RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12056000 \ RR FORM 26-5
Vonnis van 3 april 2026 in de experimentele procedure bij de kantonrechter als regelrechter
in de zaak van
[eiser] , handelend onder de naam [bedrijf],
gevestigd in [woonplaats] ,
eisende partij, hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: D.J.H. Dijkstra,
tegen
WOOD & STONES B.V.,
gevestigd in Enschede,
gedaagde partij, hierna te noemen: Wood & Stones,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 5 januari 2026 ontvangen aanvraagformulier met bijlagen van [eiser] ;
- de reactie van Wood & Stones;
- de mondelinge behandeling van 6 maart 2026. [eiser] is verschenen, samen met zijn gemachtigde. Wood & Stones is niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.
2. Waar de zaak over gaat
De vaststaande feiten
[eiser] is professioneel fotograaf. Wood & Stones heeft zonder toestemming van [eiser] een foto van [eiser] op haar website geplaatst. De naam van [eiser] is niet bij de foto vermeld.
Op 27 november 2025 heeft [eiser] Wood & Stones gesommeerd om de foto van haar website te verwijderen en tot betaling van schadevergoeding over te gaan. Wood & Stones heeft de foto van de website verwijderd. Wood & Stones is niet akkoord gegaan met het betalen van een schadevergoeding.
De vordering van [eiser]
vordert dat de kantonrechter Wood & Stones bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt om een bedrag van € 1.869,50 aan [eiser] te betalen. Dat bedrag bestaat uit € 942,00 aan misgelopen licentie-inkomsten, € 471,00 aan schadevergoeding voor de inbreuk op het persoonlijkheidsrecht van [eiser] en € 456,50 aan overige kosten. [eiser] vordert ook de wettelijke handelsrente over het bedrag van € 1.413,00 en veroordeling van Wood & Stones in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De reactie van Wood & Stones
Wood & Stones heeft schriftelijk verweer gevoerd. Wood & Stones voert aan dat zij de foto van een klant heeft gekregen en de foto dus te goeder trouw heeft gebruikt. De foto is direct verwijderd. [eiser] heeft geen aantoonbare schade geleden en Wood & Stones heeft geen commercieel voordeel behaald. Het gevorderde bedrag is disproportioneel, aldus Wood & Stones.
3. De beoordeling
Inbreuk op het auteursrecht
Tussen partijen is niet in geschil dat de foto waar het hier om gaat een werk is dat een eigen, oorspronkelijk karakter bezit en het persoonlijk stempel van de maker draagt. De foto is namelijk het resultaat van scheppende menselijke arbeid en van creatieve arbeid en creatieve keuzes van [eiser] . Daarnaast staat vast dat [eiser] de foto heeft gemaakt. De kantonrechter concludeert dan ook dat de foto een auteursrechtelijk beschermd werk is en dat [eiser] als rechthebbende kan optreden tegen een inbreuk op zijn auteursrecht.
Wood & Stones heeft de foto zonder toestemming van [eiser] gebruikt op haar website. Zij heeft de naam van [eiser] niet bij de foto vermeld (zoals artikel 25 van de Auteurswet vereist). Daarmee heeft Wood & Stones inbreuk gemaakt op het auteursrecht van [eiser] .
Dat Wood & Stones de foto van een klant heeft gekregen en dat zij niet opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht, betekent niet dat de inbreuk niet voor haar risico komt. Ook iemand die uit onwetendheid of per ongeluk een foto zonder toestemming publiceert, maakt inbreuk op het auteursrecht.
Het voorgaande betekent dat Wood & Stones onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en dat [eiser] aanspraak kan maken op schadevergoeding.
