3 (drie) jaren op geen enkele wijze – direct of

indirect – contact op zal nemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2002;

- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door 1 (één) week hechtenis en bepaalt daarbij dat de maximale hechtenis zes maanden bedraagt;

- beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is, omdat er ernstig rekening mee moet

worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich

belastend zal gedragen jegens [slachtoffer] ;

- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;

schadevergoeding

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] af tot een bedrag van

€ 29,64 (negenentwintig euro en vierenzestig eurocent);

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van

€ 2.658,00 (tweeduizend zeshonderdachtenvijftig euro), bestaande uit materiële en immateriële schade;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] (feiten 3 en 4): van een bedrag van € 2.658,00 (tweeduizend zeshonderdachtenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 september 2025;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feit en tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.658,00 (tweeduizend zeshonderdachtenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 september 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 26 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer], voor het overige deel van € 5.364,27 (vijfduizend driehonderdvierenzestig euro en zevenentwintig eurocent) niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

opheffing geschorste bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. ter Riet, voorzitter, mr. J. de Ruiter en mr. R.J. Postma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M.A. van den Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025461082. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Op 20 september 2025 waren ik en [slachtoffer] thuis in [plaats] . We kregen ruzie. Ik heb toen tegen haar gezegd dat ik haar zou vermoorden.

Afgelopen zaterdag 20 september 2025 was ik met [verdachte] thuis in zijn woning in [plaats] . Ik hoorde [verdachte] hysterisch en herhaaldelijk zeggen ''Ik maak je dood!''.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M. ter Riet
  • mr. J. de Ruiter
  • mr. R.J. Postma

Griffier

  • mr. E.M.A. van den Hoek

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?