RECHTBANK OVERIJSSEL
beslissing
Wrakingskamer
Zittingsplaats Almelo
zaaknummer: C/08/345424 / KG RK 26-118
Beslissing van 9 april 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats],
verzoeker tot wraking.
1. De procedure
Op 26 februari 2026 heeft verzoeker tijdens een mondelinge behandeling een verzoek tot wraking gedaan van mr. H. Vegter (hierna: de rechter), rechter in deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de strafzaak, geregistreerd onder parketnummer 11647767 WM VERZ 25-339. Van deze mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
Mr. Vegter heeft niet berust in de wraking en zijn beslissing schriftelijk toegelicht.
Het wrakingsverzoek is op 1 april 2026 in het openbaar behandeld. Bij de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen. Mr. F. Buddingh, zittingsvertegenwoordiger Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie, is uitgenodigd, maar niet verschenen. Mr. Vegter heeft laten weten niet te zullen verschijnen.
2. Het wrakingsverzoek
Verzoeker heeft, samengevat, aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij voor de mondelinge behandeling een pleidooi had voorbereid, dat op drie belangrijke pijlers rustte. Tijdens de mondelinge behandeling wenste verzoeker - als strategie - eerst een beslissing van de rechter op zijn eerste punt, namelijk het verzoek om de verbalisant als getuige te doen horen, voordat hij zijn pleidooi verder kon vervolgen. De rechter heeft daar niet op gereageerd en hem medegedeeld dat hij ging nadenken over de beslissing, die hem dan via de post zou worden toegestuurd. Hij heeft daarbij niet expliciet gezegd dat hij ging nadenken over het horen van de verbalisant als getuige. Omdat verzoeker daarna niet meer de gelegenheid heeft gekregen om zijn pleidooi te vervolgen, heeft hij geen kans meer gehad om zijn verdere verhaal te doen. Hij is daarom van mening dat de rechter het recht geschonden heeft en dat hij onheus door de rechter is bejegend.
3. Het standpunt van mr. Vegter
De rechter heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet partijdig is geweest en dat hij evenmin de indruk van partijdigheid heeft gewekt. Hij heeft verzoeker medegedeeld dat hij, naar aanleiding van diens betoog, over de zaak wilde nadenken, dus ook over zijn uitdrukkelijke wens om de verbalisant te horen. Hij heeft eveneens gezegd dat hij niet meteen maar op een later moment uitspraak zou doen om zo een zorgvuldige beslissing te kunnen nemen. Omdat verzoeker erg boos was, lukte het hem niet meer om met verzoeker in gesprek te komen.
4. De beoordeling
De wrakingskamer moet de vraag beantwoorden of de rechter partijdig is of dat hij die indruk bij verzoeker heeft gewekt. Die indruk gaat niet alleen maar over het persoonlijke gevoel van verzoeker, maar moet ‘geobjectiveerd’ zijn. Dat wil zeggen dat een willekeurige andere persoon in de plaats van verzoeker op grond van bepaalde feiten en omstandigheden óók moet hebben gedacht dat de rechter partijdig is. Het uitgangspunt is dat de rechter vanwege zijn aanstelling als rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dat kan anders zijn als sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid, waaruit kan worden afgeleid dat hij vooringenomen is.
De wrakingskamer begrijpt uit het proces-verbaal van de zitting van 26 februari 2026 dat het verzoek tot wraking van de rechter is gegrond op de beslissing van de rechter om niet aanstonds, tijdens de mondelinge behandeling uitspraak te doen over het verzoek om de verbalisant als getuige te horen, maar in een latere, schriftelijke uitspraak een oordeel te geven in de zaak. Een dergelijke beslissing is een procedurele beslissing.
Een procedurele beslissing is geen grond voor wraking, tenzij de motivering van de rechter in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten (bijvoorbeeld door de bewoordingen in de motivering) niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). De wrakingskamer begrijpt dat kennelijk sprake is geweest van enig misverstand tijdens de mondelinge behandeling. De wrakingskamer begrijpt ook dat verzoeker eerst een beslissing wenste naar aanleiding van zijn eerste standpunt - en zijn verzoek om de verbalisant te horen - voordat hij zijn overige standpunten ter tafel zou leggen. Volgens verzoeker was de beslissing hierop van belang voor het vervolg van zijn pleidooi en de vraag of hij al dan niet zijn andere verweren naar voren zou brengen. Uit de opmerking van de rechter om niet meteen te beslissen, heeft verzoeker echter afgeleid dat hij die gelegenheid niet meer zou krijgen en dat zijn verzoek om de verbalisant als getuige te horen niet werd gehonoreerd. De wrakingskamer constateert dan ook dat verzoeker de beslissing van de rechter zonder meer heeft opgevat als een totale afdoening van de zaak, terwijl de rechter op dat punt wilde nadenken over de te nemen beslissing. Nu [verzoeker] de rechter niet heeft verteld dat hij bij onverhoopte afwijzing van zijn verzoek een getuige te horen nog nadere standpunten wilde presenteren, heeft de rechter daarmee geen rekening kunnen houden. Dat duidt dus niet op gebrek aan onpartijdigheid van de rechter. De wrakingskamer leidt uit de bewoordingen van de rechter voorts niet zonder meer af dat een eindbeslissing zou volgen en dat, anders dan verzoeker op dat moment veronderstelde, de mondelinge behandeling zou zijn afgerond. In de bewoordingen van de rechter ligt de mogelijkheid besloten dat verzoeker alsnog de kans zou krijgen om zijn verdere verweren in te brengen.
Uit vorenstaande kan naar het oordeel van de wrakingskamer niet worden afgeleid dat sprake is van enige vooringenomenheid van de rechter. Ook valt niet in te zien hoe de procedurele beslissing van de rechter het recht van verzoeker op een eerlijk proces schaadt: de rechter heeft immers genoemd dat hij een oordeel over het verzoek om aanhouding in de schriftelijke uitspraak zal geven. Dat de rechter zijn oordeel niet al meteen tijdens de mondelinge behandeling wil geven, duidt er niet op dat hij partijdig of bevooroordeeld is.
Voor zover verzoeker bedoeld heeft te klagen over de manier waarop hij door de rechter is bejegend, oordeelt de wrakingskamer dat deze procedure niet voor dergelijke klachten is bedoeld. Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat in deze bejegening partijdigheid van de rechter tegen verzoeker besloten ligt of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, heeft verzoeker verder niet aangevoerd. Ook daarom moet het verzoek worden afgewezen.
5. De beslissing
De wrakingskamer:
verklaart het verzoek ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. U. van Houten, mr. A. Smedes en mr. M.M. Verhoeven in tegenwoordigheid van de griffier M.T. Hovius-Huisman en in openbaar uitgesproken op 9 april 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.