Schadevergoeding
Naar het oordeel van de kantonrechter is de vordering tot het betalen van € 942,00 aan misgelopen licentie-inkomsten toewijsbaar. Indien Wood & Stones geen inbreuk op het auteursrecht zou hebben gemaakt en toestemming had gevraagd voor het gebruik van de foto, zou Wood & Stones de kosten van een licentie voor het gebruik van de foto hebben moeten betalen. De door [eiser] gevorderde vergoeding van € 942,00 is naar het oordeel van de kantonrechter een redelijke en marktconforme vergoeding. Het tarief is gebaseerd op het tarief voor de categorie “Internet” voor “Bedrijven en instellingen” (categorieën die als leidraad worden gebruikt door Stichting BeeldAnoniem). Gelet op de periode waarin de foto volgens [eiser] online heeft gestaan (vanaf 2022) en dat door Wood & Stones niet is weersproken, ligt deze vergoeding ook ruim onder het totaalbedrag dat [eiser] had kunnen vorderen. Het bedrag van € 942,00 zal dus worden toegewezen.
[eiser] heeft ook recht op aanvullende schadevergoeding wegens het ontbreken van zijn naam bij de foto. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende aannemelijk dat [eiser] schade lijdt wanneer zijn naam niet bij een foto wordt vermeld. De naamsvermelding bij een foto is immers de manier waarop een fotograaf naamsbekendheid krijgt. Nu Wood & Stones niet heeft weersproken dat de foto iets meer dan 3 jaar op de website heeft gestaan, is het naar het oordeel van de kantonrechter ook aannemelijk dat [eiser] in ieder geval enige schade heeft geleden. Op grond van artikel 27 lid 2 van de Auteurswet kan de kantonrechter de schadevergoeding vaststellen op een forfaitair bedrag. De kantonrechter zal in aansluiting op vergelijkbare gevallen in de rechtspraak 25% van de kosten van een licentie, dus een bedrag van € 235,50, aan schadevergoeding wegens het ontbreken van de naam van [eiser] toewijzen.
Overigens volgt, anders dan [eiser] heeft betoogd, uit het arrest van het hof Amsterdam (9 februari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:460) niet dat het hof in dat geval 100% van de kosten van een licentie als schadevergoeding wegens het ontbreken van de naam heeft toegewezen. Aan het betoog van [eiser] om een hoger percentage aan schadevergoeding toe te kennen, zal de kantonrechter dan ook voorbijgaan.
Wood & Stones moet dus een bedrag van € 942,00 + € 235,50 = € 1.177,50 aan schadevergoeding aan [eiser] betalen. Wood & Stones is daarover ook de wettelijke rente verschuldigd. De vordering tot betaling van de handelsrente zal worden afgewezen, want de wettelijke handelsrente is niet van toepassing op schadevergoedingsvorderingen.
De wettelijke rente zal zoals gevorderd worden toegewezen vanaf 27 november 2025 tot de dag van volledige betaling.
Buitengerechtelijke (incasso)kosten
[eiser] heeft een bedrag van € 212,75 gevorderd voor de kosten van IT en juridisch onderzoek omtrent de inbreuk, het verzamelen van bewijs, het aanmaken van het dossier, het bepalen van het schikkingsvoorstel en het opstellen van een brief. Daarnaast heeft [eiser] € 243,75 aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd.
Naar het oordeel van de kantonrechter zijn dit deels kosten die op grond van artikel 6:96 lid 3 BW en artikel 241 Rv vanaf het moment dat een procedure wordt gestart onder de proceskostenvergoeding vallen. De kantonrechter gaat niet mee in het betoog van [eiser] dat het onderzoek in het geval van één foto zodanig uitgebreid is dat daarvoor een aparte schadevergoeding dient te worden toegekend.
De vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten op basis van artikel 6:96 lid 2 sub c BW zal wel worden toegewezen, nu [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat er brieven aan Wood & Stones zijn verzonden, waarmee buitengerechtelijke incassowerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Naar analogie met het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal een bedrag van € 213,72 aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
De proceskosten
Wood & Stones wordt in deze procedure in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser] betalen. Deze worden begroot op:
griffierecht € 265,00
salaris gemachtigde € 434,00 (2 punten x tarief € 217,00)
nakosten € 108,50 (½ punt x tarief € 217,00)
totaal € 807,50
De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling.
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt Wood & Stones om een bedrag van € 1.177,50 aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 27 november 2025 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt Wood & Stones om een bedrag van € 213,72 aan buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser] te betalen;
veroordeelt Wood & Stones in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 807,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.(SB)