RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/345007 / KG ZA 26-39
Vonnis in kort geding van 3 april 2026
in de zaak van
1. [eiser] ,
te [woonplaats 1] ,2. [eiseres],
te [woonplaats 2] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. E.J.M. Maatman,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
te [woonplaats 3] ,2. [gedaagde 2],
te [woonplaats 4] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. J.H. Ringenaldus.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 maart 2026 met producties 1 tot en met 12,- de conclusie van antwoord 26 maart 2026 met 1 productie,- de aanvullende producties 13 en 14, - de mondelinge behandeling van 30 maart 2026, waar partijen zijn verschenen, bijgestaan door de advocaten. Namens [eisers] zijn pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De samenvatting: waar de zaak over gaat
Partijen hebben aan elkaar grenzende percelen en zij zijn het met elkaar oneens over de hoek van de door [gedaagden] geplaatste schutting. [eisers] stelt bij het verlaten van zijn oprit verminderd zicht te hebben door de schutting, wat leidt tot gevaarlijke verkeerssituaties. Om die reden vordert [eisers] onder andere dat de linkerhoek van de schutting wordt afgeknot, op straffe van een dwangsom. [gedaagden] betwist de vordering.
De voorzieningenrechter wijst de door [eisers] gevorderde voorlopige voorziening af omdat er geen spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter motiveert dat als volgt.
3. De feiten
[eisers] woont aan de [adres 1] . [gedaagden] woont in de naastgelegen woning aan de [adres 2] . De achterzijde van het perceel van [gedaagden] grenst aan de zijkant van het perceel van [eisers]
De linker- en achterzijde van het perceel van [gedaagden] was eerder omheind met een heg (langs de [adres 1] ) respectievelijk een schutting (langs het perceel van [eisers] ). De hoek van de heg die grensde aan de oprit van [eisers] , was - door de voormalig eigenaar van de [adres 2] - afgerond.
Tussen de oprit van [eisers] en de straat (en dus ook tussen de zijkant van de schutting van [gedaagden] en de [adres 1] ), bevindt zich een stoep van 1,5 meter breed.
Vanwege een verschil van inzicht over de wijze van het plaatsen van een (nieuwe) schutting, heeft op 18 februari 2025 tussen partijen buurtbemiddeling plaatsgevonden.
[gedaagden] heeft in april 2025 de heg en de schutting vervangen door één volledige schutting rondom haar perceel. De schutting is in een 90 graden hoek geplaatst en is niet afgerond.
4. Het geschil
[eisers] vordert -samengevat- dat de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad [gedaagden] veroordeelt om de linkerhoek van de schutting vanaf de straatzijde gezien en die grenst aan het perceel van [eisers] , binnen vier weken na betekening van dit vonnis aan te passen naar een afgeknotte hoek zoals aangegeven is op productie 11, en deze zo te houden, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag(deel) dat [gedaagden] hieraan niet voldoet, met een maximum van € 50.000,00. Ten slotte vordert [eisers] dat [gedaagden] in de proceskosten wordt veroordeeld.
[gedaagden] voert verweer.
5. De standpunten van partijen en de beoordeling daarvan
Spoedeisend belang
[eisers] stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen, omdat zij vreest voor een verkeersongeval als gevolg van het verminderde zicht door de (hoek van de) door [gedaagden] geplaatste schutting. Het van de oprit afrijden zonder voldoende zicht op de weg leidt tot gevaarlijke verkeerssituaties. Het is niet de vraag of het tot een ongeval zal leiden, maar wanneer.
[gedaagden] stelt daarentegen dat van een spoedeisende situatie geen sprake is. Onvoldoende is gebleken dat zich een acute onveilige situatie voordoet die geen uitstel kan verdragen. De huidige situatie bestaat al sinds april 2025. Bovendien parkeert [eisers] nog altijd op haar eigen oprit en niet aan de straat.
Daarmee laat [eisers] volgens [gedaagden] zien dat er geen sprake is van een zodanig acute of onaanvaardbare situatie dat het gebruik van de oprit onverantwoord is en dat een aanrijding een kwestie van tijd zou zijn. Ten slotte merkt [gedaagden] op dat geen sprake is van een objectief onveilige situatie.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Voor toewijzing van een vordering in kort geding is vereist dat er sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist en dat van de eisende partij niet kan worden gevergd een bodemprocedure af te wachten. Daarbij kan een rol spelen de beoordeling of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, dient te worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eisers] onvoldoende gemotiveerd gesteld dat de huidige situatie rondom de oprit leidt tot verkeersonveilige situaties. Uit de door [eisers] overgelegde video's van de situatie blijkt dat bij voorzichtig afrijden naderend verkeer wordt gezien. De huidige situatie bestaat sinds april 2025 en er zijn geen ongelukken gebeurd. Er is geen (verkeerskundige) onderbouwing of bewijs van concrete gevaarzetting overgelegd. Uit deze omstandigheden volgt onvoldoende dat sprake is van objectieve onveiligheid die er direct toe moet leiden een voorlopige voorziening te treffen, die bovendien ook nog vrij ingrijpend van aard is omdat de schutting in beton is gegoten en [gedaagden] in hun tuin tegels hebben gelegd die ook in beton liggen.
Zoals uit r.o. 5.3. volgt, kan bij de beoordeling van de spoedeisendheid een rol spelen of de vorderingen in de bodemprocedure een kans van slagen hebben. Voorshands komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het niet waarschijnlijk is dat de bodemrechter de vorderingen van [eisers] zou toewijzen. Bij de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder (artikel 5:37 juncto 6:162 BW) dienen onder meer de aard en de ernst van de hinder te worden beoordeeld en de andere omstandigheden van het geval. [eisers] kunnen hun oprit en de stoep stapvoets afrijden en omdat het om een 30-km straat gaat in een woonwijk waar niet veel (laat staan snelrijdend) verkeer te verwachten is, moeten zij naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het verkeer op de straat voldoende kunnen waarnemen. De voorzieningenrechter concludeert daarom voorshands dat het plaatsen van de schutting door [gedaagden] - geheel op eigen grond - daarom in een bodemzaak niet snel als onrechtmatige hinder zal worden gekwalificeerd.
Conclusie
De conclusie van het bovenstaande is dat het spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening ontbreekt. De vorderingen van [eisers] worden afgewezen.
Proceskosten
[eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [gedaagden] betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden als volgt begroot:- griffierecht € 314,00- salaris gemachtigde € 760,00- nakosten € 144,00totaal € 1.218,00
6. De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen af;
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.218,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te meerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bottenberg-van Ommeren en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.